Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

ets over den „uiasjaai” bij Ghr stus: een Illustratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

ets over den „uiasjaai” bij Ghr stus: een Illustratie.

15 minuten leestijd

I.

Voor gereformeerden is Itesludeering van de v o r-men, waarvan zich God bediend heeft in het geven der bizon der e openbaring van de grootste beteekenis. Want het vraagstuk der openbaring en der openbaringswijzen raakt van alle kanten de kerngedachten van het calvinisme.

En, omdat de bizondere openbaring Gods vervuld is in Christus, die ook onze hoogste Profeet is, daarom is het ook n o o d z a k e 1 ij k, na te gaan, van welke openbaringsvormen de C h r i s-t u s zich in zijn profetisch onderricht bedient.

Eén van die openbaringsvormen van den Christus is: de masjaal; — een woord, dat men het best vertalen kan door r a a d s e 1 s p r e u k. Het is een hebreeuwsch woord, dat een rede aanduidt, welke dieperen zin heeft, dan haar letter doet vermoeden ; een verborgen zin, dien men slechts door inspanning kan „gewaar worden" en in zijn geest bewaren.

Maar omdat de masjaal bij Christus op geheel eigen tus voor; het woord zelf wordt trouwens in het Oude Testament herhaaldelijk gebruikt.

Maar omdat de rnasjaal bij Christus op geheel eigen wijze voorkomt, en het , , interessante" vraagstuk ons voorlegt, waarom Hij, die tot de daad, tot de levensdaad, der hoogste openbaring gezonden is, de taal van den masjaal gebruiken wil of kan om iets van zijn gedachten te verbergen, daarom Avillen we juist den masjaal van Christus eens van nabij bezien. We willen niet systematisch het onderwerp behandelen, maar een illustratie kiezen, waaraan we onze bedoeling het gemakkelijkst kunnen verduidelijken.

Immers, het Evangelie geeft ons een treffend voorbeeld van een masjaal van Christus, en dan nog wel van één, die Zijn gansche leven op aarde hoeft begeleid; begin en einde van Zijn ambtelijk optreden.

Wij lezen nl. in het Evangelie, hoe Christus eenmaal bij den aanvang van Zijn ambtswerk den tempel heeft gezuiverd. Hij vond in het tempelhuis allerlei sjacheraars, die het volk leerden spelen met de offerwet. 'Valsche gemakzucht had Gods gebod krachteloo.3 gemaakt door karikaturale menschenverloven; ieder had een keurig net — met mazen gekocht. Tempeldeuren droegen overal het woord: „vergunning, " en ter plaatse der gebondenheid was de dispensatie regel. Weg was de heilige ijver, die Gode geeft wat Gods is; hel tempelhuis was in een hol van „moordenaren" verkeerd.

Toen Christus dat gezien had, was Hij opgestaan. Opgestaan naar het recht van den Messias. Hij had gezegd bij zichzelven - -en het was de logica van den Zoon, die over Vaders huis denkt — dat men het huis van Zijn Vader niet móchl ontheiligen of profaneeren. Deed men het toch, dan lag er een taak gereed voor den Zoon van den Vader van dit huis.

Toen had Christus de menschen uit Vaders mooi paleis weggegeeseld, hen, die den tempel verontreinigden en wier handel kwalijk riekte tegen den hemel.

Na voltrekking van dit ijver-gericht, waren echter de autoriteiten op Jezus afgekomen. Wat-had hij-durven-doen? Wiehad-hem-gemachligd? V/aarw"as-zijn-legitimatiebewijs'? Natuurlijk had Jezus dat niet. Tenminste niet van de menschen. Noch de de burgerlijke noch de geestelijke autoriteiten hadden Hem tot dit, of eenig ander, optreden gemachtigd.

Toch hield Jezus vol, dat Hij gemachtigd was. Zijn lastbrief was van Boven.

Dan bleef er maar één uitweg over, dat men nl. een tee ken van Hem vroeg. Wanneer Hij als wonderdoener een bepaald teeken zou kunnen uitrichten (over den aard zou dan nog nader te discussieeren zijn) dan zou men de mogelijkheid in rekening kunnen brengen, dat inderdaad Jezus van boven het recht ontvangen had, om de tempelwacht alzóó te betrekken.

Nu heelt Christus die vraag, om een teeken te doen, op gepaste wijze beantwoord.

Eenerzijds antwoordt Hij op de vraag der zotten naar hun zotheid. Want Hij slaat een teeken voor, waaraan toch niemand zich v/il wagen. Hij zegt immers, dat men dan maar dezen tempel af moet breken, en in drie dagen zal Hij hem weer opbouwen.

Natuurlijk \YiSt Christus het we 1, dat men den steeneft tempel, in welks schaduw dit dispuut gevoerd werd, tóch niet zou gaan breken. Inzóóverre is dus Zijn antwoord een buiten 'debat stellen vair het gevraagde teeken. En waarom? Waai-om"? Omdat Christus slechts een teeken geven wil bij het Woord. Een teeken, dat niet na het Woord komt, bekeert er niet één. Een teeken kan „op zichzelf" niemand overtuigen; het komt in de wereld der verschijnselen in, maar wanneer het niet verklaard wordt door de profetie der bizondere openbaring, dan is het teeken volkomeai gelijk aan elk ander ding, dat in de zichtbare wereld optreedt: het is begrepen in den vicleuzen cirkelgang van alle niet van boven af door de bizondere genade en openbaring gegrepen menschenleven. Men komt er dan nooit uit. Men kan het nooit met zekerheid Verklaren, tenzij v o o r-af het hart overmeesterd is, gevangen genomen, overwonnen door het Woord van God. Is dat niet geschied, is er geen geloof, dan zal het teeken ons niets hebben te zeggen, maar blijft het een raadsel, dat de één zóó, de ander weer anders diiidt. Een toeken spreekt als teekea hün slechts toe, die vooraf, zónder teeken, alleen door hqt W o o r d, hebben geloofd. Inzooverre is 'dus Christus' antwoord, bij den tempelmuur gegeven, aan de hooge heeren, die Hem naar Zijn legitimatiepapieren vragen, een zuiver antwoord aan den zot naar zijn zotheid geweest.

Aan den .anderen kant echter antwoordde Christus (en dat staat óók al in de Spreuken) den zot niet naar zijn zotheid. D.w.z. Christus geeft geen. nieuv/e zotheid als antwoord op de andere. Het is Hem hooge ernst, daar ligt souvereia, messiaansch gevoel van eigenwaarde, daar ligt zelfs oordeel, schifting tusschon goed en kwaad, tusschen geloof en ongeloof, in het antwoord, dat Hij aan de

geestelijke rechercheura van de geautoriseerde tempelwacht gcefr. Zijn antwoord heeft een diep-Yerborgen zin.

Dit laatste wordt ons doorzichtig, waaneer wij J> ij Christus' antwoord scherp toeluistereii.

Immers, wanneer Hij zegt: „breek gerust dezen tempel af en Ik zal hem in drie dagen opbouwen, " é& n is dat een z.g. raadselspreuk; zooals we hoven reeds noemden; in het hebreeuwsch zegt .men: masjaal.

Zulk een masjaal is, gelijk gezegd is, een opzett e 1 ij k e V e r b e r g i n g V a n d e w a a r h e i d. Ver-Öerging, — waartoe? Om ze aan den hoorder te •onthouden'? 'Neen, om tot haar volle ontdekking hem begeorig te maken. De masjaal is niet een verzoeking, om den mensch van de waarheid te drijven naar de leugen, doch eenbeproe ving, om hem te laten zeggen, wat hij wil: genoegen nemen met een bedekte waarheid, dain wel smeeken om haar volle openbaring. In den masjaal wordt van den staf der waarheid de spits wel niet afgestompt, maar toch wel degelijk bedekt.

De masjaal is vooral in Jezus" onderwijs een Hierkwaardige verschijning.

Het is in Zijn profetisch onderricht een raadselspreuk, waarin Hij een „probleem" aan de orde stelt, op zoodanige wijze, dat het van alle kanten, hun, die Hij erover aanspreekt, zeer moetdoen, •omdat zij zonder verdere hulp nooit er uit komen. Het kan dan blijken, of wie ïezus hooren, ook die verdere hulp b e g e e r e n, dan wel zich isoleeren in hun hoogmoed.

Zóó stond het immers ook, om bij dit ééne geval te blijven, met Christus' raadselwoord over tempelafbraak en tempelherbouw.

Wie kwam daar nu eigenlijk achter, wat er precies mee bedoeld werd'.' Van alle kanten puilde iet raadsel uit dezen masjaal van Jezus; Zijn rede had haken en oogen.

Om te beginnen: Christus wist toch wel, dat «iemand er aan denken zou, dien tempel af te breken? Indien men trouwens dat sloopwerk zou aanvatten op Zijn bevel, dan zou Hij daarmee zelf iets voor Zijn verantwoording nemen, dat Hij hij andere gelegenheden duidelijk toonde niet te wilien: zoo vaak immers heeft Jezus verzekerd, dat Hij geen tempelafbraak begeert. Bovendien is zulk een „teeken", stel, dat men het had aangedurfd, toch eigenlijk volstrekt geen teeken meer. Het liep in het dispuut tusschen Christus en de Joden juist over de vraag, ó f Jezus in dien steenen tempel ook maar eenig initiatief mocht nemen. Zijn recht daartoe was voor de joodsche tempelwacht ten zeerste disputabel. Stel nu eens, dat men den tempel had afgebroken, zuiver en alleen, om te „probeeren", óf Jezus den tempel kon restaureeren vóór den volgenden Sabbath, dan zou men getoond hebben, zóó groot crediet te hebben voor Zijn woorden, dat men geen „teeken" als overtuigingsstuk meer noodig had. Dan zou dus het teeken niet meer een proefstuk zijn, dat Jezus als bevj'eerde werkmeester van singuliere gaven en van extraordinaire ordening moest afleveren, maar men zou ongemerkt, op die manier, van probeeren zijn overgegaan tot vast vertrouwen; en dus zou men de verantwoordelijkheid geheel op eigen schouders moeten nemen, al was men ook nog zoo nadrukkelijk begonnen, ze op Jezus af te schuiven...

Ziet ge wel, hoe men 'het ook wendt of keert, niemand komt er uit. Dat is zóó sterk en zóó waar, dat wij er óók niet uit zouden komen, als wij er bij gestaan hadden. Al hadden wij zelfs den ganschen bijbel ingedronken, en heel de waarheid van de Schriften ingezogen, en Jezus zou niet zelf ons afzonderlijk hebben laten zeggen — een toe-gift bij het Woord — hoe Hij dit ééne woord bedoelde, dan waren óók w ij omtrent den verborgen zin van deze raadselspreuk niets wijzer geworden. Alleen dat Hij het gezegd heeft aan de discipelen, en óns de rechte uitlegging deed weten door 'de Schriften, alleen daaraan danken wij het, dat wij nu weten, hoe Christus dit woord bedoelen en door zichzelf vervullen kon. Imm.ers, de tempel, waarvan Hij sprak, is ons gewezen als Zijn e'igen lichaam.

Gelijk de joodsche tempel èen huis is, waarin God woonde, zóó is vooral Christus' menschelijke natuur van Cf o d vervuld. De steenen tempel staat stil, en is een onroerend goed van God: een woonplaats, een domein des groeten Konings, Maar Christus is ds wandelende tempel. In Hem neemt God Zijn be voeging, komt tot de we­ reld, gaat Zich heendragen tot menschen en machten van beneden. Daarom mag Christus heeten: de tempel des Heeren. Dit wist hij krachtens messiaansch bewustzijn; en dé, ar aan ontleende Hij dan ook het recht, om als de meerdere tempel de wetten van den minderen tempel af te kondigen, te verklaren en 'daadwerkelijk toe te passen, in de tempelreiniging, die de Joodsche machthebbers zoozeer geërgerd had. En het is nu dezen meerderen tempel, dien de Joden breken zullen (als zij hun Heiland kruisigen). Doch Hij zal zelf dien tempel, dit wandelend woonhuis Gods, in drie dagen herstellen, heerlijker dan hij ooit tevoren was; ook zal Hij hem transparant maken van de majesteit, die is in de hoogste hemelen; en dat zal wezen in Z^n opstanding van de dooden.

Tot zoover over den verborgen zin van dezen masjaal van Christus.

Keeren wij nu terug naar ons uitgangspunt, en laten we onze gedachten eens even "den vrijen natuurlijken loop, dan vragen ook wij verbaasd ons af: hoe ter wereld kan nu deze masjaal een verheven antwoord heeten? Hoe kan mea nu in ernst volhouden, dat Christus aan de zotten onder de Joden in dien masjaal een antwoord geeft, niet naar h ü n zotheid, maar naar Z ij n messiaansche wijsheid? Is het wel waar, dat in dezen masjaal de messiaansche majesteit en waardigheid, zich ten volle handhaven, indien n.l. de Messias geroepen is^ niet tot de groote verberging, doch tol de klaarblijkelijke openbaring, en gezonden is, niet voor een verheimelijking, doch voor de onthulling?

"^'Wij zouden hierop willen antwoorden: d e h o o g-ste openbaring heeft ook het récht van de diepste verberging. De 'krachtigste liefde heeft het recht van den sterksten toorn. Wie het meeste geeft, mag ook het meeste nemen. Wie altijd zelf haast maakt in Zijn komen tot mij, die heeft ook het recht, mij op te houden, zoolang het hem goeddunkt.

Dit is het recht van den masjaal, "den masjaal, wel te verstaan, van onzen Heere Christus.

Want een masjaal, een raadselspreuk, zonder

dhr istus, ach ja, dat is een doodelijke smart, een ruwe aanstoot op mijn rondgang over de terreinen van de kermis der ijdelheid.

Maar de masjaal in den mond van Christus zelf, zeker, die is óók Mrel een stekende pijn, doch dan een pijn, welke de geneesmeester ons oplegt, niet om te dooden, maar om te genezen. Een opwekken — kunstmatig — vaa den honger, opdat ik roepen zou te rechter tijd om brood.

Men moet dan ook over den masjaal, als één Tan de zelf-openbaringsmiddelen van den Christus, niet heen glijden. Het pleit eigenlijk niet vóór ons christelijk denken, dat men, sprekende over de openbaringsmiddelen, waarvan zich God bedient, wèl breede verhandelingen schrijft en beschouwingen geeft over den droom en over den diepen slaap, en over het gezicht, en over de verschijning of theofahie, als even zooveel openbaringsmiddelen van God onder het Oude Testament, en dat men zoo weinig plaats inruimt in zijn gedachtea aan den masjaalvan Christus.

Dit pleit, zeggen wij, niet vóór ons. Want de masjaal b 1 ij f t toch eigenlijk op die manier een groot raadsel. Niet alleen om den inhoud, maar ook reeds 'door het feit van zijn bestaan. Maar als wij dat raadsel laten liggen, dan heeft het ons geoordeeld; want het bedoelt juist, ons wakker te prikken. Waarom, zoo laat het ons vragen, waarom spreekt Christus in bedekking; waarom in raadsëlspreukeiï, die geen duidelijke rede van zich geven, doch iedereen maar laten tobben, zonder dat hij ooit er uitkomt? Christus is toch de hoogste profeet? -Hij is immers in heel de wereld de ééne, die in den meest volstrekten zin de roeping heeft, de taaJ te gebruiken om Zijn gedachten, Gods gedachten, bekend te .maken? Waarom spreekt Hij juist in gelijkenissen, die onverstaanbaar zijn, waarom in raadselspreuken, die niemand houvast geven?

Op deze vragen kan alleen de Christus zelf het antwoord geven.

En Hij heeft dat gegeven.

Hij heeft eens aan Zijn discipelen, toen zij Hem interpelleerden over die opze'-telijke verberging van Zijn gedachten in raadselvorm, dit antwoord gegeven, dat Hij dat deed, gel ij k Jesaja dat bedoelde: Hij deed dat om de gedachten van elks hart te openbaren. Om verharding te demonstreeren, waar ze reeds was, en om bekeering te werken, waar zich een hart tot luisteren zet in gewilligheid tot ontvangst der zuivere woorden - Gods.

Zoo ligt er een dubbele taak. E enerzijds is de roeping „het hart van dit volk vet te maken". Let er op, het gaat over DIT volk. Het vleeschelijke volk, het volk, dat toch reeds een „vet hart" heeft d.w.z. ongeloovig is. Anderzijds, — .er is ook een ander volk, en dat wil Christus gaarne op zijn woord gelooven. Het laat de „vetlaag" van zijn hart — om in de bijbelsche beeldspraak te blijven — wegsmelten, geeft zich onvoorwaardelijk aan Christus over, en ontdekt dan naar de maat van zijn geloof, in Christus niet den gedachten-verberger, doch den 'gedachten-o penbaarder.

Voor dat tweede volk moet Hij zelf de sleutel zijn ter verklaring van alle gelijkenissen. De kinderen van dit geestelijk zaad bekijken de bizonderheden van zijn onderwijs in het licht van de hoofdzaak, den omtrek zien ze uit het standpunt van het middelpunt van den .cirkel der waarheid; het onbekende drijft hen uit naar den Bekende en Beminde; hebben zij „een" woord, dat als een'keisteen op hen weegt, dan gaan zij met dat „woord" naar HET Woord toe, ja, naar Hem zelf, en bidden: verklaar U nader. En zou Hij hun gebed niet hoeren? Ja, Hij verhoort hen wel; de verlegen kinderen, 'die den Raadsel-meester zelf de oplossing komen vragen, ze hebben hun loon niet weg. Hij geeft hun een nog helderder openbaring, die de vorige raadselen oplost, een openbaring, die den sleutel der wijsheid, van God gesmeed, in hun bevende handen legt, zoodat de 'deuren van Gods huis en van het paleis der Opperste Wijsheid er één voor één mee open gaan. Hij heeft hen zeer zwaar aan 't werk gezet door moeizame raadselen, doch hun loon kwam met Hem mee.

Maar nu dat eerste volk?

Maar nu dit ongeloovige volk?

Ach, al krijgt het nóg zoo'n helder licht, het heeft toch Hever de duisternis. Het is vijand van het licht. De onherboren persoonlijkheid kiest tég e n Christus en tegen Zijn waarheid, en ontdoet zich daarom van alles, wat zij nog heeft verstaan uit Zijn onderricht.

Ook tot die menschen komt nu de masjaal.

Want in de wereld krijgt ieder ten slotte wat hij hebben wil. Indien de honger van den zwaar geplaagden oudtestamentischen Prediker, i) die immers, boven den cirkelgang van menschelijke wetenschap en van menschelijk onderzoek uit, den boog der volstrekte, ontwijfelbare, waarheid wilde grijpen — indien déze honger door Christus niet gestild Fordt, dan is' Christus ijdel. Dit is de ééne zijde van de waarheid omtrent Jezus Christus. Maainu de keerzijde van dezen waarheidspenning; wanneer dan ook het volk, dat Hem ontmoet en hoort, liever met den Prediker hongeren wil, dan dat het door Christus' brood yerz a d i g d wordt, dan is dit verkiezen van den honger boven het brood, en van den vicieuzen cirkel der „natuurlijke" wereld van slechts „algemeene" openbaring boven de rechte lijn der „bi-zondere" geopenbaarde waarheid, een gruwelijke zonde, die het oordeel in zich draagt, ja, die Gods oordeel van boven losroept uit zijn schatkamer.

Alzoo komt Christus met den masjaal de wereld in. Hij is de raadselwerper. Hij is dat althans óók. En ook al door die raadselspreuken komt Hij openbaar, als de groote s c h i f t e r, als het goddelijk gericht.

Want de masjaal is óok ©en instrument van het gericht.

Doch spreken w'ij daarover in "een volgend ar­ tikel.

(Wordt vervolgd).

Corrigenda.

In het artikel van verleden week, kolom 1, regel 21 v.o. stond: Hij heeft nooit niets verdrongen. Lees: Hij heeft nooit iets verdrongen. — In kolom 6, regel 12 v.b. stond: Dat was het uurwerk. Lees: Dan was het uurwerk. — Kolom 6, regel 26 v.o. staat: .Judas verdringt in eigen taai L«es: in eigen ziel.

K. S.


•') 'Wij .bedoelen, dien sohrijver vaa het boek: De Prediker.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1929

De Reformatie | 8 Pagina's

ets over den „uiasjaai” bij Ghr stus: een Illustratie.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1929

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken