Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

PERSSCHOUW

9 minuten leestijd

Over rhythmisch zingen.

Zooals men weet, is er in den laatsten tijd herhaaldelijk gesproken over de mogelijkheden van den rhythmischen zang der psalmen in den eeredienst. Ook in ons blad schrijft de heer Luykenaar Francken erover.

Omdat ik weet, dat het onderwerp de lezers interesseert, geef ik hier, naast wat de heer Luykenaar Francken p\d)liceerde, ook hetgeen door den heer Jan Zwart geschreven werd in verschillende nummers van den „Omroep-Gids", christelijk tijdschrift voor Radio. Eerst dit citaat uit V. 42:

J. G. B. t e A. Om alvast te beginnen met de beantwoording van uw vraag over het rhythmisch zingen — de andere vragen volgen andere week — dan wil ik U wel als mijn meening zeggen, zooals U ook terecht vermoedde, dat ik daar over t' geheel genomen geen voorstander van ben. De meesten, die in deze aangelegenheid zich beijveren verandering (verbetering? ) te brengen, vergeten m. i. al te veel, dat het rhythmisch element der psalmen in de 16de eeuw iets anders was dan het onze. Het gevoel voor woord-en toonaccent werd in die dagen ook niet zóó scherp bepaald en gevoeld als thans. Dit alles nader te verduidelijken, laat de plaatsruimte in deze rubliek niet toe, alleen wil ik dit opmerken: dat alle rbythmische koralen uit dien tijd hun 16-eeuwsoh maat-karakter hebben moeten inboeten, tot zelfs ook „Een vaste burg" en andere Luther-melodieën, als een gevolg eener muzikale evolutie in de muziek, die ten nauwste samenhangt met de ontwikkeling eener zelfstandige instrumentaalkunst, die met haar vaste, afgemeten tijdwaarden den doodsteek toebracht aan het „vrij-rhythmische" in deze oude zangen, 't Is met deze dingen gegaan als met den loop eener rivier door alle tijden, ^die wel dezelfde is gebleven, alleen haar bedding is hier en daar wat verlegd, men kan dit bejammeren, maar alles weer in den ouden toestand brengen, gaat niet, hoeft ook niet. Bij menige melodie is het vlakke, gelijke in haar gestalte winst geworden. In 't algemeen zijn onze koralen zeer zeker niet uitgegroeid tot, zooals wel eens beweerd wordt en naar U opmerkte „gedrochten". Ik hoorde eens op een Nieuwjaarsmorgen, de Amsterdamsche oude kerk binnenkomend, het eerste vers uit Psalm 138 — recht toe, recht aan — zingen, maar ik verzeker U en iedereen, dat ik als getroffen stond door de pracht en praal van dat machtig stoer en strak gezang. Ik heb dienzelfden 138en Psahn later nog eens rhythmisch helpen uitvoeren en al ging alles als op rolletjes — aangevoerd door een aantal „zangers" en een toonkrachtig orgel — den indruk van dat „robustë", „gespierde" op dien Nieuwjaarsmorgen, ging het lang niet te boven, integendeel! — haalde er niet bij. Natuurlijk zijn er Koralen, vrietr rbythmische vervlakking er ook de „ziel" uit genomen heeft, zooals: Ps. 23, 51 en meerdere, maar in 't algemeen zijn onze Psalmen en tal van gezangen in hun tegenwoordige maat niet meer terug te wenschen tot hun eersten vorm van notenwaarde en verhouding. Wie zou b.v. tot „Een vaste burg" in zijn ouden rhythmus van heele, halve en gesyncopeerde noten terug willen?

Vervolgens uit V, 43:

Om niog even terug, te komen op wat ik verleden week schreef over het rhythme', kan ik U aanraden een inmiddels door mij ontvangen overdruk uit het „Geref. Theologisch Tijdschrift" van het jaar 1922 te raadplegen dat handelt over „Kerkgezang" ©nl dat zonder dat ik het wist, vrijwel overeenkomt met de zienswijze die ik over deze kwestie ter berde heb gebracht.

Over „op do leesteekens (punten en komma's) spelen" en over „transponeoren" een volgende week!

Daarna uit V, 45:

G. M. V. P. te A. 'kNeem aan dat toen ge in Psalm 138 van Sweelinck mee zong, ge diens rbythmische behandeling mooier vondt dan „de gewone wijs". Maar vergeet niet dat Sw. deze melodie vrij bewerkte tot zelfs in twee-en driedeelige tijdmaat toe — voor volksgezang ongeschikt.

Of ik „het zingen zooals het nn in de kerken gedaan wordt" niet „treurig" vind? „Het is soms geeni zingen meer, want „men sleept zoo geweldig, dat men van een Lof psalm een „treurlied maakt" beweert ge, maar ik zou wel willen vragen: waar hoort ge zulk zingen? Ge woont toch in de groote stad A. en bij mijn weten wordt daar nog al goed , gewerkt op 't gebied van gemeentezamg en door tal van iorgelisten uitstekend leiding gegeven. Uitzonderingen daargelaten, maar als regel geloof ik niet dat het er zoo „treurig" mee gesteld is. Ge moet maar ©ens de November-„Harp", Planciusstr. 65, Am^ sterdam, bestellen; toevallig staat daar iets in n.l. „Een waar woord in zake kerkzang". En of ik denk dat zulk 'n lui tempo door „rhythmisch" te verhelpen is? — Geen kwestie van! Een be-geleidïng die niet in staat is wat meer fut in de zaak te brengen is ook niet bij machte ©en gemeente het juiste rhythma „als in den mond t^ leggen".

Eindelijk uit V, 47:

W. P. Jr. te R. De plamien om rhythmisch te leerenl zingen volgens het „Kerkblad" door U gezonden, zijn op zichzelf too te juichen; maar ik herhaal nog eens: het rhythme cinzer psalmen is geen Tolks-maar een kunstrhythme, dat wel te cultiveeren is met alledei vóór-oefening, erin te krijgen, maar in zichzelf niet leeft noch als zoo, danig wordt gevoeld.

Op verzoek van één onzer lezers, die zoo vriendelijk was deze citaten bijeen te lezen, geef ik ze hier door. Opgemerkt zij nog, dat de samenlezing van deze citaten uit ons verdienstelijk „Christelijk Tijdschrift voor Radio" geschiedde, vóórdat de heer Luykenaar Francken aan ons blad zijn copie had afgestaan over hetzelfde onderwerp. Maar ik ben er zeker van, dat onze lezers beide auteurs gaarne over het onderwerp zullen hooren.

Over het doel der meditatie.

Ds Kruyswijk vervolgt zijn artikelen-reeks in de „Hilv. Kb." aldus:

Wij hebben met ons mediteeren iets op het oog. Alle oefening der Godsvrucht is bewust en streeft een bepaald doel na. Zoo is het ook met het mediteeren.

Ook hier betaamt geestelijke voorzichtigheid. Wij bevinden ons immers op het terrein van het geestelijke leven, dat geheel afhankelijk is van de genade van Jezus in de werkingen van Zijn Heiligen Geest.. Dat houdt ook dit in, dat wij hier alleen kunnen inslaan zulke wegen, waarvoor God ons in Zijn Woord beloften heeft gegeven. Door Hem aangewezen wegen! Elke andere weg, al schijnt die nog zoo veelbelovend, is eenvoudig menschelijke dwaasheid of (met den Spreukendichter) zotheid.

De vraag, wat wij van het mediteeren mogen verwachten, kan dus teruggebracht worden tot die andere vraag: welke beloften verbindt de Heilige Schrift eraan? Voorbeelden uit de Schrift mogen daarbij meespreken.

Als datgene, waarover gemediteerd wordt, noamden we de vorige week de (door ons reeds tevoren gekende) Openbaring van onzen God in de Schrift, in de geschiedenis (bijzonder onze eigen levensgeschiedenis) en in de natuur. Voetius heeft nu zeer goed aangegeven, welke doeleinden we daarbij hebben en welke uitwerking daar veelal van gezien wordt. Hij noemt o.a. als zoodanig: verheldering, verdediging en bevestiging der kennis; geestelijke vrede en blijdschap; de prikkeling der Christelijke deugden; het afslaan van verzoekingen; a.h.w. een „hemelsche conversatie"; bevestiging van de waarheid en in de belijdenis van het geloof.

Het loont de moeite, daarnaast ook Brakel te hooren. Hij noemt als doel: verder ingeleid te worden in de kennis van de goddelijke verborgenheden, ontstoken te worden in de liefde, vertroost en tot een levendige werkzaamheid verwakkerd te worden. Met andere woorden gaat het hier wel om dezelfde zaken.

En metterdaad, indien we bierbij de Schrift raadplegen, dan steunen deze doeleinden op beloften Gods of ook op de voorbeelden der kinderen Gods in de Schrift zelve. Voor het toenemen in kennis door de betrachting van Gods getuigenissen verwijst Voetius terecht naar Psalm 119:99. Voor de geestelijke vreugde naar Ps. 119:14 en 16. En zoo zou ik kunnen voortgaan. Trouwens, ook op bevelende wijze spreekt hier de Schrift, b.v. Jozua 1:8, Deut. 8:2. En cok hier heeft de weg van Gods geboden grooten Icon.

Nu mag echter niet ontbreken een aanwijzing, lanigs welke middelen onze God zoo het mediteeren over Zijn Openbaring kroont. Hij volgt n.l. ook hier den middellijken weg.

Prof. Chantepio de la Saussaye (Het Christelijk leven 11, 19) heeft hierover opgemerkt, dat zich hier ontvouwt de waarde van den onbewusten achtergrond in ons. De psychologie wijst aan, dat er ©eni groote invloed op ons uitgaat van allerlei, dat we eenmaal leerden, hoorden, meemaakten, en wel niet voortdurend ons bewust voor den geest staat, maar toch vanuit ons onbewuste leven zijn werking doet. De kerkbode is niet de plaats en ik ben niet do man, om dat wetenschappelijk uiteen te zetten. Maar deze waarheid heeft in deze zaak dubbele beteekenis.

Ten eerste verklaart ze, hoe het komt, dat de een zooveel rijker mediteert dan de ander: doordatzijn zieleleven meer van Gods Woord gedrenkt is.

En ten tweede toont deze waarheid ook de vrucht der meditatie aan. Immers de overdenking baart reeds (doorgaans) groote geestelijke Vreugde, terwijl ze geschiedt, maar ze verrijkt op haar beurt weer dien onbewusten achtergrond in ons; ze bezielt ons diepste wezen, ons „hart", de „nieren" in de Heilige Schrift. De stem des Heeren heeft daardoor voortdurend meer vat op dat „hart" en daardoor op de levensdaden enz., op de „uitgangen des harten". Zoo sterkt het Godvruchtig biddend mediteeren het geestelijk leven, want de weer dieper ingedachte en inniger omhelsde waarheid Gods heeft langs dezen weg invloed op onze aandoeningen en aandriften.

Eindelijk verwijs ik nu naar het artikel van 2 Nov. j.l., waai'in het doel dezer oefening in het algemeen gesteld werd in het arbeiden door Gods genade en naar Gods genade en naar Gods wil aan de verdere dooding van den ouden mensch en aan de verdere verlevendiging yan den nieuwen mensch: opdat Gods volk zijn God te vaster moge liefhebben en dienen met ha.rt, verstand en karakter.

Uit het bovenstaande leid ik nu af, dat het mediteeren aan dit doel metterdaad dienstig is. Het is dus een Schriftuurlijke, vruchtbare oefening der godsvrucht. En reeds daarin zegent God haar, als in dezen weg gesmaakt wordt de heerlijkheid van Zijn nabijheid: Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1930

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1930

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken