Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Ethiek van Karl Barth.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Ethiek van Karl Barth.

16 minuten leestijd

I.

Nog niet lang geleden verscheen in Duitschland een dissertatie over de verhouding van rechtvaardigmaking en heiligmaking i), waarin de schrijver zegt, dat systematisch inzicht spoedig in zijn onderwerp zal ontdekken het groote thema, vanvfaax uit de soms verwarrende veelheid der theologische problemen zich laat ordenen en beheerschen. Ik wil in het midden laten de vraag, öl de schrijver door de vreugde van den ontdekker, die steeds meer samenhangea gaat zien, niet tot eenzijdigheid werd verleid. Maar zeker is, dat het door hemi behandelde ohderwerp van groote beteekenis is ook voor allerlei andere vragen. Het is volkomen juist, dat in de vraag naar de verhouding van rechtvaardigmaking en heiligmaking niet maar aan de orde komt een speciaal probleem uit de dogmatiek met name uit de heilsorde. „Neon", zegt Köberle, „het is de vraag naar het nieuwe leven, naar den nieuwen mensch in de totaliteit van zijn bestaan". M.a.w. het is de vraag naar de etiiiek, die hier direct aan de orde komt.

Het loont m.i. zeer de moeite, te onderzoeken, welk antwoord Barth geeft, op deze voor heel het leven zoo integreerende vragen. Er is wel reeds zeer veel over Barth geschreven, ook in ons laad, maar van allerlei zijden blijft de soms felle discussie voortdui-en, nieuwe werken verschijnen bijna elke week, nu eens een bestrijding, dan weer een verdediging, soms ook een poging tot synthese van Barth en — een ander standpunt.

Meermalen gaat het in de discussies allereerst om de interpretatie van Barth. Want dikwijls hebben de bestrijders van Barth als hun vonnis moeten hooren, dat ze van. Barth niets hadden begrepen, Brumier heeft dit van Schaeder, Haitjema van H, W', Schmidt gezegd enz. Dat is natuurlijk niet a priori onmogelijk, maar in ieder geval mag dan verlangd worden, dat telkens weer thetisch Earth's gedachten worden uiteengezet, opdat allengs alle interpretatie-misverstand moge wijken. Waar deze discussies nog lang niet ten einde zijn en waar nog zoo volstrekt tegenstrijdig over Barth wordt geoordeeld, idat sommigen zijn optreden een zegen aditen ook voor ons land, maar anderea weer zijn ideeën funest vinden voor heel het leven, daar is noodig blijvende studie van Barth's geschriften en te vragen naar de beteekenis voor theologie, kerk sn persoonlijk leven. Speciaal voor de Gereformeerde theologie is er reden zich over Barth te bezinnen, waar ineerderen bij hem meenen te zien een zich steeds meer bewegen naar Galvijn toe en Waar nog onlangs de verhouding tusschen Kuyper en Barth ter spraket is gebracht door Dr Kodfhaus. ^)

In het bizonder is ex reden te vragen naar het probleem der ethiek bij Karl Barth, omdat de probleemstellingen der dialectische theologie juist op dit punt een levendige en diepgaande discussie hebben opgeroepen. Voor Duitschland noiem ik de namen van Althaus, Wünsch, Werner, (bestreden door Haitjema), Karl Holl, Karl Heim, in wier kritiek (waarop we nog terugkomen) vooral de vraag naar de mogelijkheid van een ethiek op den voorgrond staat. Maar ook in ons land is Barth's ethiek niet onbesproken gebleven. Waardeering en' kritiek zijn samengevoegd in .„Nieuwe Theologie" 1926. Dr J. Hoek ziet bij Ba.rth geen plaats voor wedergeboorte en bekeering en dus evenmin voor subjectieve of aktieve heiligmaking (Dr J, Hoek, Karl Barth pag, 23). Dr G. B, Wurth schreef over Barth in zijn artikelen „De Christen en de wereld", terwijl Dr A. H, de Hartog een brochure uitgaf, die, hoe voorzichtig ook gesteld, toch duidelijk het verschil doet uitkomen en zich tenslotte toch op één lijn stelt met de Duitsche'en Nederlandsche kritici. ^)

Nu staan we voor het feit, dat meerderen spreken van een ontwikkeling in Barth's denken. En als gevolg daarvan zou men Barth's „Römerbrief" thans niet meer mogen aanhalen ter karakteriseering van Barth' in 1931. Sommigen spreken zelfs sinds Barth's „Philipperbrief" en zijn „Dogmatik I" van een totale frontwijziging. Nu zijn er, ook afgezien van het verschil tusschen len en 2en druk van den „Römerbrief", ongetwijfeld momenten, waarin verandering is waar te nemen *). De praedestinatiebeschonwing uit den „Römerbrief" schijnt Barth niet meer te aanvaarden '=) enz. We kumien in deze artikelen, die alleen handelen over Barth's ethiek, deze kwesties niet behandelen. Wanneer we ons beperken tot de vraag, in hoever er wijzigingen zijn aan te wijzen inzake het probleem der ethiek, dan meen ik te mogen zeggen, dat althans op dit punt van een totale frontverandering geen sprake kan zijn. Laten we den eersten druk van den „Bömerbrief" bniten bespreking, dan is er in al Barth's werken tot de jongste publicaties toe één zelfde grondlijn te ontdekken.

Wanneer Barth overgaat tot de exegese van Romeinen 12—15, komt allereerst de vraag naar voren, waarom er nu eigenlijk op Romeinen 1—11 nog iets volgt. Is met die hoofdstukken dan niet alles gezegd? Komt er nu misschien nog een optimistisch aanhangsel over de goede werken die — er toch ook moeten zijn? Voert het aanvaarden van Romeinen 1—11 dan noodwendig tot een kultuurprotestantisme, hetzij men nu de kuituur neemt als sociale kuituur of als jDersoonlijkheidskultuur?

De groote vraag van een mensch op aarde, die leeft in een concrete situatie, is: Wat moet ik doen? En tegelijk: Kan het ethische werkelijkheid worden? Is Rom. 12—15 zinvolle repetitie om God eer te geven èf moedgevend vervolg? Wanneer door de werkelijkheid vai^ Gods Openbaring het eind , van alle menschelijk zijn, hebben en do'Sn verstaanbaar wordt, is dan een eüiiek mogelijk?

De allereerste vraag is hier of volgens Barth' mogelijk is een menschelijk handelen, dat zich onderwerpt aan de wet Gods. Het gaat hier om het verschil tusschen ouden en nieuwen mejasch. Wanneer Paulus schrijft: „Wij hebben vrede bij Goid, wat moeten we dan onder dat „wij" verstaan; ? Hier blijkt, dat bij' Barth oude en nieuwe mensch door een volstrekte kloof van elkaar zijn gescheiden. Het nieuwe subject is nooit aanschouwelijk, maar alleen door het geloof met den zondaar iden.tiek. Aan het zuiver-houden van die waarheid hangt alles. Als de nieuwe mensch een „directe Gegevenheid" wordt, is alles verloren, Aan één of anderen, zedelijken overgang mogen we hier niet denken. Er is geen sprake van ethische bemiddeling, We kunnen hier b, v, denken aan Manasse in de gevangenis. Astarte staat tijdens z'n bidden nog in Jeruzalem's heiligdom. Het gaat hier om wat men genoemd heeft het zedelijk-ledig, om de rechtvaai*-'diging als forensische daaid Gods (zonder eenige verdienste der menschen), om den „overgang" van ouden en nieuwen mensch als liggend in de bovenethische sfeer.

Is hiermee Barth's opvatting volledig geteekend? Is hiermee misschien reeds verklaard de verwantschap van Barth en Dostojewski? ^) Is Barth hierdoor niet een vernieuwer van.de ethiek van Luther en Calvijn tegenover de verdiensteleer van Rome?

In den „Römerbrief" liggen m.i. nog andere momenten, die toonen, dat met de scherp-doorgevoerde stelling: „rechtvaardiging ligt in de boven-zedelijke sfeer" Barth's positie niet ten volle is geschetst. De groote vraag is veelmeer, in hoeverre in de 'doordenking van het „absolute moment", van „de absolute afstanden tiigschen Oost en West" (Noordmans) 'in Barth's theologie mogelijkheid bestaat, dat ethisch leven, ethisch handelen werkelijk wordt en deze vraag dan gezien in het licht van die andere naar de werkelijkheid van den nieuwen mensch. Of — concreter — in hoever de „wij" van Romeinen niet maar subject is aan de wet Gods, maar ook tactisch die wet Gods gehoorzaamt. Ik behoef niet lang te sjpreken over de grondgedachte van den „Römerbrief", om het qualitatief onderscheid tusschen tijd en eeuwigheid in zijn diepe beteekenis voortdurend in 'toog te houd'en. Bij het zien van die geweldige diastase wordt de vraag: Brengt God, komende tot den zondaar, in hem, en daarmee in de wereld, verandering? Of blijft die reëele verandering voorwerp van hoop — nieuwe hemel' en aarde, waarop gerechtigheid woont — futurum, en wordt Gods eer alleen uit en in de crisis over al het menschelijke luisterrijk openbaar? Wat bedoelt Barth er mee, als hij zegt, dat ethiek alleen mogelijk is als kritiek over alle „ethos" en als hij: zegt, dat het probleem der ethiek identiek is met dat der dogmatiek: Soli deO' gloria?

We leeren zijn bedoeling verstaan in zijn exegese van het Gode welgevallige offer in Rom. 12. We moeten ons lichaam, d.i. ons zinnelijk-aanschouwelijk-historisch bestaan als offer „ter beschikking stellen". En offer beteekent prijsgave. De mensch moet zichzelf prijsgeven, zich offeren. D.i. de primair-ethische handeling. Maar direct bij het noemen van de primair-ethische handeling waarschuwt Barth tegen misverstand. Het is n.l. niet waar, dat hij, die zich offert, door zijn handelen een orgaan Gods wordt, Neai zooals — om Barth's eigen beeldspraak te gebruiken — een 1 Mei-optocht "niet de arbeidersbeweging i s, maar alleen haar demonstreert, zoo kan pok de mensch slechts demonstreeren. Niets anders dan dat is alle ethos. Er is geen levenspoging, waarbij één-worden met den wil Gods mogelijk wordt, Maax er zijn handelingen, waaruit het offer „oplicht", „uitstraalt", de geofferde mensch, maar juist daarom niet d'e mensch in één of andere nieuwe positieve of negatieve menschelijkheid. We moeten het offer vooral niet opvatten als een daad van nieuwe zedelijkheid. Neen, het oöer, zegt Barth („Römerbrief" 417) „is op zichzelf een menschelijke handeling zoogoed of zoo slecht als elke andere. God blijft God ook tegenover het grootste offer en Zijn wil gaat zijn eigen weg". Het is bij deze opvatting van het offer begrijpelijk, dat Barth de conclusie trekt, dat, waar het rijk Gods gezien wordt als organisch groeiend', in „opbouw", wezenlijk niet het rijk Gods aajnwezig is, maar een toren van Babel.

De wil Gods en die des menschen raken elkaar niet aan. Of een bepaalde daad' tactisch de eer Gods dient, dat moeten we-aan 'God overlaten. Hij neemt aan en Hij verwerpt.

Ook wat Barth leert aangaande het secundairethische handelen, voei-t hier niet boven uit.

Hij verstaat daaronder het positiöf-ethische handeilen dat protesteert t^en het schema dezer wereld en het negatief-ethische handelen, dat zich invoegt in de verandering dezer wereld. Dit alles moet echter gezien worden in het licht van de primairethische handeling (boete, Umdenken). Het geldt zonder restrictie voor alle ethos, dat er slechts sprake kan zijn van demonstratie en niet van een doen van den wil Gods. Volstrekt niets gaat daarboven uit, en wat daar toch bovenuit wil, ligt onder het oordeel, al ware 'het ook de heiligheid en de reinheid van een „Martyrerjungfrau". Ja, wie hier meer wil — die keere cm, want hij heeft te veel goederen!

G. O. B.

synoniem met, beteefcent, bedoelt, leidt tot huldigen. Maar ten aanzien van Bilderdijk is zulk een huldiging niet vanzelfsprekend. Wie maar e& nigszins op de hoogte is van de houding die de toonaan, gevende 19e-eeuw€rs tegenover Bilderdijk hebben aangenomen en van de afkeerigheid, die in sommige kringen nog bestond zelfs na de grootsche herdenking door de Bilderdijk-Commissie van 19061) georganiseerd, weet dat het niet overbodig is, als het thans gevormde Bilderdijk-Comité verklaart, , dat de herdenking, die het voorbereidt, een huldiging zal zijn.

Dit Bilderdijk-Comité van 1931 geeft op verschillende wijzen uitvoering aan zijn voornemen. Reeds deed de voorzitter, de heer August Heyting, het eerste deel het licht zien van een boek „Willem Bilderdijk als dichter" ^) en het beraamt, bee ik wel ingelicht, plannen voor een Bilderdijk-viering in December (de 18e December is Bilderdijk's sterfdag). En het vond aanleiding tot een eerste huldigingssamenkomst in het feit, dat het den 26en Maart 125 jaar geleden was, dat de dichter uit zijn ballingschap terugkeerde.

Deze samenkomst werd gehouden in D'en Haag, opgeluisterd door de tegenwoordigheid van de Koninklijke Familie, en werd den volgenden avond herhaald te Amsterdam, in de mooie Aula der Gemeentelijke Universiteit. Bij deze Amsterdamsche vergadering ben ik tegenwoordig geweest ea ik geloof onzen lezers een genoegen te doen, met hun daarvan een verslag te geven. Zoo ergens toch, dan is het in onzen kring, dat belangstelling bestaan moet voor Bilderdijk en zijn beteekenis, niet alleen als dichter, maar vooral ook als denker, en voor alles, wat op de ontwikkeling van zijn leven en arbeid invloed heeft geoefend.

Men kent het feit, dat tot dezen eersten herdenkingsavond inspireerde.

In 1795 was de nieuwe staatsorde van de Bataafsche Republiek geproclameetrd, die aan de Oranjeregeering een einde maakte. Van alle „verdachten" werd een beilofte van trouw aan de nieuwe Republiek gevorderd, ook van Bilderdijk, die als Orangistisch advocaat te Den Haag zich bekendheid had verworven. Niet slechts weigerde hij echter die belofte af te leggen, maar hij verzette zich tegen de nieuwe orde in een uitvoerig en scherp adres. Dientengevolge werd hij verbannen: binnen 24 uur moest hij Den Haag, binnen 8 dagen de provincie verlaten hebben. Elf jaar vertoefde hij in den vreemde, tot hij in Maart 1806 kon terugfceeren. Die terugkeer dan was het moment, waar om zich de bovengenoemde Bilderdijkviering concentreerde.

De voorzitter van het Bilderdijk-Comité, 'de heer August Heyting, sprak een herdenkingsrede uit. Hij begon, na een korte inleiding over Bilderdijk als Hollander en in zijn verhouding tot z'n tijd, met te herinneren aan de oorzaak der ballingschap en wat deze uitzetting voor hem beteefcende. Ze was een ramp, omdat hij op het onverwachtst zijn gezin, zijn practijk, zijn studie en zijn daarvoor noodzakelijke bibliotheek, moest verlaten; ook, omdat zijn gestel onder de te verwachten ontberingen ernstig zou lijden. Ze was ook inderdaad, elf jaren lang, een zware beproeving. Eerst te Londen, daarna te Brunswijk heeft Bilderdijk moeilijke jaren gehad, die als eenig, maar dan belangrijk lichtprmt hebben gehad, dat ze hem de vereeniging brachten met zijn tweede vrouw, die (in tegenstelling met de eerste) hem een trouwe en liefdevolle echtgenoote is geweest. Maar voor de ontwikkeling van zijn dichterschap heeft deze ballingschap-periode intusschen beslissSja^^ëteekenis gehad.

't Best is dat te zien, als men nagaat, wie de dichter Bilderdijk voor en na deze catastrophe is geweest. In dé jaren vóór 1795 toont h.ij voorlieifde voor de klassieken, voor Homerus, Sophocles e.a. Het werk, dat hij onder deze inspiratie levert, is schoon van vorm en stijl, munt zelfs uit boven de gelijksoortige poëzie van Vondel. En het heeft literair-historisch grooten invloed geoefend, want het heeft de heerschappij der 18e eeuwsohe opvattingen over kunst gebroken. De Grieken hebben Bilderdijk zelfstandigheid geleerd en hem den weg der vernieuwing gewezen. Die vernieuwing blijkt uit een vers als dat over den nachtegaal en den koekoek 'in hun onderlingen zangwedstrijd, dat door den Spreker als proeve werd voorgedragen.

In de beleving van de romantiek der liefde verlaat Bilderdijk dan het classieke genre. Ook begint hem de politiek te interesseeren. De tijden worden met het laatste tiental jaren van de eeuw ernstiger en Bilderdijk's muze wordt daardoor gestempeld. Zijn poëzie wórdt episch-didactisch, begint dus te komen op het terrein, waar ze haar grootste triomfen zal vieren.

De verbanning stoort deze ontwikkeling. Maai ze brengt tóch Vruchten. In Engeland komt Bilderdijk onder de bekoring van Ossian, in Duitschland leert hij de vormen van ballade en romance waardeeren. En als hij dan terugkeert, in 1806, is er verdieping in zijn werk, maar vooral ook grootere hartstocht. Hij komt dan in de volheid van zijn dichterschap: hij geeft zijn drie bekende treurspelen, zijn groot leerdicht over „De Ziekte der Geleerden", ook begint het epos hem te bekoren. En in deze werkzaamheid stijgt hij op, tot de hoogten der wereldliteratuur. Onze nationale letterkunde kende te voren het epos niet: Bilderdijk schenkt haar een epiek van de hoogste orde; het leerdicht is frequenter in de nederlandsdie poëzie, maar Bilderdijk slaagt erin, het op te heffen tot een plastiek als die van Dante. En het leerdicht, dat hij geeft, hoiidt het midden tusschen lyriek en didactiek. In het satyrische, het beschrijvende, vooral ook in het religieuze, geeft hij zeer belangrijk werk en zoo schenkt Bilderdijk, na zijn terugkeer in het vaderland, aan zijn volk een poëtisch geheel van hoogere orde, volledig in alle genres, in lyriek, didactiek, epiek, dramatiek.

Aan /ie hand van vele voorbeelden toonde de Spreker deze beteekenis van Bilderdijk's kunst aan' en hij besloot zijn rede met er op te wijzen, hoe het tijd wordt, dat de benepensten onder de moderne beoordeelaars ophouden met hun totaal onbelangrijke opmerkingen over de gebreken, die ook in Bilderdijk's werk worden geivonden. Onze natie heeft een .eereschuld aan Bilderdijk en aan zichzelf. „En wij die hier bijeengekomen zijn, wij aanvaarden Bilderdijk, wij getuigen van hem, wij brengen hem hulde en zeer grooten dank en dragen' hem uit tot zijn eigen, zijn Dietsche volk".

Wat de heer Heyting hier zei, beteekent inderdaad een huldiging. Want deze rede was een trekken in groote lijnen van het dichterbeeld en deed dit aldus zien als van ver boven de gewone verhoudingen uitreikende grootte. En, in aansluiting bij het m'omenteele fjpit der herdenking, wees ze de belangrijke plaats aan, die Bilderdijk's weerkeer tot zijn vaderland in zijn ontwikkelingsgang inneemt.

Zeker, met deze behandeling is de stof niet uitgeput. Over de waardij van Bilderdijk's religieuze poëzie en vooral ook over den verstrekkenden invloed van zijn verhandelingen over historie van^^nbuden. Maar het Bilderdijk-Comité is ook nog niet aan het einde van zijn werkzaamheid en we mogen ongetwijfeld meerdere Bilderdijk-avonden verwachten, die deze dkigen nader zullen adstmeeren. Maar wat we ten gehoore kregen was een goede inzet van een veelbelovende Bilderdijk-herdenking.

Naast deze beschouwing bood de avond verder declamatie uit Bilderdijk's werk. Mevr. Bolding— Goemans droeg verzen voor, die betrekking hebben op het feit der ballingschap: „Op het Schip Het Rendier" en „In de Scheepskooi", beide, gewagand van 's dichters gewaarwordingen op zee, „Bij het inzeilen der HoUandsche zeeplas" en „Aan dien Hollandschen wal", de hartstochtelijke ontboezemingen van den balling, die zijn vaderland weei'ziet. De heer Willem Nystadt declameerde verzen van lyrischen aard („De Rozen", „Gebed", „Morgenstond") en Mevr. Ellen Varens en de bekende voordrachtkunstenaar Albert Vogel gaven verzen weer van het epische en dramatische genre.

, 't Geheel was een schoone Bilderdijk-avond', die door de aanwezigen met dankbaarheid werd genoten.

C. T.


") A. Köberle. Das Verhaltnis von Rechtfèrtigung und Heiligung in seiner Bedeutung für den Christlichen Glauben", 1929.

-) W. Kolfhaus. Dr A. Kuyper en Dr Karl Barth. Onder Eigen Vaandel, 1930.

") „Naar aanleiding van Barth's verblijf in Nederland", 1926. Zie ook de kritiek van K. Schilder „Tusschen Ja en Neen", pag. 299.

') Over het verschil tusschen Ie en 2e druk zie Rbrf^ voorwoord en verder H. W. Schmidt „Zeit und Ewigkeit. Die letzten Voraussetzüngen der dialelctischen Theologie", 1927, die inzake

') Deze commissie, ondere eere-voorzitterschap van den toenmaligeu burgemeester van Amsterdam, Mr Dr van Leeuwen, ezorgde o.m het bekende Gedenkboek „Willem Bilderdijk", dat werd uitgegeven bij Höveker en Wormser te Amsterdam.

") We ontvingen dit boek ter recensie en hopen eerlang er over te handelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 10 April 1931

De Reformatie | 6 Pagina's

De Ethiek van Karl Barth.

Bekijk de hele uitgave van Friday 10 April 1931

De Reformatie | 6 Pagina's

PDF Bekijken