Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Over het muzikale deel van den Eeredienst. De roeping van Gemeente en Organist.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Over het muzikale deel van den Eeredienst. De roeping van Gemeente en Organist.

7 minuten leestijd

Van den heer Jac. Kort, organist van de Buiten' Amstelkerk te Amsterdam, ontving de Redactie een tweetal artikelen, die ze gaarne plaatst, omdat het onderwerp zeker in onzen kring belangstelling verdient.

I.

Zonder tekort te doen aan all© andere verrichters van hulpdiensten tijdens den ©eredienst: plaatsaanwijzers, collectanten en koster, mag ik toch wel zeggen, dat niet één van hen zoo'n belangrijke plaats inneemt in de handeling van dien dienst als de organist. i

Dat is zoo omdat zijn werk uitgaat boven het onmisbare, maar toch materiëele, werk van de andere medewerkers.

Welke plaats ge krijgt; dat tiw gaven worden ingezameld, ' en dat het gebouw waar gij deelneemjt aan de bediening des Woords proper is, zijn dingen, di© zeker belangrijk zijn, maar hoe ge God zult loven ©n smeeken in het lied, hoe ge Hem naderen zult in het psalmgezang, dat gaat toch boven die andere dingen uit.

En u dat mogelijk te maken, u daarbij voor te gaan, te leiden en t© steunen, dat is het to'oh, wat de Oirganist, die zich zijn taak bewust is^ zich ten doel stelt.

Natuurlijk, ik heb de dingen zoo wel wat op hun kant gezet. Ik weet wel, al hadden we in de kerk het grootste en mooiste orgel en den besten organist ter wereld en al waren alle gemeenteleden geschoolde zangers en zangeressen, dat het nog best mogelijk zou zijn om ons doel, n.l. het God-loven-ensmeeken, te missen. Zoo goed als het mogelijk is bij een zeer slecht orgel en een onkundig organist dit doel te bereiken. Maar toch, en dit zeg ik voox diegenen di© zich op dit laatste zouden willen beroepen, deze kromme-stok-rechte-slag-taktiek mag de onze niet zijn. Als we in alle andere dingen streven naar het zoo-goed-mogelijk, zal dat zeker ook gelden van het zingen van de gemeente en het spelen van den organist.

Het spelen vóór den dienst, dat nog niet in, felke gemeente gebruikelijk is (zelfs in Amsterdam is het pas een jaar of tien geleden ingevoerd), heeft zéker niet ten doel, aan d© kerkgangers de gelegenheid te geven, ongestoord en voor derden onverstaanbaar te kunnen spreken, zooals in sommige gemeenten gebruikelijk is. Een typisch staaltje daarvan is het volgende, dat iemand mij eens vertelde:

Toen een bepaalde organist, di© vóór den dienst speelde, eenige tellen ophield, hoorde men net in dien tusschentijd een zuster der gemeente oreeren: „Ik bak ze in mooten!" Maar daar is het spelen van den organist niet voor. Daar is wél het spelen van een strijkje in een café voor. Het spelen van den organist dient om het spreken onnoodig ©n o n m o g e 1 ij k te maken, het dient om u uit uw dagelijksche doen en laten op te heffen, om u in een ander© sfeer t© brengen, om uw gedachten af t© leiden van dat wat gij in de week doet en daarop te brengen op wat gij op den Zondag doet. Zóó is het Christelijk, zóó is het Gereformeerd, zóó behoort het tot den eeredienst, zóó en zóó alléén heeft het er recht op een plaats. Anders moesten we het liever laten. Anders is het café-, variété-muziek.

Tijdens dit spelen moet er niets anders gedaan worden, (wat een prachtige, echt stichtelijke voorbeelden zijn daarvan te vinden in sommige gemeenten) dan de gedachtencentrale over t© schakelen. Tijdens dit spelen moet er ook niet gebeden worden. Dat voelt men tegenwoordig in vele gemeenten zeer goed.

Het moet niet zoo, dat de organist pas eindigt, wanneer de predikant gebeden heeft en nu ^taat te wachten - ge zet toch thuis ook onder het bidden en lezen uw radio af? - het moet zóó, dat wanneer de predikant binnenkomt het orgel onmiddellijk zwijgt, om dan in de stilt© gelegenheid te krijgen Hem aan te roepen, dien gij in den tijd vóór den dienst hebt gezocht.

Van het zingen van het eerste psalmvers lop zichzelf is zooveel niet te zeggen. Hier kan ik dan meteen eenige dingen zeggen, die ook voor de volgende gezangen gelden.

Het voorspel heeft de bedoeling de gemeente in te leiden in de stemming van het te zingen vers.

Zoo zal een voorspel voor Psalm 117: oof, loof den Heer", enz., een psalm, waarin het hallelujah niet van de lucht is, anders van stemming moeten zijn dan één voor Psalm 79:4 „Gedenk 'niet meer aan 't kwaad" enz. Zelfs voor twee verzen nat één en dezelfden psalm kan het voorspel totaal anders moeten zijn.

Een voorspel voor het zooeven .aangehaalde vierde vers van Psalm 79 en dat voor het zevend© vers zullen absoluut moeten verschillen.

Hiermede is dan direct veroordeeld het spelen uit een koraalboek, b.v. Worp e.d., in de kerk. Immers dat geeft voor alle verzen van één psalm, en zelfs van meerdere psalmen die gelijke nielodie hebben, één voorspel!

Bij het zingen van dat eerste vers gekomen vraagt ook een quaestie waarover veel getwist is om antwoord. Namelijk deze: Is d© organist de 1 e i d e r of de begeleider van het gemeentegezang?

Nu, dat kunt u zelf heel gemakkelijk nagaan aan de hand van twee voorbeelden.

Heeft u wel eens gezongen met een groot© groep en dat zonder leiding van een 'instrument?

Den toon aangeven, dat ging nog wel, maar dien toon te houden! Het begon meestal moedig, maar het eindigde „lam", zooals Constantijn Huygens het gemeentegezang in zijn tijd noemde. Hier bleek dus leiding noodig.

Maar wanneer een groot geschoold koor, laat mij zeggen de Kon. Ohr. Oratorium Vereeniging te Amsterdam, een concert geeft met b e g e leiding van het Concertgebouworkest (men zou kunnen zeggen in gezelschap van het Concertgebouworkest) en dat orkest zwijgt eenigen tijd gedurende het zingen van het koor, b.v. in het laatste deel van het Requiem van Verdi, dan zingt dat kooir, zuiver op toon en in de maat, rustig door! Want, en daar zit het verschil tusschen leiding en begeleiding, dat orkest was niet noodzakelijk voor het koor, maar dat diende voor versiering, verfraaiing van het geheel. Dat orkest leidde niet, het begeleidde!

Daarom hebben we maar één antwoord: de Organist is de leider van het gemeentegezang. De organist is de leider van het muzikale deel van den eeredienst.

Nu komen we aan het zingen na Wet, Belijdenis of Schriftgedeelte voorzoover door de predikanten toegepast.

Hier is het d© plicht van den organist geheel achteruit te treden, evenals bij den tusschenzang tusschen het eerste en tweede deel der preek.

Van voor-en naspelen onthoude hij zich geheel, want voorbereiding tot, inleiding in de sfeer van dat gezang is reeds geschied. Het is immers een soort antwoord op V/et, Belijdenis of Schriftgedeelte, of het is onmiddellijk verbonden aan het eerste deel der preek, hetgeen meestal duidelijk uit de woorden blijkt.

Het hoogtepunt van den gemeentezang is we! de zoogenaamd© collectezang.

Hier worden drie, vier, zelfs soms vijf verzen achtereen gezongen. Het gevaarlijkste oogenblik van den geheelen dienst, zoowel voor gemeente als organist! Wat is dat zingen vaak een sleur! Dat is bijna niet meer een den-Heere-zingen. Dat is bijna steeds een sooit van Pauze, waarin men van alles doet, collectegeld voor den dag halen, pepeiTnuntjes en eau de cologne presenteeren enz.

En bij den organist? Ook bij hem dikwijls di© sleur! Het is b.v. een gewoonte geworden tusschen twee verzen steeds een tusschenspel te spelen. Te pas en te onpas. Voorbeelden? Dominee geeft op Psalm 119:1 en 2. Wat bewerkt die organist nu die hier zonder nadenken maar weer een tusschenspel speelt? Dit, dat de gemeente, wanneer het zingen hervat wordt de volgende onbegrijpelijkheid moet zingen:

Die, wars van 't kwaad, niet in de zonde leeft.

Maar zijnen gang bestiert naar 'sHeeren wetten.

Punt! Wat is het geval? Die twee regels ran vers 2 hooren nog bij vers 1: elzalig enz. I Zi© verder Psalm 132:1, 2, 3 en de Tien Geboden des Heeren:1 en 2.

In het algemeen geldt deze regel dat een tusschenspel alleen daar geoorloofd is, waar het strikt noodzakelijk is, b.v. waar een stemmingsmodulatie verlangd wordt als in Psalm 79':4 en 7.

Het gezegd© dat de gemeente zoo gauw moe wordt is volkomen een fabeltje. Wanneer de organist maar krachtig leidt, wanneer de organist

maar vakkundig is, wanneer de organist maar een flink tempo houdt, dan zingt de gemeente met steeds grooter wordend, want ononderbroken enthousiasme! Pas het maar toe!

Ik heb ondervonden dat een gemeente Esalmi 100, 121, 85, vlot en bezielend achtereen uitzong! Wanneer ééns, dan was hier sprake van een (}en-Heere-zineen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1931

De Reformatie | 8 Pagina's

Over het muzikale deel van den Eeredienst. De roeping van Gemeente en Organist.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1931

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken