Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Der geloovigen verzekerdheid van hun verkiezing.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Der geloovigen verzekerdheid van hun verkiezing.

3 minuten leestijd

Een der vragen, die ik ontving, houdt nauw verband met de verzekerdheid des geloofs, waarover ik in onze laatste nummers iets schreef. Ik laat haar beantwoording daarom vooropgaan.

Ze raakt wat we belijden in Hoofdstuk I, 12 van de Dordtsehe Leerregelen: Van hunne eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij verscheidene trappen en met ongelijke mate, verzekerd. (2 Cor. 13:5.) Niet, als zij de verb orgenheden en diepten Gods curieuselijk doorzoeken, maar als zij de onfeilbare vruchten der verkiezing, in het Woord van God aangewezen (als daar zijn: et waar geloof in Christus, kinderlijke vreeze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz.) in zich zelven met eene geeste­ lijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen."

De vraag luidt: of deze waarneming van de vruchten der verkiezing bij ons-zelven, wel van de hier genoemde „geestelijke blijdschap en heilige vermaking" vergezeld kan_gaan, zonder daadwerkelijke geloofsoefening.

Het antwoord op deze vraag, kan, zooals de inzender, naar ik vermoed, ook zelf verwacht, niet anders dan ontkennend luiden.

Dit volgt reeds uit de definiëering van de blijdschap en de vermaking, waarmee de geloovigen gezegd worden de vruchten hunner verkiezing in zich waar te nemen, in het artikel zelf, als geest ©-lijk e blijdschap en heilige vermaking.

Al wat er geestelijks en heiligs toch is in: ons zieleleven, is nooit uit de natuur^ maar altoos uit de genade, nooit uit den oudeUi — maar altoos uit den nieuwen mensch, nooit uit het vleesch, maar altoos uit den Geest^ en daarom uit het geloof. ^

En ook als die bijvoegelijke naamwoorden „geestelijk" en „heilig" hier ontbraken, zou het toch niet moeilijk zijn in te zien, dat het niet anders kan zijn. Want „geloof in Christus, kinderlijke vreeze Gods, droefheid over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid", i.e.w. al wat behoort tot de vruchten van het werk des Geestes in ons hart, kan nooit een bron van blijdschap en een voorwerp Van welbehagen zijn voor 't vleesch, dat immers altoos „begeert tégen den Geest".

De b 1 ij d s c h a p over de vruchten van des Geestes werk in ons hart is dus, zoowel als elk van die vruchten zelve, een bewijs onzer roeping en een getuigenis onzer verkiezing.

Hiermede heb ik de vraag, gelijk ze luidt, ïeitelijk beantwoord. Doch ik vermoed, dat ze nog iets anders bedoelt dan er met zooveel woorden in uitgedrukt is. Dat ze d i t bedoelt, of een ^eloovige wel, zonder daadwerkelijk geloof, uit de vruchten der verkiezing tot zijn uitverkiezing-zèlve besluiten kan.

En ook dan moet het antwoord ontkennend luiden. Althans, zoo met dit besluit iets meer bedoeld is dan een afgetrokkene en koude gevolgtrekking van bloot-verstandelijke logica. Zoo daarbij gedacht wordt aan die ^persoonlijke, vreugdevolle verzekerdheid, waaraan art. 12, hoofdstuk I, van de Dordtsehe Leerregelen denkt.

Om drieërlei reden.

In de eerste plaats, omdat een waarneming van de vruchten des Geestes in ons, die niet met het geloof gemengd is en niet door het geloof gedragen wordt, veel te onzeker is, om er zulk een ontzaglijke gevolgtrekking op te bouwen.

Ten tweede, omdat de afstand fusschen de vruchten der uitverkiezing en de uitverkiezing zelve, véél te groot is, om door een koud-verstandelijke gevolgtrekking overbrugd te kunnen worden, en een sprong eischt, waartoe alleen het geloof in staat is.

En ten derde, omdat de verzekerdheid van onze p e r s o o n 1 ij k e uitverkiezing, nooit gebaseerd kan worden op een algemeene stelling (waar dit is — daar moet ook dat zijn), maar alleen tot stand komt door 'de vertrouwensdaad des geloofs, die altoos insluit, wat we noemen de toeëigening.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1930

De Reformatie | 8 Pagina's

Der geloovigen verzekerdheid van hun verkiezing.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1930

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken