Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

WERELDGELIJKVORMIGHEID.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

WERELDGELIJKVORMIGHEID.

10 minuten leestijd

II.

Nadat iii het voorgaande artikel aangetoond is, dat er alle reden bestaat ons over het verschijnsel der - wereldgelijkvormigheid te bezinnen, willen wij thans trachten te onderzoeken, hoe wij nader de beteekenis daarvan te bepalen hebben. Wat is weretd'gelijkvormigheid ?

Het ligt voor 'de hand en het is een veilige methode, hierbij uit te gaan van het bekende Schriftwoord van Rom. 12:2: n wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede en welbehaaglijke en volmaakte wil Gods zij.

Deze tekst is met het verband, waarin hij voorkomt, voor ons onderwerp belangrijk.

'Paulus begint hier het praktisch vermanend gedeelte van den Romeinenbrief. Na zijn beschrijvnig van den weg des heils, die bestaat in de rechtvaardiging door het geloof in Jezus Christus en in de heiliging door Gods Geest en die door het vleeschelijke Israël helaas verlaten werd, wekt de Apostel hen, die dezen weg wèl bewandelen, op, hun leven in overeenstemming te doen zijn met de ontvangen genade.

Hij bidt zijn lezers, de broeders ia het geloof, bij de ontfermingen Gods, dat zij hun lichamen stellen tot een levende, heilige en Gode welbehaaglijke offerande. Het lichaam is hier te nemen als instrument der ziel, als middel, waardoor wij ons innerlijk leven tot uiting brengen. Doordat wij een lichaam hebben, kunnen wij onze gedachten omzetten in woorden, onzen wil door daden ten uitvoer brengen, onze innerlijke bewogenheid aan anderen doen blijken. Onder „lichaam" hebben - wij hier dus te verstaan niet het samenstel van beenderen, spieren en zenuwen los van de ziel, die er bet leven en de stuwkracht van is, maar heel ons optreden naar buiten, gelijk dat het stempel onzer persoonlijkheid draagt.

In denzelfden zin gewaagt de Schrift elders (Rom. 6), sprekend over het lichaam, van wapenen der ongerechtigheid en van wapenen der gerechtigheid. De ziel bedient er zich van hetzij ten kwade, hetzij ten goede.

Ons lichaam, zoo verstaan, hebben wij Gode toe te wijden als een offerande der dankbaarheid.

Oor en oog, tong eai mond, hand en voet moeten wij stellen in den dienst des Heeren. Heel onze levensopenbaring zij op Hem gericht en op de eere van Zijn Naam. Het is de positieve zijde van onze Christenroeping, welke Chrysostomus meer naar den negatieven kant beschrijft, als hij zegt: „laat het oog geen kwaad zien en het is een offerande; la, at de tong geen kwaad sjireken en zij is een offergave; laat de hand geen kwaad doen en zij is een brandoffer".

Dat is nu onze redelijke godsdienst, een, die ons als redelijke schepselen past. Het is de Nieuwtestamentische dienst, die zich wel mede door middel van ons lichaam openbaart, maar echt geestelijk van karakter is.

Zullen de geloovigen tot dezen geheiligden offerdienst van hun lichaam komen, dan moeten zij — aldus VS. 2 — dezer wereld niet gelijkvormig worden.

Wat hier met wereld bedoeld wordt, is duidelijk. Het is die wereld, welke Satan tot overste heefi; en waarvan de Schrift elders zegt, dat zij in het booze ligt. Het is het georganiseerde rijk der duisternis op aarde. „Er is niet enkel een persoonlijk leven van den enkelen mensch, maar er is ook een saamleven der menschen en dit maakt wat wij noemen „de wereld" uit. In dat wondere wezen, dat „de wereld" heet, zet zich h'et leven vast in gewoonten, in instellingen, in stroomingen, die door het leven gaan, in geesten, die heerschen, in een toon, die boven alle andere tonen uitklinkt, in een macht, die den enkele aan zichzelve conformeert. Ook op die „wereld" nu wierp satan zich van meet af. Het is overal in die „wereld", dat hij zich genesteld heeft, en 'tis niet 't minst door die „wereld", dat hij zijn krijg tegen onzen Koning doorzet". Daarin werkt de Booze „door het geld, door de prostitutie, door het spel, door de ijdelheid, door de eerzucht, door de genotzucht te prikkelen, " (Kuyper, Pro Rege II bl. 61 v.j. De wereld is in den hier besproken tekst de tijdstrooming (aeonj, die zich van God en Zijn dienst afwendt.

Aan die wereld nu mag het volk Gods niet gelijkvormig worden. In de taal van het Nieuwe Testament wordt voor gelijkvormig worden een uitdrukkhig gebezigd, waarin het woord schema ligt. Dit „schema", dat iemand eigen is, is zijn gedrag, zijn houding, welke zich aansluit bij zijn innerlijk zijn. Het is niet zijn wijze van zijn zelve, maar zijn hiermede in overeenstemming zijnde openbaring naar buiten. De bedoeling der Schrift in Rom. 12 is dus, dat wie Christus toebehoort, zijn levensschema, zijn levensgedrag niet in overeenstemming mag brengen met dat der wereld. De Christen heeft een eigen, door Gods Geest geheiligde wijze van zijn. Daarom mag hij niet de levenshouding der wereld overnemen. Hij i s anders, daarom moet hij zich ook anders gedragen.

Wie Jezus liefheeft en zijn lichaam tot een Gode welbehaaglijke offerande wil stellen, mag zich dus niet konformeeren aan het model der wereld. Hij behoort niet alleen niet tot de wereld, maar hij modelleere ook zijn levenshouding niet naar de hare. Het gedrag, de gebruiken, de praktijken, de mode der wereld moeten hem vreemd zijn. Immers, dat zijn maar geen toevallige eigenaardigheden, die geen betrekking hebben op het innerlijk bestand van die Gode vijandige macht, maar er openbaren zich karakteristieke hoedanigheden in, die met dat innerlijk leven ten nauwste verband houden. Ze zijn uiting van diep zondige gezindheden; ze vormen het typische schema der wereld. Wanneer de kerk des Heeren dat schema, die houding overneemt, dan verbeurt zij haar eere als kerk en heeft zij zelve in het leven het onderscheid uitgewischt tusschen zich en de wereld.

De kerk heeft haar houding naar een anderen maatstaf te bepalen. Wie in Jezus Christus gelooven hebben him leven in 'te richten naar den goeden, weibehaaglijken en volmaakten wil van God, of, gelijk waarschijnlijk juister moet vertaald, naar den wil Gods, n.l. het goede, (Godej .welbe^ haaglijke en volmaakte. Dan is bun levenshouding in overeenstemming met hun innerlijk zijn. Eii zoo ook alleen brengen zij hun lichamen den Heere ten offer.

Uit dit alles volgt dus, dat de waarschuwing tegen wereldgelijkvormigheid er speciaal eene is aan het adres van de geloovigen. Ze past alleen voor zulken, die innerlijk met de wereld niet één zijn, doch gevaar loopen in hun levensgedrag aan haar gelijkvormig te worden. Voor ongeloovigen en onbekeerden, die van de wereld zijn en haar innerlijk toebehooren, heeft de Schrift andere waarschuwingen en vermaningen. Dezen kunnen niet vermaand worden dezer wereld niet gelijkvormig te worden, want nog geheel aan het vleesch onderworpen ais zij zijn, zijn zij zelf „wereld".

Hiertegen kan niet worden aangevoerd, dat Paulus aan zijn waarschuwing toevoegt: aar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, als zou daaruit blijken, dat de door hem aangesprokenen nog wedergeboren en bekeerd moeten worden. Want de hier door hem. bedoelde „vernieuwing des gemoeds" is wel een innerlijke metamorfose, betreffend de wijze van zijn — dus meer dan alleen een verandering van „schema" — "doch het is een zoodanige, die met de wedergeboorte niet ophoudt. Het is de voortgaande vernieuwing en heiliging van het zedelijk bewustzijn, waardoor de geloovige onderkent den wil van zijn God. Die opscherping van het geheiHgde zedelijke bewustzijn heeft hij ook noodig, want hij komt in het leven zoo dikwijls voor gevallen te staan, waarvoor de Schrift geen rechtstreeksch gebod of verbod geeft, maar ten aanzien waarvan hij, uitgaande van de zedelijke en geestelijke beginselen, die aan de tien geboden ten grondslag liggen en daarin openbaar komen, bij het afgebeden licht des Heiligen Geestes te onderscheiden heeft tusschen het goede en het kwalde en zijn houding heeft te bepalen. Men gevoelt van hoeveel belang dit is, juist wanneer wij ons in acht willen nemen voor het gevaar der wereldgelijkvormigheid. Dan kunnen "ïvij in ieder gegeven geval niet volstaan, Idloor zonder meer een der geboden daarmede in verband te brengen. Ik denk hier ook aan wat de Schrift zegt in Filipp. 1:9 en 10: n dit bid ik God, dat uwe liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen, opdat gij beproeft de dingen, die verschillen.

Gehandhaafd moet dus worden, dat Rom. 12:2 een specifieke waarschuwing is aan het adres van geloovigen. De apostel spreekt hier trouwens zijn „broeders" toe, vs. 1.

In de tweede plaats volgt uit het boven gezegde, dat wereldgelijkvormigheid een zaalc is van 'de levens gedrag ing der geloovigen, gelijk ook vs. 1 spreekt van het offer van hun lichaam, d.i. hun optreden naar buiten. Deze gedraging mag in geen enkel opzicht overeenkomen met die der wereld.

En dat is ook te verstaan. Het onderscheid tusschen kerk en wereld, geloovigen en ongeloovigen moet duidelijk merkbaar zijn. Daar hangt de eere Gods aan. Hij heeft Zich een gemeente op aarde doen vergaideren tot Zijn lof. „Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggeude, kan neit verborgen zijn." „Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen, dat zij uw goede wer

ken mogen zien en uw Vader, 'Die in de hemelen is, verheerlijken." „Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt." Hoe zal Gods volk aan deze roeping beantwoorden, wanneer het aan de wereld gelijkvormig wordt? Wij hebben niet te vergeten, dat de wereld de b'eteekenis en plaats van de geloovigen op aarde alleen beoordeelen kan naar hun optreden in het leven. Zij mist immers het orgaan, om de realiteit van het geloof en van de bekeering als zoodanig te onderkennen ©n te waardeeren, Zij kan alleen zien wat er de uitwendige vrucht van is: de levenshouding van Gods kinderen, hun gedraging, hun goede werken. Daarin alleen kan de wereld aanleiding vinden hun Vader, Die in de hemelen is, te verheerlijken (Matth. 5:16). Hoe zou zij daartoe in staat zijn, wanneer de geloovigen wereldgelijkvormig zijn geworden en zij geen onderscheid meer opmerken kan tusschen haar eigen gedrag en 'het hunne?

Voorts mogen de geloovigen ook daarom der wereld niet gelijkvormig worden, omdat bij hun geheiligd innerlijk leven het model en de openbaring der wereld niet passen. Die beide te kombineeren: het innerlijke leven, de zijnswijze der kinderen Gods en het schema der wereld, dat is monstrueus. Want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? En wat samenstemming heeft Christus met Belial of wat-deel heeft de geloovige met den ongeloovige?

En eindelijk kan de wereldgelijkvormigheid niet anders dan een onguustigen invloed hebben op het Medeleven. Juist omdat, gelijk wij zagen, de vorm en de gedraging, waarin de wereld zich openbaart, geen toevallige eigenaardigheid zijn, geen uitwendig kleeid, dat naar believen kan worden aangedaan en afgelegd, kan een geloovige zich haar houding niet ongestraft eigen maken. Dat grijpt diep in, dat prikkelt het vleesch en zet de geestelijke verdorvenheid, die ook het kind Gods nog altijd aankleeft, sterker in werking. Daar moet zijn ziel van vergroven en het doet bijzonder zijn zedelijk bewustzijn afstompen, zoodat het hem langzamerhand al minder mogelijk wordt te beproeven, „welke de goede en welb'ehaaglijke en volmaakte wil Gods zij".

J. HOEK.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1929

De Reformatie | 8 Pagina's

WERELDGELIJKVORMIGHEID.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1929

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken