Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De bedreigde Buigings-n.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De bedreigde Buigings-n.

7 minuten leestijd

II.

Na deze inleiding een enkel woord over het grammaticale genus. Niet zonder reden merkt Dr Josseün de Jong op in zijn proefschrift i): „als men de vele onbevredigde hypothesen over het grammatisch geslacht bestudeert, ziet men^ dat bijna allen het er op aansturen, de geslachtsonderscheiding als zoodanig weg te redeneeren".

Er is echter een rij van taalgeleerden die inderdaad onmiddellijk en oorspronkelijk verband ziet tusschen sexe en genus. Oudheid 2) en Middeleeuwen s) welen van innerlijken samenhang tusschen die beide. Uit den nieuweren tijd zouden we, om bij enkele bekende namen te blijven, Bilderdijk, Grimm, "Van Ginneken en JosseUn de Jong, zij het ook niet zonder zekere reserve, tot deze richting kunnen rekenen.

In meer dan één richting heeft men dezen weg verlaten. In de eerste plaats is het genus als een puur formeele zaak behandeld.

In meer deistischen trant door het als een product van louter willekeur te zien; meer m a-terialistisch door het te herleiden tot een in wezen morphologisch proces.

Wat het eerste betreft: reeds in de Oudhsid vindt deze methode ingang*) en de Grammaire 'Raisonnée van Pört-Royal spint voort aan dien •draad. Maar veel belangrijker werd de tweede methode, die van den positivist Brugmann.

De suffixen a, ie, i, zoo redeneert hij, hebben hun latere feminine beteekenis ontleend aan de omstandigheid dat ze optreden in enkele woorden die vrouwen aanduiden. Zoodat een woord als Lat. aqua eigenlijk ten onrechte vrouwelijk heet.

In hoofdzaak zijn hel formeele oorzaken die de woorden tol bepaalde klassen samenvoegden, welke later, in strijd met haar oorsprong, met de sexen werden in verband gebracht. Wanneer iemand hem tegenwerpt dat de menschelijke fantasie in dichtkunst en mythologie toch ook haar genera kent, den dood als manlijk, de aarde als vrouwlijk voorstelt, zegt dit hem niets: die fantasie wordt juist door het grammatisch genus geleid!

Anderen, wier ziel geen vrede vond in de platvloersche explicaties van het formalisme, zochten de oplossing in psj'chologische, sociologische, ethnologische, magische, rehgieuse (maar steeds subjeclieve) factoren: zoekers die plegen te zeilen op pantheistisch kompas.

Hier , zij slechts gewezen op Wundt en Gerlach Royen, , De laatste teekent het genus als product van reïnlerpretatie en groepeeringsverschuiving. Wat er dan aan voorafging blijft een open vraag. 'De officieele geslachtsregeling, gelijk wij die te onzent kenneiij is hem een gesystematiseerde fictie.

Het is onmogelijk, thans hierop min of meer uitvoerig ^n Ie gaan. Dit sta echter voorop': niet één der aangeduide theorieën is bewijsbaar: alle rusten op geloof.

Van alle stelsels ten: dezen geldt ~dat ze «en wereldbeschouwing representeeren. Het zou aanlokkelijk zijn dit uit te werken, maar we moeten volstaan met in enkele trekken aan te geven wiat hel Calvinistisch standpunt naar ons oordeel meebrengt.

We gaan er van uil dat de tegenstelhng manlijkvrouwlijk niet allereerst somatisch moet worden verstaan. Dit tegenover degenen die pathologische (sic!) neigingen zoeken achter hel in-verbandzetten van genus en natuurlijke sexe. De'verhteding van „Christus en de gemeente" herhaalt zich als een eindeloos gevarieerd moüef in de scheppingssymphonie. Dat hemel en aarde in de mythologie der verst verspreide volkeren als echtpaar gelden is geen 'toeval, maar vervorming eener scheppingsgedachte. Hetzelfde geldt m. m. voor zon en maan.

Daartegenover is dan het neutrum de natuurlijke ^taalvorm voor wat geslachtloos is of van hetzij onontwikkeld, hetzij onbekend geslacht (het kind).

Wanneer we in deze richting iets van de op(os'sing zoeken, verwijderen we ons van hen die tot geen prijs wat ze een „logische" taalbeschou-

wing noemen willen accepteeren. Wij gelooven dat het Eeuwige Woord de menschheid besüert 'ZÓÓ dat uit Hem de wonderen en schatten van taal, die voor het grijpen liggen, zijn voortgekomen. Overeenstemming tusschen taal en objectieve werkelijkheid is niet postulaat van, logicisme, maar overeenkomstig aard en doel der taal. De poëzie, die velen nog in het genus vinden, is niet maar fantasieproduct (Vossler; ook Grimm), doch, althans in oorsprong, uit God.

Nu kan en behoeft die genusverdeeling in de verschillende talen allerminst eenparig te zijn. In eenzelfde zaak of persoon kimnen de ideeën van 't manlijke en vrouwlijke dooreengevlochten liggen. Dat de Romeinsche rehgie haar godenparen kende ter kenschetsing van beide zijden aan één object (Faunus—Fauna en dgl.) — Augustinus geeft daarover een zeer juiste opmerking ten beste — vindt daarin een gereede verklaring.

Intusschen, het is bekend dat lang niet alle talen onze genusonderscheiding vertoonen. Doch dat de dusgenaamde „sexueele classificatie" in hoofdzaak de talen om de oude wereldzee kenmerkt«) en onder deze de voornaamste groep, de Indogermaansche, zich door het driedeelig systeem onderscheidt, is een niet van belang ontbloot feit.

Eigenaardig is het dat in verschillende talen de genusuitgangen, wat hun klankwaarde betreft, een onderscheiden karakter hebben (voller-zwakkerdof), dat mot de door ons vastgehouden genusopvatting uitnemend strookt.

Van vrij wat meer belang is, dat de semantische groepen die in onderscheiden talen zich min of meer in eén bepaald genus vertegenwoordigen zeer gemakkelijk zich aansluiten bij de beteekenissen: man—vrouw—man noch vrouw.

Raonl de la Grasserie zegt: „l'objet doué de force, d'intensité, de mouvement, d'éclat, acquerra Ie genre mascuhn".') Van Ginneken kwam in zijn bekende Nota, evenals vroeger Grimm, tot soortgelijk resultaat. Maar Raoul de la Grasserie voegt er aan toe: „tout ce qui a un sens tres précis, tres individuel... est masculin".

Nu vertoonen daarmede een merkwaardige overeenkomst Simons' artikelen in De Nieuwe Taalgids van 1913, die aantoont dat de hedendaagscbe spreek taal de zaak welke zich als een duidelijke eenheid aan ons voordoet eerder met „hij" dan met „zij" aanduidt, om van „het" maar niet te spreken.

Het genus femininum karakteriseert, behalve 't vrouwlijke in enger zin, vaak abstr acta. Zelfs KoUewijnianen (vgl. De Nieuwe Taalgids II, 12) zullen vele abstracta niet stempelen met een onbehouwen .; , hij".

In dezelfde richting wijzen mythologie en poëzie.

„'kZag t lijdenzalvend Medelijden, En vroeg haar balsem voor ruijn wond."

'Aldus Bilderdijk bij wien men meer van dergelijke voorbeelden - vinden kan.

Verder vinden we veel feminine coUectiva; ook namen van landen en steden: wat niet aan scherpe contouren denken doet.

Het neutrum kan aanduiden datgene waarvan het geslacht hetzij weinig uitkomt, hetzij in het midden wordt gelaten. Tot Jozef wordt (Mt. 1:20) gesproken van „hetgeen in haar ontvangen is". Teekenend zijn ook de neutrale diernamen als „paard" en „rund" naast de sexueel gedifferentieerde namen. Men denke ook aan de Indogermaansche vruchtennamen in onderscheiding van die der boomen.

Voorts vinden we het kleine, het levenlooze, het collectieve, het minderwaardig geachte, het onbepaalde, ook wel het abstracte onder het neutrum genus vereenigd.

Dit alles uit te werken is hier niet mogelijk. Genoeg zoo aannemelijk gemaakt mocht zijn dat het genus geen puur morphologische zaak is, geen irrationeel fossiel van lang verstorven voorstellingen.

Er is ongetwijfeld wel wat arbitrairs in onze genusregehng, dat zonder schade kon worden opgeruimd: louter organische taalontwikkeling zou voeren tot anarchie, gegeven de feiten van zondeval en talen sphtsing.

Maar in het drieledig genus als zoodanig bezitten we een taaijuweel, dat weg te werpen naar onze meening taaischennis en zonde zou zijn.

We hopen vurig dat de Regeering zich niet zal laten leiden door dit „compromis" maar in ernstige overweging nemen zal de voorstellen van het bekende Comité voor Eenheid, die getmgen van veel meer piëteit tegenover de door God ons toebetrouwde taal.

R. J. DAM.


1) De Waardeeringsonderscheiding-van „levend" en „levenloos" in het Indogermaansch enz. Leiden 1913. .

2) Cf. Jellinek, Zur Gesch. einiger gramm. Theorïen.

3) Cf. Gramm. Specul. cap. 16 § 69.

4) Vgl. Gerlach Reyen, De Jongere Veranderingen van het Idg. nomin. Drieklasseursysteem 1926.

5) Techmers Intern. Zeitschr. für allg. Sprachwr. IV 100 sqq. Cf. ook Grundriss § 434 sqq.

6) Zie Tijdschr. v. Nederl. T. en LetteA. 12, 249.

7) Zie Tijdschr. v. Nederl. T. en Letterk. 29, 65.

8) K. D. VI, 41.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1934

De Reformatie | 8 Pagina's

De bedreigde Buigings-n.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1934

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken