Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gebod IV.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gebod IV.

9 minuten leestijd

H. K. te N. O. vraagt mijn oordeel over een stelling betreffende de strekking van het vierde gebod onder de Nieuwe Bedeeling, door hem verdedigd, maar door anderen bestreden.

De stelling luidt: „Het vierde gebod geldt voor ons niet meer in den zin van „dan zult gij geen werk doen", en derhalve mogen wij op den Zondag doen al wat wij door-de-week doen mogen".

Naar den vorm een dubbele stelling, gelijk men ziet. Maar, wijl de laatste niets anders is dan een volkomen wettige gevolgtrekking uit de eerste, in wezen slechts ééne.

We hebben dus alleen te doen met de bewering, dat gebod vier van de Wet Gods voor ons niet meer geldt in den zin van „dan zult gij geen werk doen".

Nu zou ik tegen deze stelling al dadelijk het bezwaar kunnen inbrengen, dat ze niet juist geformuleerd is. Ze bedoelt iets anders dan ze zegt. Ze zegt, dat ze het heeft over den zin van gebod vier. Maar ze richt zich tegen zijn inhoud. Ze had moeten luiden: in het vierde gebod hebben de woorden: „dan zult gij geen werk doen" enz., voor ons geen geldigheid meer". Neen, omdat deze laatste woorden geheel afhankelijk zijn van wat er voorafgaat in het: „zes dagen zult gij arbeiden", enz., had ze eigenlijk heel deze alinea voor de Nieuwe Bedeeling moeten schrappen, en poneeren, dat voor ons van het vierde gebod nog enkel geldt de aanhef: „Gedenkt den Sabbathdag, dat gij dien heiligt".

Een kwestie van geen beteekenis? Ik ben er zoo zeker niet van. Ik betwijfel, of inzender zijn stelling even gemakkelijk in dien juisteren vorm had geponeerd. Is dat zoo, dan valt er hier al dadelijk even na te denken.

Maar laat me maar aanstonds ingaan op de gronden, waarop inzender zijn stelling meent te moeten baseeren.

Die gronden zijn, kort gezegd, deze: dat gebod vier, met zijn heenwijzing naar het rusten Gods na het zesdaagsche scheppingswerk, zijn standpunt neemt in het Verbond der werlien; dat Israël, naar zijn ceremoniêele beteekenis, d.w.z. als afschaduwing van Christus, die het Verbond der werken had te vervullen, ook, in betreklvelijken zin, onder dat Verbond der werken was gebracht; dat hieruit volgt het ceremoniêele element in

gebod vier, dat, naar scheppings-ordinantie, onthouding van allen arbeid voorschrijft.

Dat onze Zondag daarentegen zich plaatst op het plan der herschepping, uitgaat van de vervulling van het Werkverbond door Christus; dat hij den geloovige, met heel zijn wereld, ook met zijn arbeid, ziet als in Christus verlost en geheiligd, en dat daai-om die arbeid op Zondag niet verboden kan zijn, al eischt ook het zoeken van voortgaande heihging onder de bediening des Woords, dat die arbeid beperkt worde.

Ten slotte meent hij, dat het arbeidsverbod op den zevenden dag wel voor Israël gold op grond van het rusten Gods op dien dag, maar dat een rusten op den eersten dag der week niet strookt met de geweldige goddelijke activiteit in de opstanding van Christus, die de principiëele herschepping is.

Ik geloof, dat ik zóó, al is het goeddeels met mijn eigen woorden, inzenders gedachtengang juist en volledig heb weergegeven.

Nu zal ik niet alles wat daarin scheef is — zooals b.v. het kortweg doen samenvallen van scheppings-orcUnanlie en Werkverbond, en de wel aardig-gevonden, maar toch valsche tegenstelling tusschen het rusten Gods op den zevenden dag en de activiteit Gods in de opwekking van Christus uit de doodeu — valsch, omdat immers dat rusten geen nicts-doeu was, doch enkel een niet voortgaan met scheppen, en evenmin die activiteit een bizondere inspanning beteekent (met dergelijke gedachten-verbindingen of - tegenstellingen moet men zoo uiterst-voorzichtig zijn; vooral als men ze tot uitgangspunt van redeneering maakt) — ik zal, zeide ik, niet alles wat hier scheef is, recht pogen te zetten.

't Is ook niet noodig. Hoofdzaak in vragers betoog is — daarop is alles gebaseerd, en daarmee staat of valt het — dat de eisch van rust aan Israël, in het vierde gebod, een uitvloeisel hiervan is, dat Israël, „naar zijn ceremoniëele beteekenis" (dat is dan volgens inzender: naar zijn bestemming om Christus, den Vervuiler van het Werkverbond, af te schaduwen), in belrekkelijken zin althans, gebracht was onder het Werk-verbond.

En dat nu is een zeer ernstige misvatting.

Dezelfde misvatting — het „in belrekkelijken zin" van inzender kan dat niet verhelpen — die Israels verhouding tot den Heere, en daarmee heel Israels religie vervalscht heeft. Dezelfde dwaling, die God door de Profeten van den ouden dag, door de zending van den Dooper, en door de vlammende prediking van den Apostel Paulus, zoo rusteloos heeft bekampt. Het was juist door dat teruggrijpen naar — en dat hardnekkig vasthouden aan het Verbond der werken, dat Israël de rechtvaardigmaking door het geloof-alleen afwees, Abraham in wien het roemde verloochende, en het kruis van Christus zich tot een ergernis maakte.

Het eenige Verbond, dat God met Israël tot zaligheid had gemaakt was het Verbond der genade in Christus, in het Piaradijs reeds geopenbaard, met Abraham plechtig opgericht, en door Mozes en al de Pïofeten in Gods Naam verkondigd. Israël stond niet en nooit en ook voor geen millioenste deel in het Verbond der werken, kon daarom ook nooit i n dat verbond der werken een schaduw zijn van Christus die het vervullen zou, en kon evenmin in den eisch der rust op den Sabbath van gebod 4 der Wet met een eisch van dat Verbond der werken te doen hebben.

Dal God de Heere Israël naast de belofte ook de Wet, de zede-wet, de wet der tien geboden gaf, was daarmee even weinig in strijd, als dat Hij haar gaf aan óns, kinderen der Nieuwe Bedeeling. Evenals bij ons toch, stond bij Israël de Wet niet tegenover het Verbond der genade, maar in dienst daarvan. En dat in tweeërlei opzicht: in de eerste plaats als middel om de zonde te ontdekken en daardoor tot de genade te drijven; en in de tweede, om het verzoende en verloste volk ten regel te zijn voor het leven der dankbaarheid. Maar de ceremoniëele wet dan, of het ceremonieel verbond of het verbond der wet, gelijk we haar ook wel noemen?

Inderdaad, wie gelijk inzender doet aan den naam ceremonieel op een of andere wijze iets verbindt dat in het werk-verbond thuis hoort: iets dat al is het ook „in belrekkelijken zin" met de wet van de rechtvaardiging door de werken verwant is, weet voor die ceremoniëele wet onder de bediening van het Verbond der genade geen plaats te vinden, en moet daarom wel denken aan een rest van het Verbond der werken.

Maar die tast ten aanzien van karakter en bedoeling der ceremoniëele wet geheel mis. W^at i s „ceremonieel" in den vorm der bediening van het genadeverbond aan Israël?

Ceremonieel is daarin alles wat in zich zelf geen reêele, zedelijke waarde, maar enkel schaduwachtige, afbeeldende beteekenis heeft.

En zulk een beteekenis had alle ceremonieel dat God Israël voorschreef.

Het beeldde af: naar de ééne zijde de zonde en de ellende, en naar de andere de verzoening en verlossing in Christus, en de roeping der verlosten Gods om in nieuwigheid des levens te wandelen.

Zoo stond de ceremoniëele wet, evenals de zedewet, in dienst van het Verbond der genade, en

werkte ze in parallelle lijn met haar saam.

Nu ligt er ook in het vierde gebod inderdaad iets ceremonieels, iets dat behoort tot het schaduwachtige, en daarom voorbijgaande, van Israels bedeeUng.

Doch dat in zichzelf waardelooze, dat alleen voor Israël beteekenis had, en onder de nieuwe bedeeling van Gods Verbond geen geldigheid meer heeft, ligt niet in den eisch van r u s f op den Sabbath.

Het kan daarin niet liggen. Want die eisch ligt reeds in de Sabbaths-ordening, die God de Heere in het Paradijs afkondigde, en waarheen gebod vier als naar zijn grond, met name ook van zijn eisch om op den Sabbath te rusten, nadrukkelijk verwijst. Die eisch van rust is vóór de ceremoniëele wet, staat boven haar, en wordt met haar niet op zijde gezet.

Ook niet door het herscheppings-werk Gods in Christus. Neen, daardoor allerminst. Want herscheppen is de schepping herstellen, en herstellen al wat in de schepping gegrond is. Christus herstelt de heilige rust van den Sabbath. Als gave Gods, ook als e i s c h Gods en als gehoorzaamheid aan dien eisch: Ik, uw Vader, heb gerust. Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen; (Ef. 5:1), en rust gij ook.

Dat is de christelijke gehoorzaamheid aan' gebod 4.

En de christelijke vrijheid?

Die is hier ook.

En nu kom ik op wat de ceremoniëele elementen in het vierde gebod zijn.

Die liggen in tweeërlei.

Ie. in de strenge i-ust die in gebod vier voor Israël bedoeld was, en in de ceremoniëele wet nader was beschreven; en 2e in de bepaling van den 7den dag als dag der ruste.

Wat die strenge rust betreft, waarvan Israël, bij het hcht der ceremoniëele wet, in het vierde gebod moest lezen — ze behoorde tot het juk der dienstbaarheid, dat de kerk, gedurende den tijd harer onmondigheid moest dragen (Gal. 3 en 4) en dat, - naar de negatieve strekking van de ceremoniëele wet, haar moest doen uitzien naar de verlossing door Christus. En hoe zwaar dat juk was, blijkt ieder die uit de ceremoniëele wet bijeen leest wat Israël al zoo op den Sabbath verboden was.

En dezelfde strekldng had óók het voorschrift, dat in de wisseling van arbeid en rust, de arbeid aan de rust vooraf moest gaan. Wat die orde betreft, was er tusschen het Werkverbond en het Verbond der genade in zijn eerste bedeeling geen verschil. Beide zagen de rust nog in de toekomst. Doch nü, onder de Nieuwe Bedeeling, is de orde een omgekeerde. Silo is gekomen. Christus heeft zijn: het is volbracht! uitgeroepen. De rust is verworven, het geloof heeft haar niet meer vóór zich als iets waarop het hoopt, maar achter en ónder zich, als rijk bezit en bron van kracht voor arbeid en strijd.

En dat belijden en daarvoor danken we, als we op onzen Christelijken Sabbath rusten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1934

De Reformatie | 8 Pagina's

Gebod IV.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1934

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken