Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

PERSSCHOUW.

20 minuten leestijd

Over Emanuel Swedenborg.

In het „Geref. Jongelingsblad" schrijft dr G. N. Impeta een eerste van 4 artikelen over Em. Swedenborg. Over zijn studiegang lezen we:

Bij de studie zocht hij zijn heil. Hij studeert geweldig hart in natuurkunde en schrijft een paar dikke boeken die aan den dag» leggen hoe hij èn in dat vak als geheel èn in bepaalde onderdeelen ervan in 't bijzonder uitstekend op de hoogte is. Alleen maar: met feiten en berekeningen en allerhande practische gegevens stelt hij zich niet tevreden; hij begeert als natuurphilosoof ook door te dringen tot het groot beginsel dat het leven der natuur beheerscht. En daarbij komt hij te staan voor eerst nog onoverwinbare moeilijkheden. In zijn stelsel neigde hij tot 't monisme, d.w.z. (populair uitgedrukt) : de leer die al wat we in 't heelal vinden tot één oorsprong herleidt en van één natuur verklaart; de tegenstelling: stof en geest moet dan in dit stelsel tot een éénheid herleid worden, waarbij natuurlijk dan de „geest" het loodje moet leggen en uit stoffelijke substantie wordt veriïlaard, d.i. in zijn eigensoortig bestaan wordt vernietigd, wordt wèggeredeneerd. Niettemin kwam hij hierbij voor raadselen te staan; met name dan voor 't raadsel van de ziel, die hij tochlzoo maar niet zonder meer ; ; stoffelijk" dorst te verklaren, én voor het raadsel der oneindigheid.

Op een hoogst merkwaardige wijze komt hij in deze dingen tot klaarheid, breekt hij principieel met het monisme en handhaaft hij van nu voortaan zeer beslist het eigensoortig wezen en afzonderlijk bestaan der ziel.

Hij ontvangt n.l.. April 1745, volgens zijn zeggen, te Londen een wondervol „gezicht".

Hij ziet n.l. op een middag, terwijl hij zit te eten, en nadat plotseling een nevel en donkerheid zich over zijn oogen lieeft uitgespreid, de vloer van zijn eetkamer vol slangen en ander afzichtelijk gedierte; terwijl een man, in den hoek van de kamer als verschijning opdoemend, tot hem zegt: „eet niet zooveel!"

Den vo'genden nacht keert het gezicht terug; zonder de beesten, maar wél is er de man. En dez'e„man" zegt tot hem: „Ik ben God, de Heere, de Schepper en Verlosser der wereld. Ik heb u uitverorken, om den menschen de geestelijke bete^k^nis van do Heilige Schrift te verklaren; ik zelf zal u dicteeren, wat gij schrijven moet". In dien nacht werden naar Swedenborgs overtuiging, hel en 'hemel v& or hem geopend.

Daarna opende de Heere God hem dagelijks de oogen, zoodat hij met volle bewustzijn kon opmerken wat er in de wereld der geesten omging en hij in wakenden toestand met Engelen en geesten kon spreken.'

Een verklaring te geven van het wonderlijke dat Swedenborg zeide te zien en te hooren en op allerlei wijze te ondervinden, zal niet gemakkelijk gaan. Zelf zag hij het aan voor een volstrekt werkelijk beleven van de wonderlijkste dingen.

Wel kan met zekerheid worden vastgesteld, dat het hier en later ondervondene een tweevouiigon invloed heeft gehad op Swedenborgs leven en arbeid èn op zijn geheeie wereld-en levensbeschouwing: vooreerst^deze dat deze „openbaring Gods ' (gelijk hij het noemde) zijn leven in een andere richting heeft geleid en den aard van z^'n volgende-studiën heeft bepaald; ten andere deze, dat „het geestelijke" het nu principieel voor zijn bewustzijn hééft gewonnen, zoodat hij nu, door deze „openbaring Gods", ten volle overtuigd is van het ze'fstandig bestaan van de ziel, van den geest.

Het tweede tijdperk van zijn leven vangt nu aan.

, Als een Saulus op den weg naar Damaskus ziet hij nu vóór zich een geheel andere levensroeping.

Hij schrijft weer vele en dikke boeken, maar hu over God, hemel en hel, geopenbaarde hemelgeheimen, den waren godsdienst en wat meer ligt op deze lijn. In 1747 geeft hij zijn ambt aan het departement er aan; hij gelooft nu van God-zelven geroepen te zijn tot een nieuw beroep: te geven een nieuwe uitlegging , der Schrift, een nieuw godsdienst-stelsel, openbaringen omtrent het rijk der geesten en in dat alles tevens den grond te leggen voor een nieuwe kerk, die na zijn dood zou worden gesticht.

In deze tweede periode is hij theosoof en ziener. Wanneer hij daarbij komt tot belangrijke afwijking van de officiëele kerkleer poogt men, in 't laatst van zijn leven, tegen hem op te treden. Zonder gevolg evenwel; de koning is hem welgezind.

In 1772 sterft hij te Londen, aan een beroerte, na eerst nog Avondmaal te hebben gevierd en betuigd te hebben dat" zijn leer de waarheid was.

Over de leer van Em. Swedenborg.

Dr C. N. Impeta, in „Geref. Jongelingsblad" zijn artikelen 'over Swedenborg vervolgende, merkt aangaande diens leer het volgende op:

Hij begon met te studeeren op theologisch en philosophisch, vooral op natuurkundig en natuurphilosophisch gebied; waarbij hij zich zoowol in de eigenlijke natuurkunde, met in 't bijzonder eenige harer' onderdeelen, als mineralogie en krystallograplüe, verdiepte, als ook in de natuurphilosophische vragen: vanwaar het heelal? welke is de. verhouding van het eindige en oneindige, van stof en geest, en dergelijke.

Maar toen er door het Londensch „gezicht" een keer in zijn Igven kwam, en zijn studiën veel meer theologisch en theosophisch werden bepaald, kwam hij nog veel meer dan vroeger met God en Zijn dienst, met de vragen van Schrijit en religie in aanraking.

En hier is het nu dat zich aanstonds vooreerst al zijn tamelijk rationalistische opvoeding' beeft gewroken en zijn eigen tot rationalisme (verheerlijking der rede) geneigde geest hem parten hesft gespeeld.

Het is waar: hij hield streng vast aan de inspiratie der Heilige Schrift. Maar daarmee geplaard ging een allegorische, zinnebeeldige verklaring der Schrift, diü ook daar alleaorie, beeldspraak, vond waar zij ten eenenmale in den zin der Schrift werd ingedragen,

Swedenborg maakte onderscheid tusschen de letterlijke en allegorische beteekenis van zoo menig Schriftverhaal of Schriftwoord.

Juist gelijk hij het onderscheid zag; , in deze zijne tweede p'eriode, tusschen lichaam en ziel: de ziel iiiwoneres in 't stoffelijke lichaam; en op de ziel komt 't aan.

En gelijk hij in al het geschapene zag: het natuurlijke en het geestelijke: de verschijnselen van het wezen.

Zóó komt 't, volgens hem, ook aan op' de zinnebeeldige beteekenis van wat de Schrift op tallooze plaatsen ons meedeelt; op den inwendigen, geestelijken zin; en o^m dien zinnebeeldigen zin te ontdokken, den menschen zuiver bekend te maken, zie, daartoe was hij nu door God in een bijzondere roeping aangewezen.

Over zijn toekomstverwachting:

Een „opstandig des vleesches" kent en erkent Swedenborg niet. Met den dood is het uit met het stoffelijke. In 1767 heeft Swedenborg 'een groot gericht • gezien. Maar andere zullen nog volgen. Het „vuur der hel" wordt gevormd door debooze hartstochten, die God en de Engelen evenwel in toom houden. Op dit punt verliest Swedenborg zich in • allerhande phanttisieën.

Zeer eigenaardig is zijn eschatologie of leer der laatste dingen.

Hij denkt zich 't jongst gericht als' nü • gekomen en al meer komende.

De Kerk was in zijne dagen diep' gezonken; dichte wolken, de zon des Heeren verduisterend, 'hadden zich om haar gelegerd. Welnu: dat wolkengoifdijn .moest uiteengeslagen worden. Voor de waarheid moest er zijn een vrije baan. Den menschen moest het licht weer opgaan. Welnu: God dééd 'tnu opgaan.. In onthullingen der waarheid die hèm geschonken werdeni en die hij openbaar maakte.

In zijn in 1758 uitgegeven werk: „Van het jongste gericht en van het verwoest© Babel", spreekt hij het denkbeeld uit. dat alles wat in het Boek dor Openbaringen voorzegd wordt, nii is vervuld en Christus in geestelijken zin bezig is te komen, om de geestelijke beduidenis der Heilige Schrift te veiklaren, om een „nieuwe kerk" — het „nieuwe Jeruzalem" —• te. stichten en om een man te verwekken die de leer dezer Kerk èn zelf verstaan en aan anderen duidelijk malcen kon. Deze man nu was, naar zijn innigste overtuiging, hij, Swedenborg, zelf.

Dit. was ftij hem geen hoogmoedswaanzin. •.-

De gedachte aan dit geweldige komt bij hem op eenerzijds door zijn eigenaardige wereldbeschouwing: het geestelijke inwonend in het stoffelijke; : -het geestelijk-werkelijke de kern dor zaak; anderzijds door de stellige overtuiging dat hij o'^genomen was - geweest in den derden hemel, daar dingen had gezien , die niemand anders ooit had gezien, van God zelven onderricht was in Zijn goddelijke .heilgeheimijn èn geroepen om profeet der waarheid te wezen voor het toen-levend geslacht en voor degenen die na hem ikjomen zouden..

Dogmatisme?

'Een der stellingen van het proefschrift van, dr L. v. d. Zanden wordt .• door ds H. W. Laman in „Geref. Kbl. Dreilte en "Overijsel" ald'us besprofcenB'^; 'ï''< jt_''

. En dan bekoort mij 'stelling 10: " de' bewering van fir J. Riemens „de naspeuring oi „dé" wedergeboorte vóór het geloof komt of andersom; of , , de' roeping op haar volgt, ja dan neen, en dergelijke strijdvragen, behoort geheel en al tot het kadeif van onnut monnikenwerk onder de, heerschappij, van het intellectualisme, is geheel ongegrond^, wijl in deze vragen eigenlijk, het probleem Christelijke religie en historische Openbaring aan de orde wordt gesteld. Een ethisch man als Dr .Riemens heeft daar natuurlijk geen oogen voor. Hij is anders ingesteld.

Over het liberale „Jezusbeeld".

In aansluiting aan de artikelen van ds Le C'ointre geef ik hier een artikel (geteefcend A. M. L. Frevel), uit „De Stroom": ,

In het jaar 1863 versclieen het „Leven van "Jezus" van den Franschman Ernest Renan. Renan had zelf van nabij hot land Palestina leeren kennen en hij.teekende Jezus in zijn eigen Galileesche omgeving. Een zonnig stralend en tegelijk verheven landschap, dat. eert zoml'ige vroomheid aan den Mees'ter van Nazareth schonk. Bijna als een idylle verliep het eerste jaar van zijn optreden.

Om hem heen hot vredige gezelschap van Galileesche visschers en hij, de jonge timmerman, denkt slechts aan zijn v/erk, aan z.ijn volk, aan de menschheid. Hij weet zich in onmiddellijk contact met God en hij verkondigt God niet als den machtigen Souverein, den strengen Rechter, maar als den Hemelschen "Vader van allen. En humaniteit als de roeping der menschen. Zijn goedheid èn zijn schoonheid hebben groote be^ koring voor allen en het is dat eerste jaar of God woont op aarde.

Drie of vier toegewijde Galileesolie vrouwen begeleidden hem. Enkele waren rijk en stelden door hun vermogen den profeet in staat te leven zonder handwerk uit te oefenen. En hij trok op het zachte muildier van dorp tot dorp en van stad iot stad, zijn prediking was volkomen natuurlijk en wilde wekken een natuur-

lijke vroomheid des haxten. Waar hij kwam, was het feest. Op bruiloften was hij een gaarne geziene gast en tot de feesten, die hij zelf gaf, werden sen Maiia Magdalena en een Zacheüs uitgenoodigd.

Maar hij Itomt in aanraking met Johannes den Deeper en diens boeteroep trilt na in zijn hart en diens prediking van den ondergang der wereld zst al zijn gedachten om. Onder zijn invloed wordt Jezus een godsdienstig revolutionair, die heel de wereld tegenover zich voelt. De tijd van onbevangenheid en ^Teugde is voorbij. Om zichzelf • te handhaven wordt hij wonderdoener, d.w.z. hij doet het soms voorkomen alsof hij doener, d.wiz. hij doet het soms voorkomen alsof hij vallig op gewone wijze begreep en alsof ©en volkomen natuurlijke gebeurtenis in verband stond met bovennatuurlijke' krachten, die hij heeft. Het wonder wordt haast een onschuldig, spel.

Meer en meer maakt hij zich van Jiet aardsche los, ' een wonderlijk heimwee naar het martelaaxschap grijpt hem aan.

Dan gaat hij op weg naar Jeruzalem — zoo zonnig als het Galileesche landschap was, zoo somier en leelijk is dit. Het trouwe muildier draagt hem de poort van de hoofdstad doof. Maar donker wordt het in de ziel van de jongeren en in de ziel van den Moester. De machthebbers van het Jodendom valt hij aan, het aantal zijner vijanden groeit. De vrije persoonlijkheid moet immers in conflict komen met de heérschzucht der priesterschap. Ook • onder zijn leerlingen geen eenheid. Jezus echter, hoewel volkomen alleen ge'.aten, lijdt alle lijden, dat over hem komt.

Ja, een oogenblik ontwaakt de natuur in hem: alles wat hij in zich had gedood, waarmee hij gemeend had klaa]' te zijn, staat weer voor hem. AJs hij eens • de eenvoudige handwerksman 'van Nazateth gebleven was en zijn 'leven vermooid was door het rustige geluk van gezin en omgeving. Maar ook dit wordt in Gethsemane overw'onnen;

Bij zijn gxaf spreekt Renaa hem toe. Hij ziet Jezus als den o-ppersten mensch, den held van het lijden, de vrije persoonlijldieid en liij zegt: „Rust nu, edele baanbreker, doior alle eeuwen heen zal de menschheid • ü volgeil op Uw koningsweg." •

Dit was dus dat gevaarlijke 'geschrift, waardoor Renan 'Zijn betrekking verloor. Natuurlijk hebben wij op het oogenblik tegen. dit boek ooik vele bez-waren. Wij doorzien, hoe handig het in elkaar is'gezet om eon goedkoop effect te bereiken en wij missen psychologische digpte. Maar toch, het werd in binnen-en buitenland zeer populair. Omstreeks 1850 waren in Frankrijk de resultaten van de duitsche wetenschappolijke bijbelcritiek vrijvvel onbekend. Trouwens in andere landen waren die resultaten' binnen den kleinen kring van theologen geblevea. Nu werden ze aan heel de beschaafde wereld voorgelegd. En raet ©en zeldzame gemakkelijkheid wist Renan een ingewil&amp; eld probleem in een paar woorden duidelijk te maken. Men zag voor het eerst Jezus in Galilea. '

Hier, in het nuchtere Nederland kon men zijn romantische capriolen niet zoozeer waardeeren en vooral niot het laatste deel van zijn boek. Dit was niet de Jezus dien men wilde zien. Men' wilde herii niet als ©en dweeper, die de schoone wereld veracht. Men sprak lievei 'Van ^, den leeraar, die met stille verhevenheid tusschen Galilea's bergen menig goed woord gesproken en menige goede daad gepleegd hoeft." Maar dat Renan een mensch teekende, dat verweet men hem niet.

Van de levensbeschrijvingen van Jezus, die volgden, past 'b.v. die van Gustaf Frenssen veel meer bij de algemeene stemming in Nederland aan.

Sommigen van u kennen waai-schijnlijk wel zijn roman Hilligenlei, waarin hij een schets van Jezus' leven inlascht in het romantische verhaa, l. Den mensch Jezus, ontdaan van alle bovennatuurlijke opsiering.

In dit boek is even makkelijk den duitsoher van omstreeks , 1900 te herkennen, als in Renan's werk den franschen geest uit den natijd der romantiek. Maar in beide ook: het liberale Jezusbeeld.

ficnan's persoonlijkheidsideaal concentreert zich om het „warme menschenhart" met zijn wonderlijke tegenstrijdigheden en zijn donkere diepten, met zijn spontane zonnige teerheid, die omslaat in revolutionaire drift! . ' ' • • ' , ,

Het leven is een vreemde reis. Ons hart een donker ding — ;

deze woorden van den dichter gelden van zijn held bij uitstek.' Jezus is de held, die vrij van uiterlijke gebondenheid en vrij van priesterdwang, zijn leven leeft in overgave aan de innerlijke noodzakelijkheid van zijn wezen. Dat' b.v. de ensceneering van de' wonderverhalen afbreuk doet aan zijn grootheid, doorziet Renan niet.

Een dergelijke smakeloosheid zult ge in het Je'zusbeeld, van Frenssen niet vinden. Voor hem is Jezus de sterke wilsmensch, met reine gevoelens en een^harmonische natuur. Terlichte ideeën, waarin hij zijn tijd vooruit is, leiden hem —als is hij tegelijk ook kind van dien tijd. Als , dan de omstandigheden moeilijk worden en hij eenzamer 'is dan ooil; , dan is er zijn rustige tronw aan zijn taak.

En Frenssen toekent den gekruisigde aldus: „Wat in hem omging weet geen mensch. Hij zeide niets meer. Hij wist niet waarom zijn Vader hem verlaten had. Hij wist niet waarheen hij ging en hoe het met zijne zaak zou gaan. Hij wist alleen dat zijne zaak waarvoor hij zoo schrikkelijk moest sterven, recht en goed was, IJij had wel tot 't laatste nog een kleine hoop, dat zijn Vader in de hemelen hem de rest van den bitteren beker zou schenken.

Maar er kwamen geen 10.000 engelen. Er kwam er geen één.

Van zijn getrouwen en van zijn verwanten was er niemand.

Hij stierf na eenige uren. En dat w; as zijn leven. En dat was zijn dood.

• Hij was de schoonste der menschenkinderen!"

Dit Jezusbeeld vindt ge, al is het in allerlei variaties, overal terug. In catechisatieboekje's, in preeken, ook in de. schets der geschiedenis van Jezus, die dr I. Hooykaas schreef in den Bijbel voor Jongelieden (1871) ^ en die van veel invloed werd in binnen-en buitentónd.

Zoo heeft de eerst© generatie der modem-godsdienstigen het Jezusbeeld gekend en zoo kennen wij het eigenlijk nog:

— „Jezus, de verlichtste en vroomste mensch, dien Galilea ooit heeft voortgebracht", „die door God met een buitengemeen schoenen aanleg begiftigd was, om op het gebied van den godsdienst te schitteren als de zon aan den hemel" en die tegelijk was de wijze leeraar, die zijn prediking van liefde en. van de adel der menschenziel kwam .verkondigen.

Over de Vrije Universiteit en de Gereformeerde beginselen.

Prof. L. Lindeboom schrijft in „De Wachter":

„De eenige wensch" van dezen nieuwen hoogleeraar —• dien i k heb onderstreept — is een, ook aan de Commissie van Advies in zake Art. 2 van de S t at ut-en. ongetwijfeld zeer welkome echo opi haar dringend'verzoek aan de Directeuren in haar, op de Jaarvergadering 5 Juli j.l. te Middelburg behandeld, Rap'port. Do lezer kan dit o.a. vinden in het art. De Gereformeerde grondslag van de Vrije Universiteit in het No. van 22 Juni vail dit bl'ad. Waaruit ik het volgende hier overneem:

„ Derhalve —-oandat de Vereeniging tot nu toe zich nog! niet heeft uitgesproken over de vraag, welke die Gereformeerde Beginselen zijn — derhalve geeft de Commissie Uwe Colleges — de Directeuren en de Curatoren der V. U. — in overweging: het uiterst belangrijke vraagstuk van de wetenschappelijke formulieren der Gereformeerde beginselen opnieuw en met aandrang onder de aandacht van den Senaat der Vrije tUniversiteit te brengen, en zijn •werkzaamheid in deze richting zooveel' mogelijfc te bevorderen."

In, bovengenoemd artikel, is ook in herinnering gebracht: lo. wat Prof. Bavinck in 1899 geschreven heeft over de Geref. Begins, in Art. 2; 2o. hoe de Synode van de Gereformeerde Kerken, in 1920, den term „de Geref. B." die ingeslopen was in de Concept-Instructie van een Zendings-adviseur, heeft, toegelicht.

Prof. van der Horst zal' dan ook van stonde aan gelegenheid vinden om met kracht mede te werken aan de spoedige vervulling van zijn wensch, diel ook wel zal gedeeld worden door de Direciteuren en Curatoren. Indien dit gewenscht, of noodig geacht mocht worden, zal dan ook wel deze vraag in behandeling komen: of er, en, indien ja, welk onderscheid er is tusschen Geref or me er de en Ca.l'vinistische beginselen; of het voor de beoefening der wetenschap van meer belang is, te spreken van C alv.ini sti s ch e beginselen; on, indien ja, welke beteekenis een .en ander dan heeft voor den grondslag der V. .U. j, zooals die in A, xL 2 der Statuten is omschreven. ; > ; . •.: _ , . , , . , /;

. •', Den. n.ieu'^ren.H^QgleejaaE HeU> , Ge.< i', ziji met-UI •

' '" '".'"". .; ••'.; .; ••: , .. r, - , f.j; r'ii': "fv!, , , „Vrqegdoop".

Omdat de discussie inzaMfiJ^'„Vroegd'oop", voorzoover die aan oen bepaald artikel verbonden was, 'in een andere rubriek is aangesneden, bleef het vervolg buiten de persschouw. Hier volgt i: evenweU ©en artikel uit „Hilv. Kb.", buiten deze discussies om:

Onderstaande stellingen behandelen de kwestie van den dusgenaamden „vroegdoop". Waar deze kwestie den laatsten tijd weer urgent is en Ds Tom deze stellingen op de e.v. vergadering van de classis verdedigen zal, drukken wij ze gaarne nog voor die vergadering in onze Kefkbode af. In de volgende Kerkbode hopen we dan een verslag] van de bespreking te kunnen plaatsen.

Waar het rapport der Commissie, door de Classis benoemd in zake Art. 56 K.O., 'wel' wat breed voor toezending aan de kerken, , werd, waartoe zij door de vergadering werd gemachtigd, wordt U hierbij van den hooidüüioud van dat rapport in kennis gesteld, in een tiental stellingen saamgevat.

L. In de bepaling van Art. 56 K:0.: Het Verbond Gods zal aan de kinderen der Christenen met den Doop, zoo haast als men de bediening deszelven hebben kan, verzegeld worden", voor het eerst reeds öpigenomen in de kerkenordening der Synode van Dordt van 1574, heeft men met geen nawerking van een Roomschen zuurdecsem te doen, maar hebben onze vaderen, èn wat de doopsbeschouwing èn wat de doopspractijk betreft, welbewust, een zuiver Reformatorisch standpunt ingenomen."

II. Wat hen tot deze bepaling dreef werd kostelijk in deze woorden saamg.evat: „Onbepaaldelijk moet ^bij de allereerste gelegenheid de Doop begeerd, en ook , door de Kerk bediend worden, wegens Gods bevel en wegens de Goddelijke verzegeling der Verbondsgenade door denzelVen". (Voetius.)

III. Tot het einde der ISe eeuw was het doopen, zonder bijzijn van de moeder, in onze kerken regel; eerst bij het verval der Kerk, toen de V'erbondsleer van h3, ar glorie beroofd werd, kwam hierin verslapping; de Haagsche Synode van 1816 (immers een staatscreatuur van Willem • I) die den doop' tot een , kerkelijke plechtigheid verlaagde, drukte hierop haar stempel'.

IV. De z.g.n. „Vroegdoop" was regel', zoolang de H. Doop als Bondszegel werd erkend en ge'ëe'i'd; het wachten op het herstel der moeder werd gewoonte, toen de Doop tot een kerkelijke plechtigheid was gemaalct.

V. De „vroegdoop" is geen nieuwigheid; wel omgekeerd is het uitstel van don Doop tot de beterschap der moeder een nieuwigheid, aanbevolen door de Synode van 1816.

VI. Het goed recht van den „vroegdoop" (in tegenstelling met dat van den Doop, waarbij op herstel van do moeder gewacht wordt), staat historisch, kerkrechterlijk, liturgisch en dogmatisch vast.

A'II. De bedenkingen, die togen den „vroegdoop" ingebracht worden, zijn, voor zoo veel zij van een Roomschen züurdeesom spreken, mot do waarheid in lijn­ 87 rechten strijd; en kunnen, voor zoover zij de tegenwoordigheid der moeder bij den Doop bedoelen, den toets van Gods Woord niot doorstaan.

VIII. Terugkeer tot de oude paden (het bepaalde in art. 56 K.O.) zal onder den zegen des Heeren kunnen medewerken tot meerdere waarjieering van den H. Doop; verdieping van het kerkelijk besef; en een inniger geloofsleven ten opzichte van Gods verbond en beloften.

IX. Do kerken ziJn gehouden, op getrouwe naleving van het in art. 56 K.O. bepaalde toe te zien.

X. Het zal goed zijn, dat in vacante kerken, waar in •korten tijd na de geboorte van een kind geen gelegenheid tot doop zou zijn, maatregelen getroffen worden, waardoor de gelegenheid daartoe wordt geopend.

Huizen Hilversum ^6 November '28.

J. E. VONKENBERG.

D. TOM Wzn.

Eindelijk ook eens een duidelijk roomsch geluid.

Herhaaldelijik viel het op, dat de Roomsche pers oot al meezong in het koor van de verachters der Asser synode. Daarom doet het goed, eindelijk eens een ander geluid uit dien hoek te hooren. In „De Bazuin", weekblad voor katholieken en zoekenden naar de waarheid (17 Nov.) staat:

Prof. H. H. Kuyper komt in „De Heraut" van 28-10-1928, met 'heilige verontwaardiging op tegen eene beschuldiging van afgoderij in de Geref. Kerk. Deze verontwaardiging, welke alleszins gemotiveerd is, zal zeer zeker gedeeld worden door Katholieken.

Volgens Ds Smelik te Rotterdam zouden n.l. de Geref. Kerken dreigen te verzinken door afgodische vereering van drie dingen: „de Ke, rk als organisatie, den Bijbel en het Ambt". Het gevaar zou, volgens denzelfdon predikant, zelfs zoo groot zijn, dat deze Kerken dreigen te verzinken, door deze afgodische vereering van den Bij'bel. Zoo erg zou dat reeds zijn, „dat ongemerkt het middel doel geworden is en in de plaats van den eenigen, waran God, zou men. me't afgodische vereering den eenig waren Bijbel aanbidden". Zoo'n beschuldiging legt natuurlijk: elk weldenkend mensch, die den Bijbel aanneemt als Gods Woord, rustig naast zich neer. Dat zijn we met Prof. Kuyper roerend eens en 't doet ons, katholieken, weldadig aan, te hebben gezien en gelezen, dat de Geref. Kerk niet schroomt, elke predikant uit zijn ambt te ontslaan, welke aan het Woord Gods tornt. Daaraan is het misschien te wijten, dat men de Geref. Kerk_ beschuldigt van afgodische vereoring voor de Kerk 'en het ambt. Ieder Christen heeft natuurlijk een grooten eerbied voor zijn Kerk, maar dat is toch 'geen afgoderij en 't is dan ook begrijpelijk dat Prof. Kuyper schrijft: „Wel eeren we on-ie Kerk, die in zekeren zin onze Moeder is, en we kunnen daarom niet dulden, dat onze Kerk, die niet de schepping is van menschen, niet ons werk, maar een genadegift Gods aan ons volk, aangerand en verdacht wordt gemaakt."

. Dit is een deel van een hoofdartikel. Redactie-adres is: pater J. Th. Welter, O.P., Amsterdam. Schrijiver van het artikel is J. C. M.

K. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 14 December 1928

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW.

Bekijk de hele uitgave van Friday 14 December 1928

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken