Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Iets over den „masjaal

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Iets over den „masjaal" bU Christus: een Illustratie.

15 minuten leestijd

II.

Wij besloten ons voorgaand artikel met de opmerking, dat de „masjaal" bij Christus een instrument is van het (schiftings)gericht.

Zoo vaak toch Christus in raadselen spreekt, dwingt Hij de menschen, door die raadselspreuk; Hij dwingt hen, voor 'den dag te kom'^en g e 1 ij k z ij z ij n. De masjaal schift, zuivert, haalt uit de menschen wat er in hen zit.

Immers, de reactie op de masjaal-réüe, is tweeërlei.

Voor ieder, die ze aan te hooren krijgt, is zij zonder nadere uitlegging een raadsel. Maax nu is dit het verschil:

Iemand, wiens hart waarachtig hongert naar de waai-heid, en die met den Prediker van het Oudle Testament eerlijk snakt naar het licht, en ook in de diepte van zijn eenzaam wezen hoopt op het goddelijk Woord, dat alle zïjne vragen kan beantwoorden en de ziel van den vrager te rusten leggen, — zóó iemand zal bij zichzelven zeggen: ik heb hier in mijn handen een slot, dat ik niet openwerken kan; het is een geheimslot. Maar ik weet het: Christus heeft den sleutel. Ik zal zoo dadelijk naar Hem toegaan, en Hem vragen, wat Hij van mij wil; welke prediking Hij voor mij in den masjaal verborgen heeft. Dat is de gang van den discipel, die smeeken komt: „verklaar „ons de gelijkenis."

Maar anderen zijn er, die den tegenover gelegen kant uitgaan met hun verborgen gedachten. Zij ervaren óók, dat zij met Jezus' woorden niet klaar komen. En, daar z ij n 'z ij h e i m e 1 ij k b 1 ij mee; want zij willen eigenlijk niet met Hem gereed komen. Zij willen tenminste niet door Hem gereed komen met Zijn persoon en leer. En nu gebruiken zij het feit van Zijn raadselspreken als een argument voor de beëindiging van hun arbeid in het oplossing-zoeken. Zij keer en den masjaal tegen den Christus zelf, die hem gaf, want zij vinden het een heerlijk priyilege, te kunnen zeggen: Hij sprak zoo onduidelijk, ik moest mij zelf wel onderwijzen. Ze vinden het een gansch vervroolijkende ontdekking, te kunnen zeggen: Hij gaf mij een raadsel, d. w. z. hij liet mij in een cirkel ronddraaien, in een dool-hof, waar ik niet uitkwam; dus ben ik zonder eenige schuld mijnerzijds in mijn eigen vicieuzen cirkel gebleven. Zij zijn zóó blij, dat het raadsel hun een zeker excuus geeft, dat zij vergeten, hoe Hij den draad in handen geven kan en wil, om uit den vicieuzen gedachtencirkel u'i t te komen! Zij hebben een slot, en het is een geheimslot, en wat Hem betreft, Hij gaf den sleutel nog niet af. Én daarom nemen zij de vrijheid, op eigen' manier aan 't vreemde slot te peuteren en te morrelen, teneinde alzoo vast te kunnen houden aan hun eigen wijsheid en aan 'hun 0igen valsche wetenschap.

En let op, dan wordt er weer ergens een gebed gedicht: een „gebed van den onwetende". Neen, ik noem den naam van Multatuli niet, want waar ter wereld wordt, het „gebed van den onwetende" niet gedicht? Elke masjaal van Jezus haalt gebeden uit de menschen: tollenaarsgebeden en verbeten gebeden van „onwetenden, " maar die verschrikkelijk blij zijn, dat ze God kunnen verwijten, dat Hij Zijn zon eens heeft verduisterd; juist toen hebben zij hun been gebroken over een steen des aanstoots!

O ja, , indien deze menschen eerlijk waren tegenover den Christus, dan zouden zij Hem willen vragen: wat bedoelt Gij, verklaar ü nader. Dit moet zelfs h ij doen, die graag Jezus zou •trillen v o r-oordeelen als den grooten ijdel-spreker in. de wereld. Maar, als men Christus niet zelf Zijn eigen spreuken toestaat te verklaren, dan gebruikt men het raadsel, dat Hij stelt, ten onrechte als een „argument" voor het blijven in den nacht der onwetendheid. Alle z.g. „gebeden van onwetenden", ze klagen over den masjaal, maar zijn er heimelijk blij mee; de dichters van die „gebeden" noteeren het in hun notitieboekje, dat hun straks te pas zal komen in het jongste gericht: laat God maar wachten.

Dus is het Gods wil-tot-crisis, tot schifting, die den masjaal in de wereld werpt. Het hart wordt er aan openbaar; vriendschap en vijandschap moeten zich nu nader verklaren.

En nu de rekening opgemaakt.

Wie zijt gij, menschenkind, wie zijt gij, dichters van gebeiden van onwetendheid, wie zijt gij, dat gij den masjaal in 't oordeel brengt tegen den Christus'? Wie zijt gij, dat gij om den masjaal Christus' profe1; is durft loochenen? Ma^'die masjaal u het beven, het sidderen verleeren ? Maar neen, — juist in Christus' mond is de masjaal een ding om voor te beven, een mysterie, waarin de openbaring niet bedekt wordt, alsof zij nimmer openbaar wou wezen, doch een mysterie, waarin de openbaring juist uitroept, dat zij heel duidelijk 'bekend geworden is. "De masjaal loochent niet de klaarblijkelijkheid van Jezus' onderricht, doch onderstelt die juist, en dringt u terug naar het asyl, waar ge te haastig uitgeloopen zijt: het asyl, waar de klare Profeet óók als de Goede Herder sprak met uw vermoeide ziel een woord te rechter tijd. Indien Christus alleen in raadselen sprak, dan ware Hij niet het brood uit den hemel; dan zou de hongerende ziel van den Prediker bij (Hem geen verzadiging ontvangen. Maar nu Hij Zijn masjaal alléén daar spreekt, waar Hij eerst in woord en in daad zichzelven d u i-delijk geopenbaard heeft, en immer bereid b 1 ij f t, eiken eerlijken vrager antwoord te geven, nü is deze masjaal een vreeselij k ding. Waftt Christus neemt u uit het volle licht van Zijn zon, 's-middags om twaalf uur, even mee in de donkere kamer, en vraagt dan: g'ij hebt nu gezien, dat het licht er is; wat wilt gij nu: licht of duisternis? In den niasjaal wekt Christus honger, een bewust gevoel van onzekerheid. Ja, een bewust gevoel van onzekerheid. En daarom is

de masjaal, zelfs de masjaal, nog een uiterste remedie van g e n a d e, gelijk een schop in de lendenen van den man die in de sneeuw in den vries-nacht dreigt in te slapen, genade is; raakt hij 't bewustzijn kwijt, dan slaapt hij in — voor goed. De masjaal is licht. Al wat openbaar maakt, óók van binnen, is licht. De één za'l om den masjaal vergenoegd terug-keeren naar den arbeid van zijn eigen ziel, om geld uit te wegen voor hetgeen geen brood is, ziels-arbeid te besteden voor wat toch niet verzadigen kan; en de ander zal tot het ware brood, dat God hem reikt, te meer begeerig zijn. Hij eet de rol. Staat er een •opschrift op: Masjaal? Raadselspreuk? Niettemin, hij neemt en eet: het zal bitter zijn of zoet of die twee tezamen: maar God zal hem Zijn weg wel leeren....

Dus liggen ook in den masjaal al de schatten fder .wijsheid en der kennis verborgen. Maar ze lokken, ze lonken. In den masjaal laat Christus ons gevoelen, dat al Zijn duidelijk gesproken antwoorden toch in hun verborgen diepten zooveel wonderbaarlijkheid bevatten, dat Hij maar even Zijn profetenmantel binnenst iuiten behoeft te keeren, en die profetenmantel blijkt met raadselstof gevoerd. Op het kleed, dat Hij •als profeet onder ons draagt. Is de naam van 'God en van Gods deugden in menschenschrift geboriduui'd, zelfs de dwazen kunnen niet dwalen; maar de binnenzijde van Zijn verheven kleed is geborduurd met figuren van cherubijnen, o'f zijn het demonen? in elk geval het zijn figuren, die ik niet verstaan kan, en die mij nopen, heen te ; gaan, of anders, Hem gehéél te vertrouwen, en Hem te grijpen bij Zijn kleed, daar, waar Hij zich laat grijpen. Christus' doorloopend profetisch onderricht, (waarop Hij zich dan ook beroepen heeft voor zijn rechters, b.v. Annasj het is klaarblijkelijk; het maakt het verborgene openbaar. Maar Christus' masjaal, (dien 'Hij thans in geding hoort "komen voor Kajafas, ) die maakt het openbare weer verborgen.

Dus mag de mensch, die de raadselspreuk uit Christus', mond vernomen heeft, maar één daadwerkelijke toepassing er op maken: hij moet den raadselbrief naar Jezus zelf nu brengen, vragende: breek Gij de zegels, lees mij de woorden, openbaar mij den verborgen zin, want zalig is hij, die aan den masjaalspreker Jezus niet geërgerd wordt.

De masjaal verhindert mij, Gods woord tot menschenwoord te maken; en van de zon der waarheid te zeggen: ik heb de formules van haar licht gevonden. De masjaal herinnert mij op de pijnlijkste — maar weldadigste — manier eraan, dat ik het Woord niet scheiden mag van zijn verheven Spreker.

van den ma­ Dat is de groote vermaning sjaal van Jezus.

En deze vermaning lag nu óók opgesloten, en werd óók aangedrongen, in den masjaal, dien Jezus sprak, toen Hij den tempel had gezuiverd. Als men het toen door Hem gesproken, raadselachtig, woorïï losmaakt van zijn eigen spreker, en .Jezus' uiterlijke daad en hoorbaar gesproken woord weigert te zien in verband met Zijn innerlijk wezen en met Zijn doorloopende openbaring van alle plaatsen en alle tijden, dan kan men van Jezus alles maken wat men wil: 'tempelvei-woester óf tempelbouwer, revolutionair óf reformator; breker óf vervuiler; too venaar óf profeet; treiteraar met raadselen óf geneesmeester, die goddelijke antwoorden geeft; familie van de egyptische en grieksche orakels, waar men ook in raadselen spreekt, om te verbergen, dat men niets te openbaren heeft, óf de groote profeet van Israël; één, die God verzoekt door bravourstukjes van dommen, overmoedigen durf, die een beleediging zijn van den heiligen tempelstijl, óf één, die voor God vreest en beeft, ' en Gods tempel eert als Gods huis, omdat Hij zelf van God doorwoond is.

Indien de historische verschijning van „'Jezus" iet verklaard wordt uit Gods eeuwige idee van „Christus", dan is Jezus, en ook Zijn masjaal, met alle andere wereldmachten en vsrereld-menschen begrepen, passief opgenomen, met ons allen mee, in den vicieuzen cirkel, waarover de Prediker geklaagd heeft, tot zijn oogèn er bijna blind waren geschreid, i) Maar „Jezus" is de „Christus". En als , , Christus", dus in Zijn ambt, overeenkomstig Zijn messiaansche ambt, spreekt Hij z ij n masjaal. De masjaal van „Jezus" kwelt daarom de menschen zoo intensief, omdat die raadselspreuk mede alles onderwerpt aan „Christus". Elk, die uit diepten hunkert naar God, roept, na den masjaal van „Jezus", om het antwoord van „Christus". Maar wie den honger naar God niet kent, wrijft zich de handen als hij met den duivel onderhandelt, en als deze hem de formule van buiten leert, die hij straks zeggen moet tot God: „als ik verloren ga, is het Uw schuld. Gij spreekt in raadselen, althans de profeet, dien Gij mij gegeven hebt." Die laatste bijzin is ook door Adam eens gezegd. Sommige van Adams kinderen leeren hem van buiten, hoewel Adam zelf hem haastig heeft herroepen.

Maar nu de Heiland? ,

Nu de tweede Adam?

Nu komt Hij in zijn eigen netten; nu raakt Hij verward in eigen garen. Want Hij is de Christus'. Dus komt Gods masj aal-spreker, de Zoon des menschen, in Zijn eigen „crisis". Want Hij heeft bij het begin van Zijn optreden den masjaal geworpen onder Zijn volk.

Maar, aan het einde gekomen, plukt Hij — is Hij geen Borg? — zijn eigen wrange vruchten.

Indien Christus den masjaal niet had geworpen onder de welverzekerde voedsterheeren van 'den tempel, dan zou zijn vonnis niet zoo ras tegen Hem uitgesproken zijn. Maar Hij heeft den masjaal gesproken, en — het drijft hem in den dood.

Immers, zijn' vijanden keerden straks den masjaal tegen hem. In het lijdensverhaal lezen we, dat voor het Sanhedin dat bekende woord over tempel-afbraak en tempel-opbouw tegen Hem is aangewend, door de „getuigen a charge".

Want het Sanhedrin, dat reeds zoo heel lang

tevergeefs getobd heeft, om dan toch wat te vinden, had ten slotte niets gevonden.

Maar eindelijk vinden zij, die Sanhedristen, den masjaal. En dien heeft Christus zelf daar neerge­

legd. Neen dat is niet zóó bedoeld, alsof wij Christus aansprakelijk konden stellen voor hun verdraaien van Zijn woorden, waarvan wij lezSi in het verhaal van het proces voor "ICajafas. Men zeide: hij heeft gezegd: ik zal den tempel breken. En dit was niet gezegd. Deze gruwel blijft natuurlijk voor rekening van de valsche getuigen. Wanneer zij Christus' woorden: „breekt gij dezen tempel af, " verdraaien tot die heel andere uitspraak: „Ik zal den tempel afbreken, " dan is dat een vervalsching, die geheel voor rekening

blijft van de valsche getuigen. Maar voor het overige zeggen wij: dit alles heeft Christus zelf gedaan. Het blijkt, dat Christus' raadselspreuk lang is bewaard gebleven in de herinnering. Drie jaren lang heeft Hij geleerd; en uft heel dien schat van redevoeringen wordt niet één punt naar voren gebracht, dan juist die ééne raadselspreuk van 't allereerst begin. Zoo heeft Christus, door den masjaal te spreken reeds in den aanvang van Zijn ambtsbediening, zelf Zijn 'öinde naderbij gebracht.

'öinde naderbij gebracht. Hij heeft door dien masjaal geschift.

Hij heeft door dien masjaal geschift. En schifting beteekent altijd óók: de zondaren prikkelen. Een Christus, die de schifting wil, ontbindt Zijn eigen moordenaren.

Aldus — Hij heeft geschift.

Hij heeft de hongerende zielen meer doen hongeren, en toen onder de schaduw van Zijn vleugelen ze bijeen vergaderd, om hun bevend hart te troosten in verzekerdheden. Zij hebben hoorende wèl gehoord, en ziende wel waarlijk gezien, en opmer­

kende waarachtig verstaan. Maar in hetzelfde uur, en door den zelfden masjaal, heeft Christus óók de anderen verhard, omdat zij toch reeds hard waren. Het vette hart heeft Hij nog hard gemaakt, en z ij hebben hoorende niet gehoord, en ziende niet gezien, en opmer­

kende niet verstaan. En dit is ook geweest de wil van Jezus. Zoo is 't Zijn eigen werk geweest, als hier de masjaal zich tegen Hem keert; de crisis vaït Openbaring 22 : 11 is door Zijn eigen raadselspreuk ontbonden, en al Zijn dagen zijn één dag van lijdelijke èn dadelijke gehoorzaamheid aan God.

Daarom is in het Evangelie de aanvang van de zitting van het Sanhedrin een prachtig harmonisch vervolg op het einde van de voorloopige zitting bij Annas.

Denk het u zelf maar in.

Voor Annas is Christus geëindigd met de blootlegging van den vicieuzen cirkel in de redeneering 2) van de wereld, die het leven verklaren wil uit het leven, en den buitenkant van Jezus uit den buitenkant van Jezus — de historische verschijning, ^fgedacht van Christus. Datzelfde gebeurt nu óók voor het Sanhedrin. Het raadsel, dat Jezus stelde, is nog voor niemand opgelost hier; niettemin dringt men het raadsel uit het raadsel weg, en „verklaart" het onbegrepene door hetgeen men van Hem wil begrijpen. Men legt Jezus' raadselen uit aan de hand der kommentaren, die het vleesch geschreven heeft. Men is met Jezus niet klaar; maar men werpt Hem desondanks in den maalstroom, in de deining van het leven, dat revolutionairen baart en ook reformatoren, brekers en ook tempelstichters. Zóó gaat men — de groote noodsprong! — Jezus, als ware Hij slechts onderdeel van het wereldgeheel, belichten en verklaren uit de wereld zelf, — alsof die ware begrepen. De voorbarigheid, de l)rutaliteit van den kaakslag van Annas' 'bediende, keert, eerst in 't Sanhedrin, en na dien in den strijd der geesten, dagelijks terug. Elk handgeklap van 'Sanhedristen na deze valsche getuigenis, elke jagende pols van deze oude heeren, die den masjaal tegen Jezus keeren, het is alles een kaakslag tegen Jezus, erai aanslag op het hart van den hoogsten Profeet, een spot tegen den Drager van het souvereine gezag, een v o o r-bijgang van het messiaansche vraagstuk, hoewel het in den masjaal zich aandrong met onvermoeide kracht.

En zoo gaat het nog steeds in de wereld.

Christus heeft het daar altijd gedaan.

Toen Christus zich voor Annas had te verant­ woorden, begon men te onderstellen, dat Zijn spreken niet duidelijk, maar raadselachtig was. Men ging de klaarblijkelijkheid van Zijn onderwijs voorbij, om Hem het spreken in raadselspreuken te kunnen ^verwijten.

Thans voor Kajafas keert men de orde om: voorzoover Christus inderdaad in raadselen sprak, wordt het raadsel zóó besproken, alsof het elk volkomen duidelijk was, alsof het ook den simpelste zijn bedoeling doorzichtig had gemaakt.

Heden zegt men tot Christus: Gij preekt niet in de zon, doch in de donkere kamer.

in de zon, doch in de donkere kamer. Morgen — neen, ook nog heden — zegt men. Hem: Uw donkere kamer is lek; wij hebben or alles van verstaan en begrepen.

Op één dag wordt het mysterie, dat in den Christus is, bevestigd en geloochend, al naar het

vleesch dit wil. En zoo heeft Jezus Christus het altijd gedaan in deze wereld; en ook altijd bij de rechters van

het Sanhedrin. Vandaar ook, dat de masjaal van Jeziis een, beheerschend moment geworden is in het proces. Niet alleen vraagt de hoogepriester dadelijk een antwoord van Jezus op den masjaal (Matth. 26 : 61; Mare. 14 : 60), maar ook komt bij het kruis van Golgotha het thema van den masjaal terug ^ (Matth. i27 : 40; Mare. 15 : 29). Zelfs na Christus' dood en opstanding heeft men den masjaal gekeerd tegen Jezus' discipelen, want ook Stefanus schijnt gevonnist te zijn, doordat het Sanhedrin, te oud om te leeren, 3) er niet tegen op zag, den masjaal van Christus ook tegen hem te keeren (Hand. 6 : 11-14). K. S.

(Wordt vervolgd.)


N.B. Deze oopie was bestemd voor het vorig nummer.

1) Zie ook hoofdartikel van verleden, week. ^) „Indien, ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwadei,

€in als ik wél gesproken heb, waarom slaat gij Mij'? " 3) En dat, nadat in vervulling was gekoraan da profetie;

van VS 64, b. Corrigenda.

In het artikel van verleden week. Kolom 1, reigel 20 staat: „Maar omdat de masjaal bij Christus op geheel eigen". Lees: „De masjaal komt niet alleen bij Chris-" (en vervolgens).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1930

De Reformatie | 8 Pagina's

Iets over den „masjaal

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1930

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken