Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Ethiek van Karl Barth.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Ethiek van Karl Barth.

11 minuten leestijd

V.

Wanneer Barth spreekt over het beeld Gods'-), dan wil hij dat niet - verstaan als een oorspronkelijk begaafd-zijn der creatuur, maar als onbegrijpelijk „geven" Gods. De mensch i s niet beeld Gods in z'n wezen, in z'n zijn, m'aë, r alleen in de „Akt" der gehoorzaamheid. De mensch is door God geschapen uit niets en hij bezit niet een vermogen, dat beeld Gods genoemd kan, - worden, maar hij is beeld Gods slechts door een „Akt" van Gods genade. Er is niet een „gegeven" (rustend bezit) maar een „geven". In verband daarmede vi^eet de mensch niet, wat in een bepaald oogenbUk goddelijk goed en evenmin, wat zijn hem door God gegeven beroep is. Dat is nog geheel afgezien - van de zonde, maar ligt reeds in de schepping als zoodanig. Wat goed is, moet den mensch gezegd worden door het tweede wonder der liefde, door Gods Openbaring. Dat is het ambt van den Heiligen Geest. Wij kennen Gods scheppingsordinantiën niet en kxmnen niet allerlei facta rondom ons zoo maar beschouwen als het Woord van den Schepper tot ons. Daarom mag theologische ethiek ons nooit met een beroep op scheppingsordinantiën oi met een beroep op woorden uit de Heilige Schrift, zeggen, wat Gods gebod is. Ze kan dat niet zonder zich te plaatsen op den troon van God. Want alleen God Zielf kan Zijn woord spreken. Als theologische ethiek dat zou willen overnemen, is ze funester nog dan alle bioscopen en dansgelegenheden tezamen. En daarnaast — een mensch kan wel bijbelwoorden hooren, maar niet het Woord Gods. Hij kan zich niet ethisch bezinnen, maar slechts buiten (jenseits) alle ethische bezinning hooren in den Heiligen Geest. Het gaat hier dus in de eerste plaats om die tweede zijde van het ethisch probleem, n.l. het kennen van het gebod Gods. Hier is het punt, waar de vergelijking tusschen Barth en Kuyper van belang is. Barth heeft zich daar zelf over uitgelaten 2). Hij begrijpt niet, hoe iemand de revolutie (in den historischen zin van het woord) durft te behandelen als de incarnatie van het kwaad en daartegenover zijn eigen anti-revolutionaire wil als conform met den wil van God. Bij het opstellen van zulk een program, dat men verdedigen en waar men practisch mee werken kan, heeft men zeker het woord Gods niet gehoord. Wanneer men ongeduldig zou vragen: Wat is nu Gods gebod? dan luidt liet antwoord: „Verberg Uwe geboden voor mij niet"! Alleen in het wonder van den Heiligen Geest zijn ze ons niet verborgen. Want het gebod IS nooit een „gegeven" van deze wereld, maar .ibestaat" slechts in de „Akt van het goddelijk geven". Daarom kan de eüiiek het concrete bevel Gods aan dezen mensch op dit oogenblik niet lormuleeren. Dat zou kunnen, als het gebod Gods een rustende, algemeene, objectieve waarheid was, die de mensch kan weten, om dan daarnaar te gaan leven. Maar zoo is het niet. Het gebod Gods komt op ons af als handelend subject, als de gebiedende "Od Zelf. Het is zelf woord Gods en daarom geldt ook hier wat Barth in z'n dogmatiek heeft gezegd. Het Woord „geschiedt" en mag nooit worden geabstraheerd van God, Die in dat Woord handelend öubject is 3). Het woord Gods, het gebod Gods is looit een „gegeven", een „geopenbaard-zijn". Van ™it deze gedachten moest Barth wel komen tot, kritiek op Kuyper. Het is van belang, hier even op te letten. Voor Kuyper stond het vast, dat zijn „tegen de revolutie" confoi-m was met den wil Gods.

Eu het is wel heel merkwaardig, dat, waar Barth zou spreken over vermetel-zelf-willen-beschikken over wat in Gods hand is en blijft, Kuyper juist verband ziet met —• de souvereiniteit Gods en juist zóó wil waken tegen opheffing van „het oneindig qualitatief onderscheid tusschen God en mensch". Hierachter ligt tenslotte een andere waardeering van de Schrift. (Men geve zich rekenschap van het verschil in houding tegenover Romeinen 13 bij Kuyper en Barth.) Juist omdat de achtergrond van Kuyper's denken was het aanvaarden van de waarheidsopenbaring, die niet eenzijdig-anthropocentrisch betrokken is op het heil van den mensch, daarom kan hij in zijn denken daarvan uitgaan als van een factum, dat hij gelooft als een boodschap van den levenden God en kan hij zelfs gaan schrijven een boek over — „Ons Program". Hier hangt alles aan het Openbaringsbegrip. In de denkwereld van Kuyper is inhaerent aan, ja identiek met zijn denken over God, zijn staan voor God, de gedachte van het qualitatief oneindig verschil tusschen Schepper en schepsel, dat zijn praegnante uitdrukking vindt daarin, dat alle schepsel begrensd wordt door de wet Gods. En in dat wettencomplex, dat wettenorganisme hebben ook de zedelijke ordinantiën een plaats. Brunner zegt ergens, dat de profeet (Micha 6:8) met zijn woord: Het is u gezegd, o mensch, wat goed is en wat de Heerevan u vraagt" niet doelt op een immanente zedewet''), Kuyper zou dit toestemmen. Ja hij kent zelf het gevaar, om van de zedelijke ordinantiën een immanent ethisch systeem te maken. Maar hij verzet zich daartegen met alle kracht: Niet enkele summiere, algemeene geboden, die het concrete telkens aan mij zelven ter beslissing overlaten, maar gelijk Gods ordinantie evengoed den loop der Ideinste asteroide als den stand der machtigste zonnen beheerscht, zoo ook Gods ordinantiën op zedelijk terrein tot in het kleinste en bijzonderste afdalend, en mij aanzeggend, hoe God het wil. En die ordinantiën Gods in de machtigste vraagstukken en in de schijnbaar nietigste levensuitingen op mij aandringend, niet als artikelen van een wetboek, niet als regelen, die ik uit een boek lees, niet als een codificatie van het leven, die ook maar één oogenblik buiten God autoriteit en vastigheid zou bezitten, maar als de constante wil van den alomtegen-vsfoordigen God"5). Daarom kan Kuyper vanuit zijn gezichtshoek spreken over „ethische studie", die gebaseerd is op de wet van Sinai als de authentieke uitdrukking van wat God den mensch, toen Hij hem schiep, in het hart schreef''). Niet behoeft te worden ontkend, dat hier gevaren liggen, maar Kuyper zou hier antwoorden, wat hij eens in ander verband neerschreef, dat een hooge torenspits nu eenmaal nimmer te bestijgen is zonder dat het gevaar voor diepen val er vlak naast ligt'). We kunnen in dit verband wijzen op de scherpe afwijzing van alle verzakelijking van hèt gebod Gods, wanneer Kuyper (en men denke hier aan den strijd, in den laatsten tijd in Duitschland in verband met de dialectische theologie, vooral in verband met Gogarten gevoerd over het „existentiëele") spreekt van „eerbied voor den steeds hem presenten en gadeslaanden God". Juist met het nadruk leggen op deze gegevens wordt het dan echter mogelijk inzake de vragen der ethiek te komen tot een geheel andere oriënteering. We hebben reeds genoemd het Openbarings-en Schrift-principe, op welk terrein het verschil tusschen Kuyper en Barth voert tot verschillende oriënteering inzake vragen van politieken e.a. aard. Maar daarnaast is er het nadruk leggen op de wet als grens tusschen Schepper en schepsel. Dit inzicht staat naast dat van Barth, volgens hetwelk het eeuwige de duurzame bedreiging, grisis is van het tijdelijke. Deze tegenstelling tusschen het eeuwige en het tijdelijke, die door Barth wordt gelijkgesteld met die tusschen God en mensch en die hem in de polemiek met Tillich voerde tot de groote moeilijkheden inzake de Christologie s), maakt bij Kuyper plaats voor het oordeel van den Schepper over al wat zich aan de wet Gods ten doode onttrekt, terwijl door de verzoening van Jezus Christus weer mogelijk en werkelijk wordt het in gehoorzaamheid zich buigen onder de wetten des Vaders (denk aan psalm 119), die ten leven zijn! Hier is het punt, waar de aansluiting ligt aan de vragen van het ethisch subject, waar we in algemeen verband op terugkomen.

Dr. Kolfhaus, die reeds een werkje schreef over Kuyper evenals over Barth, heeft zich in zijn genoemd artikel tot taak gesteld aan te toonen, dat de scherpe tegenstelling: óf Kuyper óf Barth, kunstig is gemaakt en door de feiten niet wordt gerechtvaardigd. Hij wijst op verschillende ppnten van overeenstemming in levensloop en boodschap, hoewel hij erkent, dat er verschillen zijn aan te wijzen. Nu is het, zooals vanzelf spreekt, te verwachten, dat twee mannen, die beide willen getuigen van de hoogheid en de majesteit Gods, in hun getuigenis en hun theologie punten van aanraking zullen hebben. En het is ook niet onze bedoeling dat te ontkennen. Maar ook uit de door Kolfhaus aangevoerde parallellen blijkt m.i. op verschillende punten, dat achter schijnbaar identieke gedachten toch een totaal andere gedachtenstructuur tot openbaring komt (b.v. de citaten over het apriori dat werd vastgezet in de wereld van Kuyper's denken, pag. 112. Daar gaat het n.l. over de onfeilbaarheid der Heilige Schrift! vergelijk ook over de palingenesie, pag. 107).

We willen er hier alleen nog op wijzen, dat dat juist niet mogelijk is, scherp te onderscheiden tusschen grondgedachte en — allerlei denkbeelden. Juist de beteekenis van een persoon hangt af van de combinatie van alle momenten. Zóó werkt een theologie, ook Earth's theologie en het is een vrijwel nuttelooze (bovendien on-barthiaansche bezigheid) om de verschillen ook maar één oogenblik op den achtergrond te dringen om samen te letten op het vele schoone en goede, dat er toch' ongetwijfeld viel aan te wijzen.

Trouwens, iets daarvan blijkt wel hieruit, dat Barth in genoemd werk niet alleen Kuyper bestrijdt, maar dat doet juist in verband met Kolfhaus' boek: Revolution. Alle vergelijkingen tusschen Kuyper en Barth zullen dit aspect geen enkel oogenblik meer buiten beschouwing kunnen laten, zonder Barth zelf te verloochenen.

Dit alles neemt echter niet weg, dat het geen nuttelooze bezigheid is, waardeering en kritiek samen te voegen: Weliswaar is gezegd, dat wie Barth gedeeltelijk verwerpt, hem geheel verwerpt, maar ik geloof, dat dit onjuist is. Er zijn mo> menten aan te wijzen, die aanspraak mogen maken op onze volle instemming. Daar is zijn afwijzing van het antinominianisme en het perfectionisme. Het punt, waarom het meest gestreden wordt, is dat van de rechtvaardiging. Tegenover velen in de nieuwere theologie, die over dit beginsel bijna of in 't geheel niet meer spraken, heeft Barth steeds weer de beschuldiging uitgesproken, dat ze daarmee het wezenlijke beginsel der Hervoirming loslieten. Daarom bestrijdt Barth zoo fel de Lutherinterpretatie van Holl, omdat het zoo gaat niet om een synthetisch, maar om een analytisch oordeel: God neemt den mensch aan om hem te veranderen in een werkelijk rechtvaardige en God spreekt den zondaar rechtvaardig, omdat hij het in Gods oog reeds is.

Hier is Earth's kritiek m.i. juist. Het verband moet gelegd worden tusschen rechtvaardiging—hei-Hging (en dus ook ethiek) èn Christologie, wat Holl te veel verwaarloost. Door dat pogen om He rechtvaardiging door het geloof zuiver te houden heeft Barth velen geboeid en hij doet het nog. Consequentie hiervan is voor Barth tevens het waken tegen verzakelijking van het geloof. Het geloof is altijd betrokken op z'n inhoud. Bij „geloof" wordt het doen van den mensch zooveel mogelijk leeg

gelaten. Als dat niet met allen nadruk gedaan wordt komen we toch weer tot „de gerechtigheid uit de wet".») Van hieruit wordt de lijn doorgetrokken naar de ethiek en alle moTalisme en zelfwaarde van het menschelijk handelen bestreden. Het „Soli deo gloria" beteekent immers de prijsgave van het menschelijke, het leeg-zijn onzer handen, de zelfverloochening, maar dan in heel wat minder gemoedelijken zin, dan waarin dat meestal wordt genomen. We staan hier voor het protest tegen het menschelijk, psychisch hebben en bezitten dat natuurlijk in zeer nauw verband staat met Earth's beschouwingen over „Die Not der evangelischen Kirche" i").


1) Zur Lehre vora Heiligen Geist 44 ff.

2) Idem pag. 53.

3} Dogmatik I o.a. § 5, 4.

4) Brunner. Der Rechtfertigungsglaube und das Problem der Ethik, in „Gott und Mensch", 1930, pag. 39.

5) Kuyper. Het Calvinisme, pag. 62.

6) Idem pag. 63.

7) Souvereiniteit in eigen kring, " pag. 21. Het verdient altijd aanbeveling om zeer ernstig te overwegen, in hoeverre in een bepaald geval niet maar van mogelijkheid van vallen, maar van werkelijk vallen mag worden gesproken. Dit geldt m.i. vooral dan, wamieer, zooals bij Kuyper, uitdrukkelijk tegen verzakelijking op het terrein des geloofs wordt gewaarschuwd (b.v. in de Encyclopaedie over de aansluiting aan de geestelijke realiteit). Wanneer men, zooals Prof. Haitjema, toch van een verzakelijking der theologie meent te moeten spreken, (K. Barth 150—151), dan mag verlangd, dat Haitjema zeer concreet aanwijze, waarin nu het kenmerkende verschil ligt en waaruit blijkt, dat b.v. in zijn referaat over „Verzoening" het dreigend gevaar (dat toch ook daar blijft bestaan!) is ontgaan.

8) Tillich. Kritisches und positives Paradox en Barth: Von der Paradoxie des „positiven Paradoxes". Theol. Blatt. 1923.

9) Philipperbrief 97.

10)Het artikel, waarin Barth (Zw. d. Z. 1931) z'n bezwaren tegen de kerk heeft uitgesproken en tegen Dibelius' verdediging heeft gehandhaafd (ecclesiam habemus!).

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1931

De Reformatie | 8 Pagina's

De Ethiek van Karl Barth.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1931

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken