Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het Psalmvoorspel en wat daarom heen ligt.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het Psalmvoorspel en wat daarom heen ligt.

10 minuten leestijd

II

Natuurlijk, overdrijving schaadt, naar beide kanten. Niomjuid zal ijveren voor het geheel weg laten van tusschenspelen. Even overbodig en storend o n gemotiveerde tusschenspelen werken; even stichtelijk en verdiepend werken de gemotiveerde. En dan kan zelfs binnen één vers een tusschenspel noodig blijken. In Psalm 49:6: en denkt niet meer aan hun verleden staat, wijl al hun glans met hen in 't graf vergaat. Als daar dan volgt het: aar na den dood is 't leven mij bereid, enz. kan hier een tusschenspel volkomen op zijn plaats zijn. Aan den eenen kant verwerp ik dan het tusschenspel tusschen regel zoowel als tusschen vers, wanneer het misplaatst is, absoluut, om het aan den anderen kant, wanneer het terecht wordt toe^ gepast, dankbaar te aanvaarden.. Zopdat de strijd dus eigenlijk niet gaat tegen het tusschenspel op - ^zichzelf, maar tegen sleur en vormelijkheid. Dit alles zeide ik slechts om vast te stollen dat in een voorspel 't geestelijke element overheeischt. Van tweeën één: f, we hebben des Zondags een vergadering, een meeting met muzikale medewerking van meneer A., B. of C, öf we hebben des Zondags de vergadering der geloovigen, tot eer van God en stelt alles en iedereen zich in Zijn dienst. In het eerste geval kiezen we zelf wat we spelen zullen, dat stemmetje en dat effectstukje en zoolang en zooveel, en in het tweede geval stellen wij ons onvoorwaardelijk en algeheel in dienst van de te zingen psalmverzen. In het eerste geval is ons voorspel de kansi die wij krijgen, om onszelf eens van onzen besten kant te laten hooren, en in het tweede geval vormt ons spel de achtergrond, de met zorg gekozen achtergrond, waartegen het psalmvers te beter uitkomt.

Stelden we daareven vast dat het geestelijke element in het voorspel overheerscht, van oorsprong is het echter uit een geheel ander oogpunt opgekomen. Het koraalvoorspel stamt uit de Intonazioni die zooals het woord reeds zegt alleen de bedoeling hadden om den toon aan te geven. Het waren korte cadens-achtige stukjes, eigenlijk zonder eenige verdere pretentie. Hieruit is langzamerhand gegroeid het voorspel zooals we het nu kennen, door grooteren omvang en daarom ook rijkere en meer kunstige bewerking, waarbij toen allengs de geestelijke inslag is gekomen, die gegroeid is en heden overheerscht.

Nu diene men te weten dat het koraalvoorspel zooals WO het bij Bach ontmoeten, niets te maken heeft met dat waarover wij op het oogenblifc spreken. Dient ons voorspel als inleiding tot het koraal, bij Bach is daarvan geen sprake. Bij Bach en zijn vcH> rgangers staat het koraalvoorspel in de plaats van het koraal. De gedachte dat het voorspel bij Bach als inleiding zou zijn bedoeld, hebben we te danken aan de verwarring die de vertaling praeludium—voorspel heeft gesticht.

Als Bach op den omslag van Kantate No. 61 het verloop van een godsdienstoefening noteert, schrijft hij: „praludiert, motetta, praludiert auf das Kyrie" enz. Dit „praludiert" wil dus eenvoudig zeggen: orgelmuziek over een koraal of misdeel, hierop volgt in het geheel geen gemeente-, koor-of solozang. Onder het eiken dienst besluitende Avondmaal wordt dan „praludiert und Chorale gesungen bis die Communion zu Ende ist." Nu bestaan er voor het maken van koraalvoorspelen, zooals wij die in onzen eeredienst kennen, geen vaste regels. Men is niet verplicht zóó te beginnen en zóó te eindigen. Gelukkig is daarvoor nooit een wet gegeven, want dan zou ons voorspel allicht te lijden hebben van een groote eenvonnigheid. Toch is het goed om aan een voorspel een vorm te geven. Dit behoedt een organist voor doelloos en langdradig voortzeuren. Voor het vormen van koraalvoorspelen bestaan een^ zeer groot aantal verschillende typen, die alle, op een zeer enkele na, te gebruiken zijn. Het is de moeite waard op dit punt de koraalvoorspelen van Worp eens nader te bestudeeren. Daar ontdekken we al gauw een zeer groot aantal totaal uiteenloopende voorbeelden, van de eenvoudigste tot de meest gecompliceerde! Worp is en wordt wat dit betreft veel te veel, zoo niet geheel, door ons verwaarloosd I En daarom zullen we straks bij Worp te rad© gaan wat betreft het typ© van het voorspel, al is zijn muziek nogal oudbakken. Vooraf echter nog dit: als ongeschikt en onbruikbaar zullen we echter absoluut moeten brandmerken d i e voorspelen, waarin de koraalmelodie totaal niet wordt te pas gebracht, b.v. het voorspel van Pisalm 33 Worp, omdat dit type alle eigendommelijkbeid ten eenenmale mist en net zoo goed voor 10 andere psalmen zou kunnen worden gebezigd, en daarom voor geen enke^ len psalm ooit mag worden toegepast. lo. Het eerste type dat ik met u bekijken wil is Psalm 121 uit Worp. Hier vindt u een oenvoudigen liedvorm op een motief uit enkele koraal-

tonen bestaande gebouwd. Dit voorspel uit 12 maten bestaande is te verdeelen in twee maal zes maten, Zooals u ziet is de melodie geheel samengesteld uit het steeds herhalen van de eerste vier tonen van het koraal.

2o. Het tweede type vindt u in het voorspel voor Psalm 99.

Dit is het voorbeeld van ©en imitatie tusschen Sopraan en Tenor van enkele koraaltonen.

[Wanneer ik hierna op de stemmen afzonderlijk de aandacht vestig duid ik ze, als bij ©en vierstemmig gemengd koor aan als volgt: De bovenste stem met S (sopraan), de tweede met A (alt), de derde mot T (tenor), de vierde of onderste möt B (bas). Bij het aanduiden van aantal maten wordt de opmaat (d.i. de eerste maat van een voorspel wanneer ze niet de geheele waarde bevat) niet meegeteld.]

3o. Het derde type is een voorspel voor Ps. 74.

Hier is het koraalmotief door alle stemmen heen gebracht. We noemen dit dus: „kort koraalmotief door all© stemmen".

Het begint in S en A; in de tweede maat in T; in de derde, vierde en vijfde maat achtereenvolgens in S, A, T en B: ; in maat zes in A en T, in d© zevende in T, achtste B, negende T', tiendjo A, elfde S en daarna Tcomt de koraalmelodie in het coda in d© Sopraan.

Naar dit typ© is ook bewerkt Worp Psalm 17.

4o, Het vierde typ© is ©en voorspel voor Pis. 75.

Dit typ© g©lijkt ©©nigszins op het vorige, maar wijkt toch in den grond genoeg er van af om een afzonderlijk type te zijn. Immers hier is niet slechts een motief van enkele koraaltonen door alle stemmen doorgevoerd, hier komt de geheele eerste koraalregel in alle stemmen beurtelings. 1 T, 4 A, 7 S, 10 B, 13 T, 14 A gedeeltelijk. Een tweede voorspel naar dit type is Ps. 39. 1 S, 4 T, 7 B. Dit voorspel is als voorbeeld minder scherp omdat hier de Alt ontbreekt.

5o. Het vijfde type is een voorspel voor Ps. 6.

Het eigenaardige van dit type is, dat hier die eerste koraalregel niet vlak, maar rhythmisch door de verschillende stemmen wordt gevoerd. In de eerste maat vangt de S aan, in de' vierde d© A, in de zevende wederom de S, negende weev, elfde maat nog eens, waarbij de syncoop mooi uitkomt,

6o, Het zesde type vinden we in een voorspel voor Ps. 78,

Dit type noemen we: Vrije inleiding, daarna één of twee regels van het koraal en eindelijk een coda. Dit voorspel bestaat uit twintig maten. De eerst© acht maten zijn dan de geheel vrije inleiding, die sluit op een Dominant-accoord, een z, g, half slot, In maat negen begint dan het, 2e gedeelte met de koraalregels eveneens van acht maten. Eindelijk in de zeventiende maat begint het coda weer geheel vrij.

7o. Het zevende type' vindt ge in een voorspel voor Ps, 122,

Dit is een pleno koraal met een bewegelijke, gefigureerde bas. Ik vind dit niet zoo'n schoon type, maar schoon of niet schoon, het is karakteristiek. Een tweed© voorbeeld van dit type vindt u in Ps, 34,

8o, Het achtste type vinden w© in een voorspel voor Ps. 35,

Hier komt een inleiding en daarna de c, f, ^) in de Tenor, •

Eerst dus vier maten inleiding; en dan de c, f. in de Tenor beginnend© in de vijfde maat. Hierna geeft AVorp de c, f, bovendien in d© Sopraan afwijkende van z'n eigen type dat hij in zijn Gezangbundel consequenter volhoudt. En eindelijk komt het coda,

9o. Ps, 47 levert ons het negende type.

Hier wederom ©en korte inleiding, maar nu volgt een fugato. Vier maten inleiding. In maat vijf komt de A, 6 S, 7 T, 9 B, 10 T, 11 A, 12 S, 13 S, 14 S, 15 B, , 17 S', 18 T, 19 b-. Onder een fugato wordt verstaan een fuga-achtig stuk muziek,

lOo. Het tiende voorbeeld is Ps. 92.

Dit is ook een fugato, maar zonder inleiding, en zooveel belangrijker dat dit type een fagn^ expositie genoemd kan worden, s) Eerste tot vi©ide maat T, 5 A, 8 S, 12 B, 16 S,

Deze vorm past Worp dikwijls toe, o, a, voor, Ps, 9, 24, 36 en 114, Ps, 36 is het bezien nog wel waard: De Ie maat in de B-, 3 T, 5 A, 7 S, en nu geeft hij het motief verkleind (di, twee maal zoo vlug) resp, in 9 B en S, 10 A, 11 T,

llo. Type 11 vinden we in een voorspel voor Ps, 21.

Dit is een voorspel waarin de psalmmelodio geheel achter elkaar en regelmatig in de Sopraan voorkomt begeleid door de drie andere stemmen, die zich geheel vrije en polyphoon bewegen. Naar dit typ© is oO'k h©t voorspel voor Ps, 3 bewerkt, alleen komen hier slechts dri» koraalregels in voor. Ook Ps, 42 is ongeveer zoo bewerkt alleen rhythmisch gewijzigd. Zie oob Ps, 134.

12o. Het twaalfde type is te vinden in Ps. 10.

Hier vinden wij streng© imitatie van ©en motief samengesteld uit den eersten koraalregel. Wanneer we de opmaat niet meetellen komt dit motief in maat 1 in de A, 3 T, 5 B, 7 S, 9 S, 11 T, 13 B, 17 T.

Zie verder ook Ps. 30 en 130.

13o. Type dertien geeft Hs. 101.

Contra firmus in S en B. In maat 1—6 komt de eerste koraalregel, levendig begeleid, in de S, daarna wordt hij door de B herhaald.

14o. Tot slot geef ik nog ©en type van Worp, maar dan nit den Gezangbundel. Het voorspel voor Gezang 5ö. Hier komt eerst een vrije melodie in de alt die geheel afsluit; dan wordt alles letterlijk herhaald maar wordt de gezangmelodie' or in de S boven gelegd.

Men ziet hier dat Worp zich nooit tevreden stelt met een vormloos koraalvoorspel en dit is zijn. verdienste dat hij in zijn koraalboeken deze vormen heeft vastgelegd, zoodat zelfs de hedendaagsche organist nog veel van hem kan leeren, en daarnaast trachten nieuwe vormen te vinden. Voor verdere studie beveel ik dan ook gaarne aan het Koraalboek van Brandts—Buys, dat naast vela typen van Worp, ook nog vele eigen typen bevat.

Het brengt natuurlijk vele moeilijkheden met zich mee om een koraalvoorspel zoo maar direct iti een vorm te gieten, maar wanneer oen organist zich hier ernstig op toelegt, beginnende met de meer eenvoudige vormen, zal het hem weldra gelukken zi; jn voorspelen een vorm te geven, wat hem dan behoedt voor doelloosheid en langdradigheid.

JAC. KORT.


'^ c.f. = cantus firmus = koraalmelodie.

") Onder fuga-expositie verstaan we het eerste deel van den 3-deeligen fugavorm.

In dit deel komt het fuga-thema (meestal) zóó dikwijls voor, als het aantal stemmen, dat de fuga bevat, met dien verstande, dat de ééne stem ten einde is, voor de andere begint.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1932

De Reformatie | 8 Pagina's

Het Psalmvoorspel en wat daarom heen ligt.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1932

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken