Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Speculatie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Speculatie.

9 minuten leestijd

VII.

Hoofdstuk D.

Buiten den Handel en de Beurzen.

I. De uitbreiding, nader gemotiveerd in den aanhef van de afdeeling C, rechtvaardigt nu ook de bespreking van een onderwerp hetwelk menigeen misschien met eenig© verwondering hier genoemd zal vinden. Voor het recht verstaan zij daarom herinnerd aan hetgeen boven reeds werd opgemerkt, dat wij hierbij rekening houden met de broedere beteekenis, welke het woord speculatie nu eenmaal heeft verkregen, als de aanduiding van een handeling, waarbij men zich niet door een behoorlijk gefundeerd oordeel laat leiden, doch waarbij men in onzekerheid handelt. Men zal zich-zelf misschien suggereeren wèl een fundament voor zijn oordeel te hebben, maar, indien hier ©en eerlijk zelf-onderzoek werd toegepast, moet men tot een ontkennende conclusie komen. Er is den laatsten tijd veel geschreven over „verdringen" van beelden en gedachten; hier vindt men zulk verdringen. Men verdringt de werkelijklieidsgedachte, dat men zich wat diets maakt.

De Bijbel kan ook hier weer tot gids en ter waarschuwing ons zijn. Lezen wij daarin o.m. niet dit: Want wie van de menschen weet hetgeen des menschen is, dan de geest des menschen, die in hem is? " (1 Cor. 2:11; zie ook Spr. 27:19, Jer. 17:9) en ook het bekende psalmwoord: Vertrouwt niet op prinsen, op des menschen kind, bij hetwelk geen heil is". (Ps. 146:3.)

Wij bedoelen thans de speculatie, welke ook hierin kan bestaan, dat m©nig©©n in den omgang met andere menschen zich laat voeren door zijn indrukken omtrent die menschen zonder zich ernstig af t© vragen, of voor die indrukken en voor de waardeering van zulke personen een behoorlijk!© grondslag aanwezig is.

D© Arabieren hadden een spreekwoord, dat ons hier iets te zeggen heeft. De Arabieren beweerden, dat men geen vriendschap met iemand moet sluiten, alvorens een vat zout met hem te hebb^ verbruikt. Onze jagende tijd is er niet op ingericht om dit spreekwoord nog in toepassing te brengen. Het gevolg daarvan is dan ook, dat ware vriendschap, dus ook een werkelijk kennen van wie zich lief en aardig voordoet, hoe langer hoe zeldzamer wordt. Velen vallen nu in een ander uiterste en noemen iedereen, dien zij wel eens ontmoet hebben, als dat zoo in hun kraam te pas komt, hun „vriend". Doch zulk een vriendschap blijkt gewoonlijk niet bestand tegen eenigen stoot en als de tegenspoed komt, ontslaat men zich, zooals menigmaal blijkt, al heel gemakkelijk van zulk© „relaties".

In het particuliere leven neme ieder voor zijn rekening in hoeverre hij op zijn indrukken wil afgaan.

Anders en ernstiger evenwel wordt het, wanneer wij die taktiek toegepast zien door hen, die op eenig© plaats wordon belast met het toezicht op anderen.

De organisatie van ons maatschappelijk leven heeft een veelheid van belangen geschapen, welke niet dan collectief worden aanvaard, zonder dat allen, die daaraan deelnemen, daadwerkelijfc aan de verzorging van die belangen zich kunnen geven. Men vertrouwt die verzorging dan toe aan mannen, waarvan men verwacht, dat zij nauwg©zet die behartiging zullen waarnemen. Een of enkelen krijgen de dagelijksche behandeling voor hun rekening; anderen worden aangewezen voor het geven van raad aan en voor het houden van toezicht op de eerstgenoemden. Menigmaal zal aan die waarnemers een vergoeding worden toegekend, (doch niet laltijd. Dit laatste mag echter nooit op d© wijze, waarop men een taak vervult, van invloed zijn. Iemand, die eenmaal zulk een opdracht aanvaardt, heeft die naar zijn beste weten te vervullen, afgezien van de vraag of hij ©en belooning zal ontvangen ja dan neen. Ieder die, zonder belooning, zich bezwaard mag achten, dient de opdracht ai te vrijzen; eenmaal aanvaard, moet hij met alle kracht die in hem is, di© opdracht vervullen. „Uw ja, zij ja".

Wordt nu echter in alle colleges van toezicht, of welke benaming zij dan ook nader mogen onitvangen, met deze eischen r©k©ning g©houden? Wie

kennis heeft genomen van wat in den laop der jaren daaromtrent is gepubliceerd, durft hier geen bevestigend antwoord geven. De bewering is niet te boud, dat velen die tot toezicht zijn geroepen, denken het daadwerkelijk toezicht te mogen vervangen door de vraag, of zij de persoon of personen, op wie dat toezicht moest worden uitgeoefend, betrouwbaar achten. Dat men slechts met lieden, die men betrouwbaar acht, te doen wil hebben, is op zichzelf natuurlijk een voortreffelijk© gedachte, doch slechts als basis voor de aanstelling van een persoon. Doch die gedachte mag nimmer het voortdurend en daadwerkelijk toezicht overbodig maken. Indien dit wel zoo zou zijn, dan zou men in de colleges van toezicht niet moeten kiezen mannen, die bekwaamheid hebben, hetzij als koopman, hetzij als jurist, hetzij als theoloog of wat dan ook, doch men zou dan zielkundigen moeteni kiezen. En nu is dit naar ons gevoelen een zeer ernstige fout van veel leden van veel colleges van toezicht, dat zij zich van • hun taak met een Jantje van Leiden hebben afgemaakt en zoo de belangen, die ook aan hen waren toevertrouwd, niet hebben behartigd en het vertrouwen, dat hun opdrachtgevers in hen stelden, hebben beschaamd. Het is keer op keer gebleken, dat het niet-uitoefenen van een werkelijk toezicht aan de dagelijksche bestuurders van zekere ondernemingen een vrijheid heeft gelaten, waarvan zij een verkeerd gebruik hebben gemaakt. Sommigen hunner hebben opzettelijk gefraudeerd; anderen zijn, beïnvloed door allerlei karakter-eigenschappen, soms ook gedupeerd door onvoldoende ervaring voor hun taak, gekomen tot praktijken, die fatale gevolgen voor breede lagen van ons volk hebben gehad.

Voorzoover die gebeurtenissen waren te voorkomen geweest door een meer intensief toezicht van de daartoe geroepen personen, moet hier gewezen worden op het ontstaan van gevolgen van een speculatie en wel van een speculatie op de betroxiwbaarheid en de bekwaamheid van de te controleercn personen. Feitelijk is zulk een speculatie niets anders dan gemakzucht en een schromelijk verwaarloozen van de plichten, waartoe men geroepen was.

Nadrukkelijk zij hierbij gesteld, dat men thans niet moet generaliseeren. Men mag niet generaliseeren in de gevallen door eiken tegenslag nu maar te gaan toeschrijven aan fraude plus gebrek aan toezight e.d. Er zijn zakelijke tegenspoeden, die met de meeste toewijding en het allerbeste toezicht niet zijn te voorkomen. Juist in een tijdj waarin nog wel meer moeilijkheden zijn te vree»zen, mag hierop wel met nadruk worden gewezen. Ook mag men niet generaliseeren met betrekking tot de personen. Niet alle personen, die in zulke colleges zitting hadden, zijn voor een eventueele nalatigheid aansprakelijk te stellen. Immers, niet alle leden van zulke colleges zijn in dezelfde mate tot het uitoefenen van dezelfde taak, i.e. het gansche toezicht geroepen. Wie de werkelijldieid hier kent, weet, dat wel personen in zulke colleges worden gekozen vooi het geven van leiding of adviezen in bepaalde de el en van een onderneming, een bijstand dus, die met een werkeUjk toezicht pp het beheer niets te maken heeft. Een generaliseering zou daarom hoogst onbillijk kunnen zijn.

De nalatigheid van degenen, die hetzij krachtens uitdrukkelijke motiveering hunner verkiezing, hetzij krachtens hunne capaciteiten waarop hun kiezers hebben gelet, werkelijk tot zulk toezicht geroepen zijn, is niet anders dan hoogst ernstig te noemen. Zij speculeeren naar twee kanten en met onderischeiden belangen. Zij speculeeren met de positie van de onder hun toezicht gestelde personen, die, beter geleid, misschien waren teruggehouden van verkeerde stappen. Naar den anderen kant speculeeren zij met het vermogen van hen, die hun gelden aan de mede door hen geleide ondernemingen hebben toevertrouwd. Niettemin gaan meestal die nalatige toezichthouders vrijuit en treft het afkeurend oordeel van de menigte vooral de z.g. dagelijksche bestuurders der ondernemingen. Niettemin dienen zij en ook wij wel heel goed te overwegen, dat hier nog andere oordeelen zijn te vellen dan die, welke de massa, eventueel de aardsche rechter kan uitspreken.

'God openbaart ons in den Bijbel, dat ook hij, die door onvoorzichtigheid of nalatigheid oorzaak is van eenig leed over anderen gebracht, aansprakelijk is en straf verdient. Daaruit is ook deze les te trekken, dat God ook schuldig houdt ieder, die door gebrek aan toezicht, waartoe hij geroepen was, mede de oorzaak is, dat anderen, laat het zijn geheel door eigen fout, doch door fouten die wellicht te herstellen of te voorkomen waren geweest, gekomen zijn tot daden, die onder het oordeel van den Goddelijken zoowel als van den aardschen rechter vallen. Dit toch is de hedendaagsche toepassing van wat wij lezen in Numeri 35:22 en volgende verzen en Deuteronomium 19:2—6. De rechtstreeksche doodslag als daar bedoeld, door onvoorzichtigheid of nalatigheid, zal nu niet zoo dikwijls meer voorkomen. Maar, wamreer, zooals geschied is, directeuren van zekere ondernemingen, die, nog wel geheel te goeder trouw, gedwaald hebbende, bij het constateeren van de ernstige gevolgen van hun vergissingen, uit wanhoop over de schade, aan anderen toegebracht, tot zelfmoord zijn gekomen, dan zijn zij, die zich wel den titel van commissaris e.d. hebben laten welgevallen, maar in werkelijkheid zulk een directeur altijd maar aan zijn eigen lot hebben overgelaten, voor God mede aansprakelijk voor de daad van zulk een man. Zoo zijn anderen mede aansprakelijk, zij het niet voor den aardschen rechter, dan toch voor hun God, wanneer anderen in de gevangenis zuchten voor hun daden, daden die, zooals de ervaring heeft uitgewezen, waren te voorkomen, althans tijdig te stuiten en te verhelpen waren geweest door een intensief toezicht vanaf het eerste oogenblik. Het is ernstig te moeten constateeren, dat zulk een slappe gedragslijn nog maar al te veel aanwezig is; het is nog veel ellendiger te moeten constateeren, dat sommigen, die reeds eenmaal zulk een ervaring in hun leven hebben gehad, zich daardoor niet laten leeren, maar op een anderen tijd of op een andere plaats opnieuw tot toezicht geroepen en dat toezicht hebben aanvaard, wéér in dezelfde slapheid vervallen en opnieuw oorzaak worden van de ellende over velen gebracht en van de schande over hun „gecontroleerden" uitgestort.

Het ware te wenschen, dat de zedelijke beoordeeling van. al zulke dingen ietwat scherper werd, zoodat menigeen, wellicht nu of later tot toezicht geroepen, zich behoorlijk rekenschap geeft van de hem gestelde eischen en inderdaad tracht naar zijn vermogen aan die eischen te voldoen.

(Slot volgt.)

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1932

De Reformatie | 8 Pagina's

Speculatie.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1932

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken