Bekijk het origineel

Het activiteitselement en de Gereformeerde Jeugdbeweging.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het activiteitselement en de Gereformeerde Jeugdbeweging.

12 minuten leestijd

IV.

Het merlrwaardig© in het referaat van den heer J. Schouten is echter niet alleen, dat hij zich in het geheel niet uitgelaten heeft over wat de Bond voor Geref. Jeugdorganisatie omtrent de lichamelijke opvoeding in zijn program heeft opgenomen.

Het merkwaardige en nieuwe is vooral dit, dat hij daarbij ook positie heeft gekozen tegen de GEORGANISEERDE lichamelijke oefening en tegen de GEORGANISEERDE beoefening van de ontspanning, van sport en spel, ten behoeve van de rijpende en rijpere jeugd.

Zijn uitspraken laten daarover geen twijfel. Trouwens, de heer Schouten heeft de goede eigenschap, dat wat hij zegt, goed verstaanbaar en duidelijk ©n voor geen tweeërlei uitlegging vatbaar is.

Laat ons eenige uitspraken weergeven.

„Principiëele motieven, welke ons moeten doen kiezen voor georganiseerde lichamelijke oefening, voor georganiseerde beoefening van de ontspanning, sport en spel, ten behoeve van de rijpende en rijpere jeugd, zijn mij reeds in het algemeen niet bekend. De lichamelijke oefening is geboden, de ontspanning kan in het leven niet gemist worden, maar een oordeelkundig geleid leven biedt daarvoor voldoende gelegenheid, buiten eenig bl ij vend organisatorisch verband ".

„De noodzakelijkheid van organisatie voor het verkrijgen van voldoende lichamelijke oefening en goede ontspanning wordt dan ook niet ingezien. De wenschelijkheid daarvan (behoudens voor zang en muziek) kan evenmin bepleit worden." Hoe stelt zich de heer Schouten dan de beoefening der lichamelijke oefening en der ontspanning voor? Zijn antwoord is daarop het volgende:

„De jeugd op het land kan in den regel voldoende lichaamsbeweging en lichamelijke oefening bekomen door en in verband met haren arbeid. De jeugd in de steden heeft evenmin voor de vereischte lichamelijke oefening, het ontwikkelen en lenig houden van de spieren, een organisatie noodig. De beste lichamelijke oefening (wij spatiëeren, Kn.) bestaat in het verrichten van eenvoudige, eventueel ook samengestelde arm-en beenbewegingen, het zich optrekken en gewichtsheffen, welke oefeningen vrijwel ieder kan verrichten in of nabij zijn woning. Voor ontspanning door middel van sport en spel is, reeds objectief genomen, geen organisatie noodig', behoudens wanneer er ©en betrekkelijk groot aantal personen of niet onbelangrijke uitgaven mede genioeid zijn. Het verdient zelfs in het algemeen aanbeveling sport en spel te beoefenen in kleineren kring, waardoor het verband met de gezinnen en den omgang met eigen vrienden of vriendinnen versterkt wordt."

Geen wonder, dat tegen deze uitspraken de stemmen van anderen zich verhieven, met name van de Christelijke organisaties voor de 1 i chame 1 ij k© oefening en voor de sport. Haar bestaansrecht werd hier aangetast, de bodem, waarop zij stonden, Werd ondergraven. Zoowel de noodzakelijkheid als de wenschelijkheid van haar zijn en werken werd hier pertinent ontkend.

Ook werd hiermede ingegaan tegen de meening van velen, die wel het pleit voerden voor de begrenzing van den arbeid der Geref. Jeugdvereenigingen voor de geestelijk-zedelijke vorming, maar daarnaast de vereenigingen voor de lichamelijke oefening of voor de sport in haar bestaansrecht erkenden en zelfs, de een meer, de ander minder, voor deze organisaties hun sympathie betoonden.

Had Dr H. Bavincfc dienomtrent zelfs niet het volgende gezegd: „De jeugdvereeniging heeft naast zich en in volle waard© te erkennen de taak, welke bij d© opvoeding der rijpere jeugd aan huis, school, kerk en ook aan andere vereenigingen toekomt". Zeide deze bedachtzame geleerd© en paedagoog ook niet, nadat hij tevoren uitgesproken had, dat de lichamelijke oefeningen in onze kringen al te zeer verwaarloosd worden: „De jongelingsvereenigingen hebben zeker geene roeping om een gymnastieklokaal in te richten ©n een onderwijzer aan te stellen. Maar het ligt toich wel op haar weg, om zulke oefeningen met warmt© aan te bevelen en naar v©rmogen te steunen."i)

Verder wezen wij reeds op de meeningen van de heeren Prof. Dr G. Oh. Aalders en Joh. C. Franck©n, die de opzettelijk© lichamelijk© oefening voor de corporaties van 12 a 13 tot 16 jaar wilden incorporeeren bij het geestelijk-zedelijk werk, en in principe daarvoor ook geen bezwaair hadden voor de Jongelings-en Meisjesvereenigingen, maar alleen om historische redenen voor den leeftijd der leden dezer corporaties afzonderlijke organisaties voor de lichamelijke oefening gewenscht achtten, echter in nauw contact met de Vereenigingen voor de geestelijk-zedelijke vorming, zoowel wat de leden (verplicht wederzijdsch lidmaatschap) als de leiders betreft. 2)

En om nog één voorbeeld te noemen. Schreef de heer P. van Nes Czn niet in zijn artikelen over: „Onze verhouding tot de lichamelijke oef©ning":

„Er is echter geen sprake van, dat onze Geref. J. V. zoozeer den tijd van haar leden in beslag neemt, dat voor maatschappelijke vorming en lichamelijk© oefening geen tijd overblijft. Wanneer ze dat deed, zou ze haar doel voorbij streven. Het is alleszins gewenscht, dat aan de lichamelijke oefening, naar evenredigheid een deel van den vrijen tijd gegeven wordt, terwijl we ook hier eerst dan bezwaar maken, wanneer hi©rdoor de vorming op onze J. V. in het gedrang zou komen. Daarvoor behoeft geen vrees te bestaan, wanneer de LEIDING bij de organisatie voor Lichamelijke oefening volmondig d© noodzakelijkheid van de zed el ij ke vorming ©rkent". Eindigde hij zijn artikelenreeks niet met het uitspreken van den wensch, dat de gezamenlijke arbeid der Christelijke organisaties er 'toe mocht leiden, dat de waardeering voor de lichamelijk© oefening onder ons mocht toenemen? 3) En werd door denzelfden auteur nog in 1931 niet uitgesproken in ©en polemiek met Dr H. Kaajan: „Wij geven aan de sportvereeniging, de padvin der ij, de zang-of muziekclub, heel gaarne haar plaats, maar daarboven staat de geestelijke voirming als nummer één."*)

Nu ben ik geen voorstander van Tiet streven om in het program onzer Jongelings-en Meisjesvereenigingen de lichamelijke oefening op te nemen. En zoover ik weet, is niemand in onze kringen daarvan een voorstander, hetzij uit principiëele, hetzij uit practisch-historische overwegingen (Dr G. Ch. Aalders). 5) Maar wel zijn vooraanstaande leiders in onze Gereformeerd© Jeugdacti© er van overtuigd, dat de GEORGANISEERDE lichamelijke oefening niet verboden is, ja gewenscht, ja n o o d z a k e 1 ij k. En ik schaar mij aan hunne zijde. Daarbij wil ik mij niet op het argument beroepen, dat een toenemend aantal jongeren nu eenmaal lichamelijke oefening wil ©n deze verzorgd wil zien door organisatie en wij, om hen te krijgen en te behouden voor de eigen principieel© jeugdvorming, eventueel om de gevaren van afzonderlijke, concurreerende organisaties te keeren, daartoe wel medewerken moeten. Dit is geen principieel argument, maar een practisch motief, ook geboren uit het verlangen naar sterking en behouding van eigen organisatie. Wij zijn het wat dit punt betreft eens met den heer Schouten: „D© jeugd moet ook in betrekking tot deze zaak worden opgevoed. De jeugd kan niet worden geleid in de juiste richting, of worden gecorrigeerd door aan verkeerde opvattingen, bege©rten of behoeften toe te geven, wel door haar tot beter inzicht en juister handelen te brengen. Zij moet leeren inzien de noodzakelijkheid en het groot belang van den primairen jeugdarbeid! Frappez toujo^ursl

Echter, wanneer de heer Schouten zegt, dat hem geen principiëele motieven bekend zijn, welk© ons moeten doen kiezen voor georganiseerde lichamelijke oefenüig ten behoeve van de rijpend© en rijpere jeugd, dan meen ik te mogen zeggen, dat mij geen principieel© argumenten bekend zijn om o^ns TEGEN georganiseerde lichamelijk© oefening te verklaren. En de heer ScJiouten komt naar onze meening, wat de lichamelijk© oefening betreft (over sport en spel handelen wij hierna), O'ok met geen enkel principieel argument. Hij plaatst ten eerste lichamelijk© oefening, sport ©n spel te veel naast elkander. Zoo bijv. als hij zegt: „D© zorg voor lichaamso©fening, voor ontspanning, voor sport en spel door middel van organisatie maakt ook practisch van dit alles iets anders dan het in ons leven zijn moet." Wij zouden reeds de vraag kunnen stellen: is dit een principieel of ©©n practisch argument. Maar belangrijker is> dat lichamelijke oefening geen spel is en geen ontspanning. DE LICHAMELIJKE OEFENING IS EEN DEEL DER OPVOEDING VAN DEN MENSCH, een noodzakelijk, een integreerend deel, op grond van de Heihge Schrift, die de eenheid der persoonlijkheid in lichaam en zied stelt van d©n mensch. Dat behoeft in onz© onze GerefO'rmeerde kringen niet meer betoogd te worden. En al is d© geestelijk-zedelijke vorming primair, de lichamelijke opvoeding is niet minder belangrijk, ook voor de go©d© functioneering van het geestesleven. Trouwens, de heer Schouten erkent zelf: „D© lichamelijke oefening is, g©boden".

Waar hierover dus een „communiS opinie.", ©en gemeenschappelijk© overtuiging bestaat, komt nu de vraag aan de orde, of daiartoe organisatie noodzakelijk en wenschelijk is.

Wanneer deze vraag met „ja" beantwoord wordt, dan staat het ook in onze kringen vast, dat daarvoor dan Christ©lijke organisatie geboden is. Ook over dit laatste bestaat geen verschil.

Maar over de georganiseerd© lichamelijk© oefening is in ons midden wel verschil, vooral door den heer Schouten zeer scherp geaccentueerd. Dr E. D. Kraan behandelde in „D© Reformatie" ook de zaken van lichamelijke oefening, sport ©n spel. 1=) 't Is jammer, dat hij wel uitgebreid de hygiënische zorg voor het lichaam in het eerste artikel behandelt (voeding, reinheid, slaap, rooken), maar in het tweede artikel kort spreekt over de opzettelijke vorming en oefening van het lichaam, en het grootste deel van het artikel besteedt aan ©en beschouwing over de sport en het spel. Hij heeft bezwaar tegen het oprichten van Christelijke tennis-, korfbal-, hockey-clubs enz. Zij bevorderen een eenzijdig© oefening van bepaalde lichaamsdeelen, er gaat te veel tijd mee heen en de juiste

314 plaats in het geheel der opvoeding gaat verloren. Ook dit zijn practische bezwaren, geen beginselargumenten, gelijk wij hierna hopen aan te toonen.

Lichamelijke oefening, laat ons dit vasthouden, is geen ontspanning, geen spel. Zij vereischt inspanning, gelijk ook de geestelijk-zedelijke vorming. Deze lichamelijke oefening en vorming moet, zal zij haar doel bereiken, doordacht z ij n, op verhooging en versteviging der lichamelijke krachtsopenbaring, het goed functioneeren van het lichaam aangelegd moeten zijn. Zij zal systematisch, m e t h o^ d i s ch moeten zijn. Daarom kan en mag zij niet overgelaten worden aan het particuliere inzicht. Dan geschiedt zij te hooi en te gras; de een heeft voorkeur voor dit deel, de ander voor dat deel der oefening. De jeugdige heeft krachtens den aard van zijn 1 e eft ij d, het stadium der opvoeding, ook b ij de 1 i ch a-melijke oefening en vorming, leiding n o o d i g, leiding, evenals die hem voor de geestelijk-zedelijke vorming verstrekt wordt. Wij weten geen enkel principieel motief, waarom leiding wel verstrekt mag worden bij de geestelijkz e d e 1 ij k e vorming, maar niet bij de 1 i c h a melijke vorming en oefening. Zij is geboden, die leiding. Evenals de Jeugdvereeniging daartoe dienstbaar wil zijn voor de geestelijkzedelijke vorming, heeft de vereeniging voor Lichamelijke Oefening dienstbaar te zijn voor de lichamelijke vorming. Onzes inziens is het één met het ander gegeven. De eerste wil een paedagogisch instituut zijn. De vereeniging voor Lichamelijke Oefening wil ook een paedagogisch instituut zijn. Zelfs bij de wedstrijden van het Ned. Christelijk Gymnastiekverbond is het eerste doel: „de animo tot geregelde oefening te verhoogen om daardoor, met vermijding van alle buitensporigheden, de geoefendheid der leden op te voeren."

Het argument kan naar voren gebracht woTden, dat daarmede echter de GEORGANISEERDE lichamelijke oefening nog niet geboden is. Bestaan er voor de persoonlijke oefening van het lichaam, gelijk de heer Schouten voorstaat, geen boeken, geen handleidingen. Wij weten dit ook wel. Mijn wedervraag is: „bestaan er voor de persoonlijke geestelijk-zedelijk© vorming ook geen boeken, ja het boek, de Bijbel. En daarom dus ook geen georganiseerde geestelijkzedelijk© vorming? Daarmede zou het bestaansrecht onzer Jeugdvereenigingen voor de geestelijk-zedelijke vorming aangetast zijn. Niemand wil dit toch, allerminst de heer Schouten.

Uit welke principieel© motieven zijn onze Jeugdvereenigingen voor de ge estel ij k-zede 1 ij ke vorming ontstaan ? Uit deze motieven: zij behoeden den jongen mensch in zijn geestelij k-zedelijke vorming voor het gevaar der eenzijdigheid; zij prikkelen hem tot activiteit, zij beantwoorden aan den drang naar aaneensluiting, naar samenwerken, den jeugdleeftijd eigen; zij brengen karaktervorming. Dezelfde argumenten gelden en pleiten voor de georganiseerde lichamelijke oefening en vorming. De heer Schouten, die de lichamelijke oefeningen in persoonlijke wil doen bestaan (deze mogen ook niet verwaarloosd worden, evenmin als bij de geestelijk-zedelijke vorming (voorstudie), zet haar op grond van wat wij uiteenzetten, te veel naar achteren en geeft aan de lichamelijke vorming niet die plaats, welke haar toekomt.

En al wat nu verder aangevoerd wordt van provinciale en nationale organisatie, „welke een en ander te presteeren hebben om haar „noodzakelijkheid" te bewijzen; van de wedstrijden, demonstraties en uitvoeringen, enz., waardoor de lichamelijke oefening niet haar plaats in het leven behoudt, welke zij moet houden, is een zaak der practijk. Onze Jeugdvereenigingen voor de geestelijk-zedelijke vorming werken ook maar niet ieder op zich zelf, maar haar Bonden willen dienstbaar zijn aan haar arbeid, de noodige leiding en voorlichting verstrekken. Wat zou er ajnders van den arbeid der plaatselijke Jeugdvereeniging terechtkomen? Ook hier wil men „de prestaties" zoo hoog mogelijk opvoeren! En voor , , excessen" waken! Gelijk ook het werk der Christelijke organisaties voor de lichamelijke oefening moet zijn, temeer omdat op dit terrein, dit erkennen wij, het gevaar voor excessen uit den aard der zaak grooter is. Maar de beschuldiging, dat de Christelijke organisaties voor lichamelijke oefening gaan doen aan lichamelijke oefening als DOEL opzichzelf, kan niet gehandhaafd worden. Geen enkele dergelijke Vereeniging zal dit zeggen en zij zal er in de practijk voor waken. Nog op de laatste vergadering van het Ned. Chr. Gymnastiekverbond is dit uitdrukkelijk uitgesproken, gelijk het ook tijdens de Olympische Spelen 1928 zich tegen dit gedoe verklaarde, daar deze spelen bevorderden de maximale praestatie van den enkeling, terwijl ze weinig beteekenden voor de lichamelijke opvoeding van de massa; dat zij in de hand werkten het verafgoden van den mensch en bevorderden de ontheiliging van den Zondag.

KNOPPERS.


') Dr H. Bavinck „De opvoeding der rijpere Jeugd", pag. 78, 131, 247. J. H. Kok, Kampen. 1917.

-) Zie ons vorig artikel.

°) „Geref. Jongelingsblad", 40e Jaargang, pag. 345 v.v.

') „Geref. Jongelingsblad", 9 Januari 1931.

°) Óver de Knapen-en Meisjesvergaderingen hoop ik in het volgend artikel het een en ander omtrent deze zaak op te merken.

=) Zie „De Reformatie", 16 en 23 October 1931.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1932

De Reformatie | 8 Pagina's

Het activiteitselement en de Gereformeerde Jeugdbeweging.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1932

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken