Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Ethiek van Karl Barth.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Ethiek van Karl Barth.

10 minuten leestijd

III.

In het licht van „het houden der geboden" komt er dus toch eenige oriënteering in het leven. Een rooverhende heeft in haar eigen sfeer toch nog moraal en recht (beeld van Barth). Onze daad als zoodanig is verkeerd, maar er kan zijn een respect voor de geboden. We kunnen — de continuïteit met den Römerbrief is m.i. een feit — slechts een teeken geven, demonstreeren, dat we Gods liefde hebben verstaan. D.i. onze heiliging. Alle andere opvattingen zijn te verwerpen. Zeer fel strijdt Barth tegen de beschouwing, die de genade Gods en de zonde des menschen voorstelt als twee quanta, en de verhouding ziet als een proces. Deze opvatting (roomsch-katholiek en modern-protestantsch) strijdt met den radicalen ernst i). De mensch is zondaar èn rechtvaardige, schuldig èn niet-schuldig en dan niet deels-deels, maar „beide geheel en beide gelijktijdig". „Wie het vatten kan, vatte het", voegt Barth hier aan toe ^). Een oogenbhk schijnt de cirkel te worden doorbroken, wanneer Barth spreekt over de tijdelijke zijde van het genadewerk, over de heiliging als historisch-psychologisch proces. Barth spreekt van .een gezondworden, dat menschelijk gezien, veelmeer een steeds zieker-woxden beteekent. Maar ook het volkomenste resultaat is toch nooit de gerechtigheid, die voor God geldt (niet om het onvolkomen karakter onzer gehoorzaamheid, maar omdat wij — totaal — zondaren zijn. Reeds hier zij opgemerkt, dat het jammer is, dat Barth hier niet veel uitvoeriger op ingegaan is. Het gaat hier om het „steeds zieker worden" en positieve zedelijkheid. De catechismus betrekt dit op onze kennis (van den zondigen aard), op het leeren zien, steeds meer, van onze zondigheid, wat positieve zedelijkheid niet uitsluit. In de verwerping van het proces èn de aanvaarding van een historisch-psychologisch proces ligt de tegenstrijdigheid van Barth's gedachtenbouw. (Zie Zw. d. Z, 1927 — 301. Vgl Knyper, E Voto IV pag. 294 ff.)

Ter verduidelijking moge hier nog worden gewezen op de parallel tusschen religie en zedelijkheid. Wanneer Barth over religie spreekt, erkent hij tenvolle haar werkelijkheid. Hij acht Goethe's opvatting juist. Nadat alle andere mogelijkheden zijn uitgeput, kan de mensch nog — vroom worden. Maar ook deze mogelijkheid is zondig. In zichzelf beschouwd is ze de voltooiing van den opstand tegen God. Maar nu kan door goddelijke genade die men.schelijke vroomheid als geloof en gehoorzaamheid worden „gequalificeerd". Er kan zijn „een toerekening der vermeende als werkelijke eerbied". Een religie, een handehng, die zonder meer, zonder qualificatie zuiver, goed, heilig is, bestaat niets).

Het spreekt wel vanzelf, dat deze beschouwingen ook beteekenis hebben voor de sociale ethiek en daarmee voor de vragen aangaande het rijk Gods en de kuituur, aangaande allerlei „Christelijken" arbeid, kortom voor het probleem: Christen en wereld*). Voordat we hier nader op ingaan en tevens vragen naar den achtergrond van Barth's beschouwingen, willen we eerst even terugzien op het nu besprokene in hot licht van de in de laatste jaren gevoerde discussie. Die discussie toont ons nu eens vereerende verdediging, dan weer fel, hartstochtelijk verzet.

Het eerst moet hier genoemd worden: Althaus*). Deze ziet als grondgedachte: de verhouding van tijd en eeuwigheid. De eeuwigheid is de duurzame bedreiging, crisis, ontkenning, opheffing van den tijd. Doordat er een volstrekte doodslinie is, die scheiding maakt tusschen God en wereld, moet Barth komen tot miskenning van de waarde der geschiedenis. Immers — slechts de dood is de echte openbaring Gods in de geschiedenis (745). Het is volgens Althans de groote fout, dat de Godsgedachte zuiver formeel blijft en de trekken van het persoonlijk leven ten eenenmale mist: het „neen" tegenover al onze historische inhouden. Het gericht Gods is slechts een andere uitdrukking voor de dialektische crisis van het eeuwige over het tijdelijke. Als gevolg daarvan kunnen ook het nieuwe leven en de ethiek niet tot hun recht komen. Ja, de verlossing en het nieuwe leven zijn onmogelijk. Te waardeeren is Barth tegen al te verzekerden en piëtisten, maar het is onjuist, dat de rechtvaardiging de ethiek in gevaar zou brengen, wat weer daarmee samenhangt, dat Barth de onbewustheid en het niet-werkelijk zijn van 'het nieuwe leven met elkaar verwart. En tenslotte wijst Althans er op, dat de gedachte der schepping wel niet wordt ontkend, maar toch nergens streng wordt doorgedacht.

Een in vele opzichten gelijke kritiek is uitgebracht door Wünsch"), die als het grootste bezwaar ziet, dat er geen verbinding tot stand komt tusschen het geloof in Christus en het aardsche, menschelijke handelen, dus geen sprake is van Christelijk georiënteerd handelen. Barth staat niet in het evangelie, maar in het voor-evangelie, niet in de genade, maar in de wet. Neen, zoo roept Wünsch uit, zóó kan God niet zijn. De spanning is 'ouverdragelijk, de bloem der vreugde bloeit in dezen tuin niet. Wanneer Barth bedoelt alle verdienstelijkheid aan de Christelijke handeling te ontzeggen, dan is daar niets tegen in te brengen. Maar dat is iets vanzelfsprekends, een oeroude reformatorische erfenis! Maar er is meer dan zondenvergeving; er is ook Geestesuitstorting, herschepping tot een nieuwe creatuur. Juist bij de concrete levensvragen vindt hij bij Barth geen antwoord. Wie heeft gelijk, de vredesman of de verdediger van den oorlog, Marx of Stahl, Bismarck of Förster? Zou de etïiiek geen materiëelen inhoud hebben?

Ik noem verder nog de kritiek van Karl HoU'), die van oordeel is, dat Paulus weliswaar diep doordrongen is van de onvolkomenheid van alle menschelijk handelen, maar dat het bij hem toch gaat niet maar om „demonstratie", maar wel degelijk om doen van hetgeen wij behooren te doen^). En eveneens acht Karl Heim^) de grondbegrippen der dialectische theologie onvoldoende voor het practische leven. Hij wijst op concrete situaties, waarin gehandeld moet worden (veldheersbeslissing of ouders in de beslissing over de toekomst van hun kind). We staan radeloos voor de vraag: Wat is nu Gods wil? Op de vraag, wat we doen moeten, moeten we een concreet antwoord ontvangen. We moeten weten, wat God van ons vraagt, opdat we zoo de verantwoordelijkheidheid voor onze daden aandurven. Heim wijst op Handelingen 13. Er is een spreken van den Heiligen Geest, waardoor één onder vele handelingen het accent der eeuwigheid ontvangt en juist voor dat spreken van den Heiligen Geest is in het wijsgeerig schema der dialectische theologie geen plaats, waardoor het niet komt tot een ethiek, die met volmacht ingrijpt in de verhoudingen dezer wereld. We willen het bij deze kritici, waar nog vele anderen aan toe te voegen ZO'U, den zijn, laten. Telkens concentreerde zich de kritiek op Barth's beschouwingen weer op het centrale punt van de mogelijkheid eener ethiek. Nu is het niet onmogelijk, dat de kritici Barth hebben misverstaan. Haitjema oordeelt zoo over Althaus (de hoofdaanval van Althaus is er z.i. volstrekt naast) en over Martin Werner i") en Wünsch.

Maar ik geloof, dat deze weerlegging niet is geslaagd.

Neen, Barth kan het niet helpen, dat hij zoo „geboeid" is door de realiteit Gods, dat hij wil beginnen bij de primair-ethische handeling van boete en berouw"). En zelfs willen we met alle aandacht luisteren naar „dat ééne, dat hij het allergewichtigste vindt". Maar de kritici kunnen het op hun beurt niet helpen, dat ze Barth Barth willen laten en daarom luisteren naar alles wat hij heeft gezegd en tevens letten op de wijze, waarop hij „dat allergewichtigste" gemeend heeft te moeten zeggen. En dat de kritici dan niet met een „misverstand!" te weerleggen zijn, blijkt wel heel duidelijk uit waardeerende artikelen zooals b.v. ten onzent van Tromp en Noordmans (Nieuwe Theologie). Wat zij zeggen over Barth's ethiek is toch zakelijk op vele punten gelijk aan de weergave, die Althaus e.a. van het ethisch probleem bij Kar] Barth hebben gegeven, al is de waardeering anders. Schreef Tromp niet over den Rbrf: „De ethische vraag, wat moeten wij doen, blijft open. De Christelijke ethiek blijft ongeschreven". En gaf Noordmans niet toe, dat in de bepaling van de verhouding tusschen zuivere theologie en theologische ethiek de zwakke zijde van den Rbrf lag?

Ik geloof, dat inderdaad in de discussies der laatste jaren zeer belangrijke punten aan de orde zijn gekomen. De twee voornaamste punten zijn deze:1. de vraag naar het ethisch subject, d.w.z. naar de mogelijkheid van de vervulling van Gods gebod. Wat moeten wij doen? 2. de vraag naar de bepaaldheid en de kenbaarheid van Gods gebod. Wat moeten wij doen? (Wünsch, Heim). De kwesties, die in deze tweede vraag liggen opgesloten en waarover we nog moeten handelen, toonen duidelijk, dat met de verwijzing naar Kohlbrügge als een der voornaamsten, die op Barth's denken hebben invloed geoefend, niet alles is gezegd. Weliswaar heeft Barth meermalen zijn groote waardeering voor Kohlbrügge uitgesproken en omniskenbaar is in Barth's beschouwingen de inslag van Kohlbrügge's beschouwingen over rechtvaardigmaking en heiligmaking, maar hiermee is toch slechts één lijn getrokken, die lang niet alles verklaart.

Het is ongetwijfeld een interessant vraagstuk om na te gaan, in hoeverre Noordmans gelijk heeft, wanneer hij Kohlbrügge en Barth tegenover de gereformeerde theologie ziet als vertegenwoordigers van het luthersche grondtype i^). Maar het is m.i. zeker, dat zoo in ieder geval de kwesties van de tweede door mij genoemde vraag nog niet in het juiste licht komen te staan.

De beide vragen te samen — de vragen van elke ethiek — toonen ons de belangrijkheid van de pra-|| blemen, die hier ter sprake komen. Zeer vele vragen monden hier als het ware uit. Hier liggen de vragen van rechtvaardigmaking en heiligmaking, van wedergeboorte, ouden en nieuwen mensch, het werk van den Heiligen Geest, het rijk Gods (eschatologisch? ), Christianiseering van het leven en voorts vragen als aan de orde komen in Zondag 32 (uit de vruchten verzekerd). Zondag 24 (niet zonde bevlekt. Hoe is dat te verstaan? ) en Zondag 44 (klein beginsel der gehoorzaamheid. Is dit „klein" quantitatief bedoeld en zoo neen, hoe dan? ). We kunnen hier nog aan toevoegen de vragen naar de wet Gods, naar haar beteekenis voor heel het leven, naar de kenbaarheid van het gebod Gods in de concrete situaties van het leven, waarbij dan met noodzakelijkheid het verschil moest openbaar worden tusschen Barth en Kuyper, dat nog niet lang geleden door een uitlating van Barth zelf op treffende wijze werd belicht, waardoor het noodzakelijk correctief werd gegeven tegenover het artikel van Dr Kolfhaus, dat veel te weinig let op de totaal andere structuur van Kuyper's denken i^).

Oudehorne.


') Barth. Rechtfertigung und Heiligung Zw. d. Z 1927—^2pi.

•) Idem 295.

") Barth. Dogmatik I—317 en voorts geheel § 18.

*) Zie G. B. Wurth. G. Th. T 30. jrg.

^) Althaus. Theologie und Geschichte. Zeitsch. f. syst. Theol. 1923.

") Wünsch. Ethik des Zorns und Ethik der Gnade Z. f. Theol. u. Kirche 1923, door Gogarten beantwoord: idem.

„Ethik der Güte oder Ethik der Gnade", waar hij zegt, dat Wünsch er niets van begrepen heeft.

') K. Holl. Ges. Aufsatze II—23 ff.

") Achter dit verschil in interpretatie van Paulus Ugt natuurlijk weer het theologisch verschil tusschen Holl en Barth.

°) Heim. Glaube und Leben 1928" pag. 30. Merkwaardig is Earth's antwoord aan Heim (Die Furche 1928 Heft 4) v/aarin hij zegt, dat hij ook nadruk legt op de bepaaldheid van het gebod en dat hij telkens meer heenwij st naar die dimensie, die Heim bij hem raist. Maar Barth acht het niet mogelijk op deze en die menschen en handelingen het accent der eeuwigheid te leggen. Hij verstaat niet, hoe Heim zich dat voorstelt, waar toch ook voor Heim de mogelijkheden van het ICathoUcisme en van het „Inspiriertentum" niet in aanmerking komen.

") Werner schreef een felle kritiek in „Das Weltanschaunngsproblem bei Karl Barth und A. Schweitzer" 1924.

") Haitjema. Karl Barth pag. 133.

") Geestelijke Perspectieven pag. 35.

'°) Zie het artikel v. Kolfhaus. „Dr A. Kuyper en Dr K. Barth". O. E. V. 1930. Barth spreekt over Kuyper in „Zur Lehre vom Heiligen Geiste" 1930 pag. S3-Op de verhouding van Barth en Kuyper komen we nog terug.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 24 April 1931

De Reformatie | 8 Pagina's

De Ethiek van Karl Barth.

Bekijk de hele uitgave van Friday 24 April 1931

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken