Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De taak der Zending In Engelsch-Indlë.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De taak der Zending In Engelsch-Indlë.

9 minuten leestijd

III.

Opdat wij zouden verstaan welke taak de zending in onzen tijd in Engelsch-Indiê heeft, hebben wij in ons eerste artikel eenige belangrijke wijzigingen genoemd op dat zendingsveld; er is in de laatste jaren ook daar veel veranderd. En zoo is de vraag opgekomen: geven die veranderingen aanleiding, om de taak der zending ook als een andere te beschouwen dan voorheen?

Op vier zaken vestigden wij de aandacht. Allereerst, wel is het waar, dat slechts IV2 pCt. der bevolking zich bij de Clhr. kerk heeft aangesloten, maar de invloed der zending is veel verder merkbaar, zooals de voordrachten van Stanley Jones o. a. ons toonen.

Voorts beleeft het Hindoeïsme een krachtige renaissance, welke vooral door de Brahmanen gesteund wordt.

Niet minder trekt de aandacht de droeve toeneming van het saecularisme; een stroom van god-loosheid wordt, vooral onder invloed van het Russisch Bolsjewisme, over Indië uitgestort.

En eindelijk is ook van belang het streven, om de vele millioenen kasteloozen toegang te geven tot de tempels.

Moet dit alles nu ertoe brengen, om de zending in andere banen te laten _gaan?

Zendingsdirector Ihmels, aan wiens belangrijk artikel in „Botscüafter an Christi Statt" over „Unsere Botschaft im heutigen Indien" wij onze gegevens ontleenen, herinnert aan F. Heiier, die in zijn „Die Mission des Christentums in Indien" een algeheel nieuwe oriënteering vraagt ten opzichte van de grondslagen der zending. Hij toch bewondert de vroomheid van den Indiër, en acht het onjuist te meenen, dat het Christendom het Hindoeïsme moet „overwinnen". Het is veeleer de taak der zending, het Hindoeïsme in verscliillende opzichten te corrigeeren, en alzoo tot vervulling te brengen; dan gaat de zendingsarbeid in het voetspoor van Jezus Christus, die ook zeide: „Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar te vervullen".

Is dit nu inderdaad de houding, die de zendeling tegenover het Hindoeïsme moet aannemen? Oppervlakkig geoordeeld is er veel voor Heiiers

beschouwing te zeggen. Het saecularisme is een vijand, waartegen Christendom en Hindoeïsme gezamenlijk kunnen en moeten optrekken; en ook zou een voorzichtig zich aanpassen aan Hindoeistische gedachten en verwachtingen het Evangelie groolen ingang doen vinden in alle kringen. Zoo schrijft Stanley Jones in zijn boek „Christus langs den Indischen heirweg": „Het Hindoeïsme zou onder invloed der zending zich langzamerhand kunnen opheffen tot steeds hooger trap, en ten slotte in het Christendom kunnen overgaan, zonder zijn goede bestanddeelen te verliezen".

Juist omdat deze opvatting door talentvolle mannen als Heiier e.a. wordt verdedigd, is het noodig positie te kiezen in de Schrift, en in de Schrift alleen. Het gaat er niet om, wat ons succes belooft, maar om de voorschriften des Hoeren.

En dan is drieërlei te bedenken. Allereerst, de zending moet zich houden aan hetgeen haar Heere en Koning haar heeft opgedragen. Hier past allerminst een eigenwillig handelen. De gezant voert slechts de opdracht van zijn zender uit. Paulus schrijft dan ook aan de Corinthiërs: „Zoo zijn wij dan gezanten van Christus' wege, alsof God door ons bade". Verder gaan, anders handelen dan de opdracht luidt, zou ongehooi-zaamheid aan Christus zijn. „Het gaat bij den prediker niet om inzichten en overtuigingen, niet om wetten en ordeningen, niet om kultische gebruiken en vormen, maar om een werken van den levenden God". Het is de taak van de zending aan den mensch, die het nog niet weet, bekend te maken, dat de Heere genadig is, groot van raad en machtig van daad. De zondaar wete het, dat God alleen werkt, en dat dan niemand keert. Hij doet 't wonder der vernieuwing; Hij is de Zaligmaker.

Het Evangelie is niet de vervulling van het goede, dat in het Hindoeïsme wordt gevonden, maar is geheel iets anders, het is een nieuwe boodschap, het is openbaring Gods van hetgeen de Hindoe niet weet en zonder prediking ook nooit zal kunnen weten.

Daarom moet ook het streven van sommigen, om het Oude Testament te vervangen door de beste geschriften der Hindoes zelf, en deze dan naast hel Nieuwe Testament te zetten, beslist worden afgewezen. Dit nader te verdedigen zou ons er toe brengen de beteekenis van het Oude ten opzichte van het Nieuwe Testament uiteen te zetten, wat voor onze lezers niet noodig is. Wij zijn te zeker overtuigd van de onlosmakelijke eenheid van Oud-en Nieuw-Testament; wij zijn ons er te goed van bewust, dat het Nieuwe zonder het Oude Testament niet recht verstaan kan worden; ook handhaven wij te stellig de eenheid der gansche Schrift.

Het tweede wat wij te bedenken hebben blij de vraag, of de zending een anderen koers moet nemen, is, dat de prediking van het aloude Evangelie des Ouden en des Nieuwen Testaments moet geschieden in den geest van liefde en ootmoed.

Dit spreekt vanzelf, maar hoe licht wordt het vergeten! De "Westerling voelt zich van nature als het ware de meerdere van den oosterling; het rassenbewustzijn gaat dan spreken, terwijl het bij het Evangelie zwijgen moet: er is in Christus geen onderscheid. Menig zendeling heeft het bij den Inlander bedorven door zijn meerderheidsgevoel

Alzoo geen kleineerende polemiek! Ook geen verwisselen van beschaving en Evangelie! Ja, altijd weer geldt de eisch, dat de Europeesche bril moet worden afgezet.

De geschiedenis der zending leert, dat de zende-Ungen meermalen iets hebben veroordeeld en bestreden als heidensch, zondig, en zelfs duivelsch, terwijl het toch in werkelijkheid niets anders was dan een volksgebruik, dat door den vreemdeling niet verstaan werd. Ook is het plicht alle recht te laten wedervaren aan hetgeen de Indiër op het gebied van kunst en wijsbegeerte presteert. En niet minder moei voorzichtigheid worden betracht bij het beoordeelen van verschillende toestanden op zedelijk gebied.

Den zendeling, die vervuld is met den geest van liefde en ootmoed, zal dit alles niet moeilijk vallen; hij is zich van eigen zwakheid en tekortkoming te goed bewust, en weet, dat ook hij slechts van genade kan leven.

Op de Conferentie van Jeruzalem werden dan ook terecht deze woorden gesproken: „Wij gaan niet naar de zoogenaamde niet-Christelijke volken, omdat zij de slechtste menschen in de wereld zijn en zij alleen hulp noodig hebben, maar wij gaan tot hen, omdat zij een deel der wereld uitmaken en met ons in denzelfden nood verkeeren".

Hieruit vloeit vanzelf iets anders voort. Wij gelooven aan het bestuur Gods over alle volken. Ook het Indische leven heeft Hij geleid; en in die leiding heeft Hij Indië voorbereid voor het komen van EvangeUe.

Daarmee wordt natuurlijk niet de achterdeur binnen gelaten, wat wij de voordeur uitstuurden. Want bij het beoordeelen van die „voorbereidingen" kan en mag alleen de maatstaf van het Evangelie zelf worden aangelegd; wat in volksgebruiken en sociale structuur verwerpelijk is of kan worden overgenomen en gezuiverd, maakt alleen de openbaring des Heeren uit. Ook moet bij dat licht de vraag van de kaste-ordening worden beantwoord.

Wat dit laatste betreft: ernstig worde onderzocht, of het kaste-stelsel in dien zin kan worden hervormd, dat het de plaats inneemt van onze standen in de Westersche maatschappij. Hier ligt inderdaad een probleem, waarvoor een oplossing moet worden gekregen. Zooals het kastewezen nu is, is het in flagranten strijd met het Christendom; daar is men het tamelijk wel over eens.

Zelfs moet het doel zijn te staan naar een eigen Indische theologie. Het Indisch denken is zoo door God gegeven, dat, mits in het rechte spoor geleid, ongetwijfeld de waarheid Gods op Indische wijze kan worden ingedacht en weergegeven; dat zou de theologie in het algemeen ongemeen verrijken.

Ten slotte is er nog een derde punt, dat ter sprake komt bij de kwestie, of de zendelingen, wegens de veranderde situatie ook hun optreden tegenover het Hindoeïsme moeten veranderen. Dr Ihmels formuleert het als volgt: „Er (n.l. der Missionar) hal seine Botschaft in standiger Auseinandersetzung mit dem Hinduismus zu voUziehen".

De eisch, zoo betoogt Dr Ihmels, om alle minachtende polemiek achterwege te laten, blijft bestaan, maar mag niet tot een kleurlooze prediking leiden.

Hij keert zicli in zijn uiteenzetting met name tegen Dr Stanley Jones, en wij vallen hem hierin bij. Natuurlijk heeft Jones recht op erkenning wegens zijn voortreffelijken arbeid; zijn boeken zijn „verslonden", en wekten terecht bewondering. Maar velen hebben toch bij het lezen wel gevoeld, dat de schrijver te ver ging; er haperde iets. En het doet ons goed, dat een man van erkende bekwaamheid als Dr Ihmels op die leemte de aandacht vestigt.

Reeds in zijn eerste boek: „Christus langs den Indischen heirweg" zegt Stanley Jones, dat hij eenvoudig Christus als den levenden Heere predikt en niet als den gekruisten Christus volgens de dogmaüek.

Men voelt de dwaasheid dezer opmerking. Het kruis gaat tocli aan de verrijzenis vooraf? Wij zouden niet van den levenden, den levend gewordenen, Heere kunnen spreken, indien Hij niet eerst gestorven ware. Ja, dat wij Hem als den levenden Heere aanbidden, heeft zijn oorzaak en grond in het kruis. Hoe zou de levende Christus onze Zaligmaker kunnen zijn, indien Hij zich niet had laten kruisigen?

Men bedenke wel, dat Stanley Jones geen bezwaar maakt legen hel kruis van Christus. Ook hij knielt bij dat kruis. Doch in de prediking houde zich de zendeUng in Indië bij de eenvoudige waarheid, dat Jezus leeft, en hij mijde de dogmatische beschouwingen aangaande het kruis. En hij oordeelt zoo in het belang van den arbeid en tot heil van den Indiër.

Doch Dr Ihmels merkt hiertegen op, dat eeuwenlange ervaring den Indiër al zoo geschoold heeft, dat hij als vanzelf nadenkt over de Christelijke waarheden, en als hij niet dogmatisch nader onderwezen wordt, daaraan gedachten verbindt, die niet in de lijn liggen van de Schrift.

En dan heeft de opvatting van Stanley Jones, een opvatting, die door velen gedeeld wordt, nog dit bezwaar, dat de Indiër van nature syncretist is, en het gevaar van syncretisme in de hand wordt gewerkt, als niet de leer aangaande Christus wordt uiteengezet, maar slechts met de eenvoudige mededeeling der waarheden wordt genoegen genomen.

Zoo trekt dan Dr Ihmels deze conclusie: „Bij de eerste prediking zal in den regel critiek op de Indische religie achterwege moeten blijven. Maar de zendeUng zal ook dan niet slechts den mensch in den Indiër toespreken, maar hij moet zich tot den Indischen mensch wenden. De theologische uiteenzetting zal dan reeds bij de eerste prediking van zelf als noodzakelijk volgen en tevens tot een critiek op de Hindoeïstische gedachten worden".

Het is noodig op dat syncretisme, waarvoor de zending in Indië zich niet genoeg wacht, nog nader in te gaan. Vanzelf worden dan eenige verkeerde zendingsmethoden afgewezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1934

De Reformatie | 8 Pagina's

De taak der Zending In Engelsch-Indlë.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1934

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken