Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Christus bespot als tempelbouwer.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Christus bespot als tempelbouwer.

9 minuten leestijd

En die yoorby gingen, lasterden Hem, schuddende hunne hoofden, en zeggemde: Gij, die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt ! verlos Uzelven. Matthóus 27 : 39.

Toen Christus voor het Sanhedrin terecht stond, is Hij slachtoffer geworden van Zijn e'igen profetische rede. Tot die profetische rede behoorde ook het verschijnsel van den z.g. masjaal, d.w.z. de raadselspreuk. Zulk een raadselwoord was de bekende uitspraak, die Christus eens gericht had tot de tempel-autoriteiten: breekt dezen tempel af, en Ik zal hemin driedagenweder opbouwen.

Wel zeer kwade gevolgen ondervond de Heiland van deze, door Hem zelf gegeven, raadselspreuk.

Reeds viel Hij in Zijn eigen garen, toen Hij voor het Sai^hedrin stoad.

En als Hij aan het Kruis hangt, dan wordt opnieuw Zijn eigen woord tegen Hem gekeerd in de bespotting der voorbijgangers. Tempel-restaurateur, begint ge nog niet haast?

Men verstaat, dat wij nu niet ia den breede spreken over inhoud en beteekenis van deze raadselspreuk van Christus.

Wel willen wij wijzen op feen zeer onlangs voorgedragen opvatting omtrent de bedoeling van Christus' masjaal over tempelbraak en tempelbouw.

Het is nog maar kort geleden, dat een boek verschenen is van een theoloog uit de z.g. godsdienstwetenschappelijke school 1), die beweerd heeft, dat Christus' bedoeling met dat woord over afbraak en opbouw van den tempel eigenlijk was: e protesteerentegendensteenentempel. Deze zou Hem veel te mooi geweest zijn. En daarom zou dan die raadselspreuk bedoeld geweest zijn als een pleidooi voor een eenvou'digen, onopgesmukten tabernakel, "die, verre van pracht en wéidsch vertoon, een geestelijke inwoning 'Gods onder Zijn volk mogelijk maakte. Volgens 'dezen theoloog is de andere, ons bekende, verklaring, die 'de bijbel zelf geeft, en volgens welke Christus met , , dezen tempel" Zijn lichaam bedoelde, een paulinischallegorische omduiding van Jezus' uitspraak. Hij meent, dat het voor de Joden een vreemde, en ook onaannemelijke, gedachte zou geweest zijn, dat het lichaam va: Jezus zou worden erkend als een woonplaats van God, een tempel dus. Op dien grond meent hij, dat Jezus iets anders heeft willen zeggen met zijn raadselspreuk. Christus zou hebben willen protest e eren tegen den tempel als zoodanig. De bouw van Salomo's tempel wordt dan gezien als een zondige overtreding jegens den God der vaderen. Christus zou dan tegenover die vaderen aan dit woord zich liever hebben gehouden: od woont niet in een huis, dat met handen gemaakt is; God woont niet in een vast huis, van steen, maar in een tent, een tabernakel. Daarom zou Christus den trotschen tempel met zijn prachtig ornaat en hoogen geveltop aan de vervloeking hebben prijsgegeven. En in stee daarvan weer een tabernakel hebben begeerd. Zoo kostbaar als een tempel is, zoo eenvoudig toch was de oude tabernakel van Israël in de woestijn. In „drie dagen" zou dan Christus terug willen keeren naar den ouden tabernakel. Want het waren ook "drie dagen geweest, die gevraagd waren door Moizes aan Farao, drie dagen om te komen van den uittocht van Israël in de vrijheid èn het offerfeest in de woestijn. (Ex. 8:27J)

Indien deze opvatting juist was, dan zou Christus tegen de Joden, die hun toch al mooien tempel nóg prachtiger wilden maken, hebben willen opponeeren, door terug te keeren naar het eenvoudige woonhuis van God, zooals dat in de woestijnreis in den tabernakel was gegeven.

Wij behoeven niet veel hiervan te zeggen. Wij ontkeimen de juistheid van deze nieuwere proeve van verklaring. Immers, Christus heeft tegen den tempel als zoodanig zich niet verzet. Hij kwam den tempel niet breken, maar vervullen. Bovendien heeft Christus den wagen der openbaringshistorie nooit achteruit gedrongen. Daarom grijpt Hij ook nooit terug van den ternpel naar den tabernakel; want de tabernakel mocht wèl zijn plaats hebben in de woestijn, niettemin was straks de tempel een b e g e e r 1 ij k huis; rijker en schooner dan de tabernakel in de woestijn kón zijn. Evenals nu Christus er niets tegen had, dat de tabernakel, toen het daarvoor de tijd was, voor een tempel wijken moest, zoo .heeft Hij er alles tegen, wanneer men na den tempel wéér een tabernakel zou oprichten. Achteruit-slaan is Christus' werk nooit geweest. Bovendien is het ongeoorloofd, te verkondigen, dat een duidelijke exegese van Christus' raadselspreuk, die de bijbel zelf geeft — dat n.I. de „tempel" in Jezus' raadselspreuk Zijn eigen lichaam is — niets anders zou zijn dan een m i s d u i d i n g, in paulinischen geest, van Jezus' woord. Zulk een stelling strijdt ten eenenmale tegen wat wij als waarheid erkennen inzake de Heilige Schrift.

Al ontkennen wij dus ten sterkste de juistheid van de zooeven ter sprake gebrachte meening, dit neemt toch niet weg, dat er een element van waarheid in schuilt.

Het is n.I. deze waarheid, dat God, in eigenlijken zin gesproken, niet woont in een steenen huis, alsof dit Hem besluiten kon, of aan zich vermocht te binden, maar dat God woont in het hart, dat van den Geest vervuld is.

Men moet hier twee dingen erkennen.

Allereerst dit: Christus heeft den tempel niet gereduceerd tot een tabernakel, want niet de verschrompeling van den tempel, maar zijn vervulling heeft Hij gezocht. Geen diminutivum van den tempel, maar een pleroma van den • tempel heeft Hij begeerd. Zoolang dan opk tabernakel en tempel in den dienst der schaduwen hun recht hebben, moet dat recht, óók volgens Christus, zoo volledig mogelijk erkend worden.

Maar nu de keerzijde van deze waarheid: nu de schaduwdienst teneinde loopt, en het offer, dat van dien schaduwdienst één der voornaamste bestanddeelen is^ zijn vervulling erlangt in Christus' eigen offer, nu moet het ware wezen van den tempel, n.I. de samenwoning van God met Zijn volk, losgemaakt worden uit de scTiaduwvormen. zoowel van de gordijnen des tabernakels, als yan de hoog opgaande facades van den tempel, en moet de inwoning Gods door den Geest ia menschenh ar ten worden begeerd en erkend. De steenen tempel wordt toch verlaten, de tabernakelen van het hart komen er voor In de plaats.

Hierom is het uur van Golgotha dan ook inderdaad een breken van den tempel geweest, en daarin ook een bouwen van den beteren tempel: de geloovigen wassen op „tot een levenden tempel Gods in den geest".

Denkt men hier aan, dan krijgt inderdaad de masjaal van Christus, en ook de hoon, die Hem deswege overkomt, zelfs aan het kruis, toch nog groote beteekenis, juist in verlaand met het vraagstuk, dat zooeven gesteld werd. Want nu men tot Christus zegt, met een grijnslach, dat Hij dan maar eens haastig van het kruis 'af moet komen, om den tempelbouw ter hand te nemen^, nu 'blijkt het dat het Joodsche volk persisteert bij zijn verheerlijking van den uitwendig-ceremoniëelen eeredienst, en met ruwe taal zich ontdoet van de manifeste inwoning Gods in Christus door den Geest. Zij zagen in harten geen tempelhuizen: hoe zouden zij dan Christus' lichaam als tempel kunnen kennen? Ze moeten "dien tempel breken.

Maar Hij komt zóó tot Zijn vele tabernakelen.

Door hun tempelbraak ontvangt Hij recht van tabernakelen. Tabernakelen en harten en zielen van menschen. Neen, Hij heeft niet den ouden tabernakel willen herstellen. Doch Hij heeft meer dan dat willen doen. Van den ouden tabernakel neemt Hij den eenvoud over. Niet, als zou Hij aan de schaduwvormen — goud, cherubijnen, 'borduursel — geen behagen hebben, zoolang God er behagen in had; maar omdat zij uitgediend hebben; en omdat nu een betere expressie van Gods idééën komen zal in het vrije Woord, in de levende profetie, in de nieuw-testamentische evangelie-prediking. Neen '— het oude wordt niet weer opgezocht. Want Christus w i 1 geen ceatralen tabernakel, noch een centralen tempel, doch Hij wil de inwoning Gods in den Geest over heel de wereld uitbreiden. Hij wil van stad tot stad rondgaan straks, om ouderlingen aan te stellen. Hij wil nemen de hand van visschers — daar staat er één haast zijn moeder — en hen dwingen overal brood te breken, en ouderlingen aan te Stellen. En Jóó wil Hij Zijn tempel-in-den-Geest stichten, en over de heele wereld hem uitbreiden.

Hierom is het Hem thans te doen. Hierom is Hij op dit oogenblik in worstelingen "bij God. Hierom lijdt Hij duizend smarten. Hierom breekt Hij Zijn hoofd, en Zijn hart.

En nu is dit hetgeen Hem zoo smartelijk I ij d e n doet: dat bij Zijn tempelbouw-door-tempel braak de epigonen van het Oude Verbond te schimpen staan.

Daar staan ze, de vaste leiders van het Oude Testament, en de losse voorbijgangers. En ze zeggen tegelijk: kom, kom, Christus, wanneer begint de mooie reparatie? Hier zijn ze: de vrij gestelden, èn de klaploopers van den ouden dag; en zij hodnen Christus, en zeggen: kijk, kijk, is het nog geen tijd voor de mooie restauratie?

Door dezen hoon tegen Christus te werpen, hebben srij het vraagstuk zelfs van God-die-in-den-Geest-in-menschen-woont, gebagatelliseerd. Het stoutste ongeloof, de stelligste ontkenning, dat Jezus is de Zoon van God, is niet zóó erg als deze hoon, die weigert te onderzoeken, of inderdaad ^^^ÉiJ^^Mi. de inwoning Gods door den Geest in een menschenziel ook soms meer kan zijn dan heel een gebouw, heel een gebotiwen-complex zelfs, dat wierook zwaar tusschen zijn wanden laat hangen.

Het was dan ook niet meer dan verdiend, dat die gordijnen van den tempel straks gescheurd zijn. De Joden hebben inderdaad hun steenen tempel vast gesteld op den berg van de heiligheid Gods, en tegelijk door hun hoon en .sdhimp Gods heiligheid, die in den mensch Christus aanschour weiijk was gemaakt, vervloekt, geschimpt, en gfe: hoond.

Voor alle werelden liangt nu Christus tot een getuigenis, dat niet ZIJN revolutie, maar de eigen daad van de tempelbouwers van het Jodendom het huis van God in Jeruzalem heeft afgebroken. Daarom is de hoon van de voorbijgangers dan ook inderdaad Christus' rechtvaardiging bij God en bij de menschen. Want tempelstichters en tempelbouwers die de heiligheid prostitueeren, en niet eens haar eigen problemen haar laten stellen, 'hebben daarmee hun eigen tempelhuis het bestaans-recht ontzegd; het wordt straks voor altijd prijsgegeven. Doch wie Christus' lichaam als tempel Gods erkent, ook in zijn gebrokenheid, die ziet den Geest des Heeren daaruit vrijkomen. En uitgaan tot zijn eigen hart. Hij weet het nu: de tabernakel is betrokken: God woont daarbinnen. Van Golgotha kwam zijn vervulling en verlossing. Hij zelf wordt tempel-tabernakel des Heiligen Geestes. En viert daarin de opstanding van Christus: die groote tempelrestauratie van het Nieuwe Testament.


1) lêsous basaleus ou basüeusas. Die messianische Unabliaagigtedtsbewegung vom Auftreten Johannes des Taufers bis zum Untergaiig Jakobs des Gerechten, von Robert Eisler, II. 500 sqq. Heidelberg. 1930, .Carl W|inters Univ. Bacihhandlung (9er Band v. Religionswissensohaftl. Bibl. begr*. V. \Vilhem Streitberg).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1930

De Reformatie | 8 Pagina's

Christus bespot als tempelbouwer.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1930

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken