Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kari Barth's positieve negativiteit.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kari Barth's positieve negativiteit.

8 minuten leestijd

„Die Not der evangelischen Kirche Zwischen den Zeiten 1931, Heft 2.

II.

Religieus, staande tegenover 'God, wil Barth alleen maar met de wereld onrecht hebben — wil hij ook als kerk tegenover de wereld alléén maar ongelijk hebben — maar tijdelijk-historisch-psychisch is dat onrecht-bekennen-voor-'G-od een geweldig positief getuigenis, dat een vervloeking inhoudt tegenover degenen, die dit niet willen eikennen.

Nu zijn er menschen op de wereld, die de scheiding tusschen de concrete kerk van Christus (dat is de vergadering der ware geloovigen, overal waar deze zich openbaart als het lichaam van Christus) en de wereld zien als een tegenstelling. Zij staan als Gods volk tegenover de goddeloozen. Zij hebben als geloovigen God lief en de wereld haat God en haat ook hen. Zij hebben dikwijls twistzaken met de wereld. En zij hebben daarin recht. (Ps. 26.)

Tegenover deze menschen nu weet Barth van geen relativisme. Hier is de man, die samen met de wereld „nur Sunder" i) wil zijn, de geweldige positieve profeet van het t ij d e 1 ij k getuigenis, dat alleen daar de kerk is, waar de nood is, waar de crisis wordt gekend, waar men zich kent als „Kirche Esau's". 2)

In zijn artikel noemt hij deze nood, die er, volgens hem, zijn moet om waarlijk kerk te zijn, de eerste nood.

Dat de geest der eeuw aJle vastigheden der Schrift ondermijnde, zoodat men zich niet meer op een tekst beroept met de woorden: 't staat in den Bijbel en dan weet ik zeker, dat het zoo is — dat is volgens hem een nood, die bij de kerk behoort. Want dat is juist een teeken dat Gods Woord niet menschelijk te verstaan is. Die nood moet er zijn. Dat kan niet anders in deze wereld.

Dat de zedelijkheid ook in Christelijke kringen in crisis wordt gezien — dat is een teeken, dat we „nur Sunder"!) g^an worden in de kerk, steeds zieker —-en dus steeds meer ^, vaten des tooms" en tegelijk „vaten des erbarmens". Ook de z.g. zedelijke verwildering is geen nood, die niet bij de kerk zou behooren... deze nood is niet tijdelijk-historisch-ethisch te ontkomen. Daarover zou Barth geen klacht opheffen. Er is niets aan te veranderen.

't Is te dragen in de „getroster Verzweiflung" 3)die eigen is aan het j, geloof".

En de kerk, waar die nood niet was.. waar men zegt: ik weet, het staat in den Bijbel — en waar men zegt: ik wandel als uw knecht en vind mijn lust in Uw gebod — ja, daar is de kerk van Christus niet... zegt Barth.

Waar het getuigenis van Barth — , „nur Sunder" ij met de - wereld — niet is, daar kan het nog komen. Maar waar het wordt tegengestaan door bovengenoemde kerk met de belijdenis: hier is Gods volk, en daar zijn de vijanden; hier is positieve Werkelijke'gerechtigheid, en daar is .positieve werkelijke ongerechtigheid, daar is voor Barth zeer ernstig „des Teufels letzte Versuchung".

Hier blijkt wel, hoe felle vijand van „Gods, volk" hier spreekt. Welk een „Goliath" hier snoeft tegen „Gods slagorden".

En zooals Goliath zeer terecht in zijn smalende redevoering van de Israëlieten kon zeggen: gij zijt knechten (slaven) van Saul, zoo kan Barth ook met reden de Duitsche evangelische Kirche beschuldigen, 't Is er waarlijk niet beter gesteld als met Israël in Sauls dagen. En hoe is het bij ons?

En toch ... David hoorde in dat schimpen op het Israël van zijn tijd, dat „een koning had als de andere volken"... dat zijn God werd gelasterd in Zijn volk.

Zoo kunnen we in den smaad van Barth tegen de Duitsche kerk, die-een „general-superintendent" heeft (Dr Dibelius), welke beweert: „Wir haben" oine Kirche 1"^) — zoo kunnen we tóch in den smaad van Barth op deze woorden... proeven hoe het positief Christelijk leven in Duitschland meteen wordt aangevallen.

In den grond 'der zaak komt de hevige positieve critiek van Barth op alle werkelijke zonden en ellenden der Duitsche kerk toch neer op den eisch, dat de kerk het getuigenis van Barth zal'aannemen en zal worden „kerk onder ' t kruis".

Men weet wat „kruis" bij Barth beteekent: Christus wou njets zijn dan kruiseling; zóó moet de kerk niets anders willen zijn dan kruisdraagster, dat is: Kerk, die belijdt met de wereld samen „nur Sunder"!) te zijn, „nur Kirche Esau's" ^), en die dit b 1 ij f t getuigen „in getroster Verzweiflung" ^).

„De kerk waar Christus gekruist is", dat is de beste definitie die deze kerk van haarzelve kan geven. Zoo, als kerk van menschen die Christus kruisigen, zoo als kerk van „nur Sunder" 1), IS zij (niet; wordt) kerk van vergeving, geloof en hoop (pag. 94). 't Is een kerk van zondaars en Christus staat daarbuiten, steeds — en wie het zóó ziet, die ziet het goed en gelooft in de genade. Een kerk waar men Christus „heeft" is mis. De kerk, die wéét, dat zij Christus kruisigt, dat is de ware kerk.

Maar Johannes schreef: ie in de leer van Christus blijft, deze heeft beide den Vader en den Zoon. 2 Joh. VS 9b. En in 1 Joh. 5:2. Hieraan - Jcennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben wanneer wij God liefhebben en... zijn geboden bewaren.

Trouwens, de Heilige Schrift is steeds positief bij de beschouwing van de kerk des Heeren. En de Heilige Schrift spreekt maar niet dialectischparadoxaal van de opstanding, zooals Barth doet op pag. 95. De kerk van Psalm 44 was wel positief in haar pleiten op de verhouding waarin zij tot den God den Verbonds was gesteld.

Barth kent deze positieve kerk niet. Hij zegt: de kerk is er slechts, als zij de onverdiende, vrije goddelijke verkiezing van te voren recht geeft ook al zou God haar verwerpen. Mozes pleitte anders.

Dat nu de „evangelische Kirche" dit getuigenis van Barth niet mede getuigt — dat zij n i e t „Kirche in Not" 5) wil zijn, dat is de nood der kerk, die Barth door zijn getuigenis wil wegwerken. „Dasz ihr (de kerk) das (die belijdenis) fehlt, das eben ist die Not der evangelischen Kirche"s). En die nood is aanleiding tot positieve actie. In Januari 1931 hield Barth deze rede in Berlijn voor een ontzaglijke schare, die diep onder den indruk kwam van den profetischen gloed van het getuigenis. Op 13 Februari sprak hij in Bremen en 14 Februari in Hamburg.

En op den omslag van de aflevering van „Zwischen den Zeiten"') is boven de Inhoudsopgave met groo'te roode letters deze lezing aangekondigd!

En zelfs onze Standaard gaf er een berichtje van, dat de rede in „Zwischen den Zeiten" verschenen was.

Barth steekt de klaroen. Hij heeft een positief doel. Tegen de positieve kerk, die wéét wat er in dé Schrift staat en die wéét dat haar Heere is op­ gestaan en die zegt, dat zij den Heiligen Geest heeft.

Hij getuigt hier niet maar tegen de zonden der kerk, tegen den afval van 't geloof, tegen de verwildering der zeden, tegen de Schriftcritiek en den revolutiegeest, tegen imperialisme en coimmunisme en fascisme — neen, hij getuigt tegen het positieve Christendom — tegen de „knechten van Saul".

En hij heeft gelijk: de kerk is geknecht. Dooff den _geest der eeuw, heel erg.

Maar hij, die het ze verwijt, is de Goliath, de geweldige van dezen geest der eeuw^ die consequent alle goede positieve gerechtigheid van Christelijk leven (welke Gods Woord eischt in het Verbond als vruchten des Geestes. Gal. 5:22) zonde noemt en alzoo de concrete grens tusschen kerk en wereld wegneemt.

En hij spreekt met een overtuigingskracht en een consequentie, die verschrikt.

Ik zie Sauls knechten vluchten. En Jonathan beven... en Saul vragen en prijzen uitloven...

Maar de groote Zoon van David leeft in den hemel en Hij volgt den strijd Zijner kerk.

Hij ergert zich aan het smaadwoord over die knechten van Saul, die toch Gods volk zijn. Hij ergert zich méér en zuiverder dan David in de slagorde.

Hij ontferme Zich over Zijn kerk in Duitschland — en... bij ons. En Hij veriosse de knechten van Saul (helaas, onze zonden!) om Zijns Verbonds wil. En Hij neme ons weer geheel onder Zijn hoede bij Zijn Woord, in Zijn schaapskooi bij elkander — we zijn zoo verstrooid door den vijand en door onze halfheid en ongehoorzaamheid.

En Hij geve de kerk trouwe herders', die n i e t den rechtvaardige bedroeven en den goddelooze vrijspreken. Ezech. 13:22.

Men leze het zuivere reformatorische boek, dat zoo pas verscheen over Nehemia, door Ds L. Oranje, men leze daarbij het klassieke verhaal in Nehemia zelf en zie dan hoe de Schrift spreekt over kerk en wereld en over de vijanden van Sion.

Biggekerke.

A. JANSE.


1) Alleen maar zondaar (zondaren). .

2) De „Ezau's-kerk".

3) In de getrooste vertwijfeling.

4) Wij hébben een kerk.

5) Een kerk-in-nocd.

6) Dat haar (d.w.z. de kerk) dit (nl. deze belijdenis) ontbreekt, dat is nu juist de nood van de „evangelische kerk" (de „officieele" Luthersche kerk in Duitschland).

7) Het tijdschrift, waarin Barth en zijn kring zich uitspreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1931

De Reformatie | 8 Pagina's

Kari Barth's positieve negativiteit.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1931

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken