Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HOOFDARTIKEL

15 minuten leestijd

Kerkelijke gedeeiübeid en Yerbondsgeboorzaambeid.

(„Een roBBstem" ïeanMoorfl.)

IV.

•'• (S c h e i d b r i e f e n V e r b o n' d.)

Ons voorgaande artikel lieeft ons tenslotte te^ recht doen komen bij het in eersten aanloop eenigszins paradoxaal schijnende feit, dat J e- .s, a j a .vraagt: „waar is de scheldbrief, dien Ik gegeven heb, Ik, de Heere? " terwijl daarentegen (? ) i e r e m i a zonder ©enige aarzeling uitspreekt, dat de .Heere wel degelijk aan het tienstammenrijk „den. scheldbrief heeft gegeven.

Zijn deze uitspraken tegenstrijdig? O neen, dat allerminst.

Zij bewijzen alleen maar, dat men met het sclieidbriefmotief ; (of moeten wij misschien zeggen: het scheidbriefquietief? ) uiterst voorzichtig moet zijn.

Beginnen we eens met Jeremfa. Prof. Aalders, in zijn bespreking van den geciteerden tekst (Korte Verklaring H. S., Kampen, Kok) merkt op, dat de profeet het gedrag van Israël — d.w.z. het tienstammenrijk — heeft aangeduid „in het beeld van echtelijke ontrouw, doelende op den afgodischen en onwettigen eeredienst" „De van haar echtgenoot weggeloopen overspelige vrouw wordt uitgenoodigd tot hem terug te keeren, maar daarin ligt tevens de gedachte der bekeering van Israël tot zijn God". Maar dat de Heere „Afkeerigheid-Israël" „o> m haar echtbreuk verst o o te n .en haar haren scheldbrief gegeven had" wordt uitdrukkelijk geconstateerd. Prof. Aalders merkt ter nadere bevestiging van die gedachte dan ook nog even op, dat waarschijnlijk de tekst opzettelijk den „notariëelen stijl der scheldbrieven" volgt. Het beeld is dus wel zeer concreet bedoeld. , En nu wordt aan het twee-stammenrijk piet opzet deze uitreiking, vanwege Jahwe, van den scheldbrief aan Israël, het tie n-stammenrijk ter waarschuwing voorgehouden.

Strijdt dit nu met wat J esa j a zegt? Allerminst.

Want J es a j a wijst er op, dat het volk Israël — nu in zijn geheel genomen — weliswaar „verkocht en verstooten is" (Prof. Ridderbos), maar dat dit gebeurd is „om zijn zonden. Dus is de hoofdgedachte deze, dat het verstooten en verkoopen NIET VAN DEN HEERE IS UITGEGAAN. Het beeld van den scheldbrief doet daarnaast ook uitkomen, dat de band tusschen den HEERE en Israël niet geheel is doorgesneden" (Ridderbos). De Heere heeft ZIJNERZIJDS „geen scheldbrief (een bewijs van formeele scheiding) gegeven, OM haar daarmee te verstooten" (idem).

Hoe weinig men hier dus het recht heeft, zich van dezen overbekenden tekst te bedienen, om te ontkennen, dat er een heusche scheldbrief is, en hoe lichtvaardig dus uit een oogpunt van rustige Schriftlezing dit tekstgebruik is, blijkt wel uit het vervolg bij Jesaja.

Gewoonlijk toch wordt uit den scheldbrief-tekst van Jesaja afgeleid: er IS GEEN scheldbrief, en daarmee uit. Maar, Jesaja spreekt nog onder een ander beeld, een tweede, van de verhouding tusschen Jahwe en Zijn volk. Let , nu eens even op het volgende, op dat tweede beeld; en gij voelt onmiddellijk het onhoudbare van deze redenee­ ring. Immers dadelijk daarop volgt bij Jesaja de vraag, en dat nog wel in hetzelfde vers (50:1); „wie is de schuldeischer VAN MIJ, aan wien IK u verkocht heb? ".

Men , zou, weer op den klank afgaande, dus, indien de Leidsche redenaars gelijk hadden, in hun betoogtrant blijvende, eveneens moeten concludeeren: het volk is dus niet verkocht. Maar dat het wel degelijk verkocht is, blijkt nog in.hctzelfde vers: „Zie, om uwe misdrijven zijt gij verkocht". Dat is toch wel duidelijk.

En, , als om alles af te doen, en heel dezen redeneergang voorgoed te breken, wordt er dadelijk — en hier wordt dan weer het scheidbriefmolief opgenomen — aan toegevoegd: „om uw overtredingen IS uw moeder verstooten".

Neen, wij oordeelen niet hard. Maar wij kunnen toch de vraag niet terugdringen; heeft nu nooit fien van de vele Hervormde redenaars len sprekers en debaters dat bekende vers, Jesaja 50:1, in zijn geheel gelezen? Telkens wordt alléén maar het eerste gedeelte aangehaald. En altijd gebeurt het dan in denzelfden zin, als waarin de eerste spreker van den Leidschen radio-avond het doet: „God toont dag aan dag haar (d.w.z. de Hervormde Kerk) niet verlaten te hebben". En onmiddellijk volgt er dan op: „maar ais God haar niet verlaten heeft, dan mogen ook wij het niet doen". Wij willen nu geen woord verspillen aan de vraag of deze probleemstelling, voor wat „ons" betreft, juist is. Wij willen echter wel de sprekers aan hun woord houden. Indien zij zoomaar op de Hervormde Kerk vaa 1934 toepassen, wat van de „moeder" van Jesaja oO: 1 gezegd wordt, da, n zeggen wij: uw eigen tekstgebruik verteert uw redeneering; want, niet een paar verzen verder op, maar in HETZELFDE vers wordt gezegd: om uw overtredingen IS uw moeder verstooten. De Statenvertaling is hier ook in orde op dit punt. En daarom is er — men vergunne ohs dat te zeggen — toch eigenlijk geen verontschuldiging voor dit herhaalde tekst-misbruik, dat het denken niet scherpt, en daardoor den wil niet activeert.

Leest men intusschen de dingen zoo, als wij hier aangaven, dan blijkt er tusschen Jesaja en Jeremia niet de minste tegenstrijdigheid te zijn. Beiden zeggen: de scheldbrief IS gegeven. Maar beiden zijn het er ook over eens, dat dit geen definitief o o r d e e l is. Want zij roepen beiden het volk tot bekeering. Zoodra de bekeering doorbreekt — Huber, de gansche kudde naar buiten! ~ zoodra men zich van de zonde werkelijk bekeert, wordt de verstootene weer aangenomen. Maar anders ook niet. Het scheidbriefmotief is noch bij Jesaja, noch bij Jeremia een duivels-oorkussen om op te gaan liggen. Noch bij den één, noch bij den ander is het een quietief, om te zeggen: God heeft ons niet verlaten, laten de menschen het ook niet doen. Men zij voorzichtig. Want indien deze gedachten-concatenatie juist zou zijn, zou een ander, die één regel in Jesaja 50:1 verder leest, de „toepassing" kunnen maken, dat het voor iedereen dadelijk plicht was, de Hervormde Kerk te verlaten. God heeft den scheldbrief gegeven, en daarom moeten wij het ook doen... het ware even „logisch". Voelen de sprekers van den Leidschen avond niet, dat zij met hun tekstgebruik op een al , te dmi koord balanoeeren?

Nog op een ander punt zijn voorts de beide profeten het eens. Beiden n.I. weten er van, dat de scheldbrief, die inderdaad gegeven is, zijn oorzaak vond, niet in een bondsverbrekiag, die van 's HEEREN kant zou uitgegaan zijn, doch in de ontrouw van het volk ^elf.

Dat laatste voorop te stellen is dan ook de eenige rechte manier van citeeren van den .bekenden scheidbrief-tekst uit Jesaja. De scheiding is een feit. Het volk is geruïneerd. Het heiligdom ligt verwoest. Maar hoe komt het? Het komt niet daarvan, dat JAHWE veranderd is. Doch het komt daarvandaan, dat het VOLK veranderd is. Het is met heel die echtscheidings-kwestie precies als met de verharding, de verstokkiug, de geestelijke verlating. Wanneer Farao zich verhardt, dan wórdt hij verhard. Wanneer de zondaar zich verstokt, dan wórdt hij verstokt. Wanneer - wij onzerzijds den Heere verlaten, dan wórden wij verlaten. Dit is dan ook de bittere realiteit van. alle „geestelijke verlating". Deze ds hooge werkelijkheid. Niet in dien zin, alsof de geestelijke verlating uit zou gaan van God, den HEERE, als ware Hij willekeurig, tiranniek, ontrouw aan Zijn verhond O neen, legen alle fatalisme in dezen moet gewgiakt worden. Elke theorie over geestelijke verlating, welke zoomaar de reden, de oorzaak van onze eigen dorheid aan den H e e r e toeschrijft, beleedigt Hem. Maar nu moeten we ook de andere zijde van deze medaille laten zien. Juist, omdat onder het treffende beeld van het huwelijk tusschen den „Maker", die ook „Man" geworden is, Jahwe dus, ber eener zijde, en Zijn verbondsvolk ter anderer zijde, de verbonds-relatie geteekend wordt, juist daarom wordt de ontrouw, die van óns zélf uitgegaan is, opgenomen, precies als die verstokking en die verharding, in de voorzienigheid van God, opgenomen in Zijn regeerbeleid. Zoo- komt ler een werkelijkheid van „verlating". Van „overgave" in. den waan. Zoo komt pr ©en toestand, waarbij b.v. de officiëele „oogen" van het volk (Jesaja 29) niet zien, en zijn pfficiêele „ooren" niet hooren, en de zieners niet zien, en — om het nu eens in twintigste-eeuw-taal te zeggen •— de officiëele hoog- en zeergeleerden, de officiëele leiders, niet meer zien, waar het.om__gaat. En vele enkele leden der kerk het ook niet meeir zien,

In zulk een toestand grijpt dan d» profetie in. Om te zeggen tot het volk: .aanschouw het verbond. Maar dan NIET in dézen zin, alsof dat beteekenen zou: blijf ik elk geval vrede houden met den bestaanden toestand. Maar om — vlak andersom — te zeggen: aanschouw het verbond, in dézen totaal anderen zin, dat de kreet der profetie bekeerend tot in het hart doordringt. Bekeerend, niet geruststellend. Prikkelend, niet in slaap wiegend. Bekeer u, bekeer u dadeilijk, en doe de eerste werken; (cn zoo. niet, ik zal uw kandelaar van u weren.

En door dien eisch van bekeering te stellen, laten die profeten dan zien, dat de hoop nog niet afgesneden is voor wie zich inderdaad (bekeert.

Maar ook iets anders geven zij daarin te verstaan. Dit is het: als de bekeering uitblijft, dan zal de inderdaad reeds gegeven scheldbrief van kracht blijven, en de scheiding definitief worden.

De scheldbrief is niet van Jahwe (UITGE­ GAAN. Daarom kan men met berouw , tot Hem terugkeeren. Maar Hij heeft van Zijn kant acte genomen van het feit, dat de bruid harerzijds ontrouw geworden is.

En waar nu het verbond twee partijen heeft^ en dus tweezijdig is, daar kan, — en dit is nu volle ernst —- „de liefde niet van één kant komen. Ze MOET van één kant komen VOOR het huwelijk. In het ONTstaan van het verbond. Maar ze MAG niet van één kant komen TIJDENS het huwelijk. In het BEstaan van het verbond. Daar is het juist een VERBOND voor!! Wij komen hier nog op terug.

Maar vooraf stellen wij dus vast op dit punt van ons betoog, — dat —- zie ook Prof. Ridderbos, blz. 105 — de reden der verstooting niet buiten Israël lag. En daarmede wordt met alle kracht geprotesteerd tegen het quietisme van de Leidsche redevoeringen, dat telkens weer tracht, die klemmende organisatie voor te stellen als een ding, dat van buiten af op de Herv. Kerk gekomen is, en van buiten af die kerk drukt. Neen, , de reden van de ellende, van de door de sprekers zelf geconstateerde ontheiliging, van de ruïneering, Ugt niet buiten de kerk zelf.

En daarom roept het feit vaa deze ruïneering binnen de Icerk tot b e k e e r i n g. „Op , Gods tijd", zeggen de sprekers. Het is ons wel, mits onder één conditie, dat Gods tijd de tijd van lieden is. „Op Gods tijd? " Goed: tie den, ? ; oo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet. N u is het de dag der zaligheid. H e'd e n is het de dag, om „de kudde naar buiten te laten gaan", en elkaar te dwingen tot de „E n t s c h e i d u n g", .... Dr Ivromsigt, inzendster. en Dr Kromsigt, redacteur 1)

Ook inzake dit motief van den scheidbrief moet meu voorts ter dege blijiven letten op het verschil tusschen Oud en Nieuw Testament, waarover wij maai' niet uitgesproken willen raken.

Waut Wiuineer, hetzij .lesaja, hetzij Jeremia, tot „Sion" zeggen, dat het terugkomen mag, omdat (ie Heere het niet geheel heeft losgelaten, ook al zou Sioii dat meenen, (Prof. Ridderbos), dan is in hun tijd dat volk Israël de „Una Sancta" van toen. Het was toen nog een volk, een natie. Want in dat ééne volk, met zijïi vólksbestaad, was de kerk begrepen. Zoolang de Messias nog niet gekomen was, moest, vóór het groote Pinksterfeest, Jacob's vleeschelijk kroost in zijn volk se on he id als kerk bewaard blijven, en moest de stroom des heils door déze bedding loopen.

Maar dit is sedert veranderd.

Wij" zijn thans in het Nieuwe Testament. D.w.z. de „Una Sancta" — is in anderen zin „moeder" —- met oï zoaider scheidbrief, dat doet er thans niet toe — dan zulks onder Israël het geval was.

„Moeder", zeiden we daar.

Naar een zeer bekenden spreekLi'ant immers, waaraan ook wij in onze kringen ons nog maar al te vaak bezondigen, wordt door de Leidsche radioredenaars de „vaderlandsche kerk", het bekende instituut, waaraan men zelf toebehoort, genoemd „onze moeder".

Men moet echter dit beeld van die moeder, precies gelijk de andere beeldspraak van „Sion", van den , , tempel", en wat dies meer zij, lezen naar de orde van de openbarings- en de heilsgeschiedenis.

Wij zullen wel niet de plank misslaan, wanneer wij het vermoeden uitspreken, dat de meeste menschen bij dat beeld van de kerk als , , onz6 moeder" zinspelen op Galaten 4:26.

Maar juist dit feit bevat voor de velen, die in den trant der Leidsche redenaars blijven spreken over „hun" bepaalde kerk als moeder, een waarschuwing. Juist in de omgeving van Galaten 4:26 toch spitst weer alles zich toe om de tegenstelling tusschen Oud en Nieuw Testament. „Onze moeder", — dat begrip mag men zich niet meer indenken op oud-testamentische, doch alleen op nieuw-testamentische wij'ze. De „moeder", die in o u d-testamentisohe kategorieën gedacht wordt, is Hag ar; en deze baart tot dienstbaarheid. Maar de dienstbare moet worden uitgeworpen. Geen enkel kerkinstituut mag meer een analogon zij'n van het Jeruzalem-van-beneden. Dat wil zeggen: geen enkel instituut laat zich Icnechten onder staatsverband, gelijk VROEGER de kerk in het nationaal bestand van het vleeschelijk Israël was ingeweven, óf •-zulk een instituut vindt in het Jeruzalem-vanbenéden zijn symbool, verbeurt in zooverre zijn eerenaam van , , moeder", gooit zijn Sara's-eer weg voor Hagar's-dienst, en onttrekt zijn „moederschap" aan de van den Man in het huwelijk gestelde „gelegenheid des tijds". Dit is weer de echtbreuk; dit is de scheidbrief, door de ontrouwe „vrouw" den „Man" harerzijds gegeven, en door Hem geratifiëerd. Neen, een uiterlijke, lichamelijkzichtbare eenheid in een hiërarchisch-g e c e n t r a - 1 i s e e r d gezag is er niet meer. Want thiuis — in het Nieuwe Verbond — hebben wij als onze moeder te eeren het Jeruzalem-daarb ó ven. En dat is vrij. De dienstmaagd-moeder moet worden uitgeworpen; de moeder-in-vrij'heid is vandaag de ee-uige, die den moedernaam verdient, en het recht heeft, kinderen te baren in vrijheid voor den „Man", en deze kinderen Hem als de Zij'ne op te dragen.

Kinderen baren in vrijheid. Welke vrijheid?

De vrijheid, „waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft". Ons, d.w.z. de eenvoudigen. Ons, d.w.z. de mannen en vrouwen, de asschepoetsters en de vrachtrijders. Ons, die voor het over-, overgroote deel niet in een synode zitten, en dio principieel een synodaal „bestuur" verwerpen. Ons, die misschien hoogstens een ingezonden stuk in de krant schrijven, of die mogehjk niet eens dat klaarspelen. Ons, die publiek of in de eenzaamheid tobben over het vraagstuk van de kerk. Ons allen, betzij wij een speciaal ambt hebben, of niet. Ons allen heeft Christus vrij gemaakt, d.w.z. Hij' heeft ons een ambt geschonken, en zulks dan nieuw-testamentisch: het ambt dor geloovigen. Ja, dat ambt der ge- 1 o o V i g e n, dat in de roerige dagen der Afscheiding telkens weer zij'n réchten hardop noemen en nemen durfde, het viert enkel reeds daardoor de overwinning, die het nieuw-testamentisch kerkbegrip op het oud-fcestamentische behaald heeft.

Dat oud-testamentische kerkbegrip, is het wonder, dat het telkens weer den kop opsteekt juist in de kerk-apologetische reden van Hervoirmde zijde? Van deze zijde wordt telkens van „onze" kerk als „onze moeder" gesproken: ook in Leiden is dit zeer bepaalde instituut , , onze moedeï in geestelijk opzicht" genaamd. Hoe men dat bedoelt blijft vrij onhelder. Maar in elk geval is één ding klaar als de dag: in de vorming van z'ijn kerkbegrip laat hier het doolgeraakte denken zich in oud-testamentische richting afdrijven. Pxecies als b ij de R O' o m s c h e n. Het nieuwtestamentisch kerkbegrip daarentegen weet, dat Jeruzalem-b 6 ven onze moeder is. Dat wij gebaard zij'n tot de vrijheid. Dat daarom niet een opgelegd instituut van boven af , , Moedertje Kerk" over ons spelen kan, zooals de staat volgens een valsch s t a a t s b e g r i p „Vadertje Staat" over ons spelen wil, maar dat, omgekeerd, WIJ, als vrije zonen, v r ij z ij n TOT het i n s t i t u e e r e n, als ONZE daad. Wij zijn niet afhankelijk van een gegeven instituut, ingekleed naar hiërarchisch model, doch WIJ zijn vrij tot het institueeren der kerk, door de vrij'heid, die wij in Christus hebben, en die ons nu niet alleen het „recht", maar ook als vrije zonen den plicht oplegt, in eigen verantwoordelijkheid de kerk te institueeren.

Het oud-testamentisch kerkbegrip stelt voortdurend de gegevenheid van een bepaald institUUT in 't midden, het nieuw-testamentische daarentegen brengt de spanning mee van het onafgebroken God dienen in het vrij en onafhankelijk instil tuEEREN der kerk door het ambt der geloovigen. Het oud-testamentisch kerkbegrip doet net, alsof die „moeder" wat anders is dan de „kinderen". En vandaar komen dan al die gemakkelijke zelfvertroostingen : we krijgen dan van die brave zonen, die al maar door klagen, dat die arme, zieke „moeder" er zoo slecht aarL toe is, maar ze leeft nog, en nu loopen de brave kinderen niet van het ziekbed weg.

De situatie zou VOOT de oppassende oppasserkinderen vleiend zijn.... als we zulk een moeder hadden. Maar zoo- staat het niet. Het eene beeld — we herhalen het — wil gelezen worden in samenhang met het andere. En daarom worde de volle nieuw-testamentische werkelijkheid erkend: die moeder, dat is de gemeenschap der kinderen zelf, dat is niet een macht, die buiten de kinderen staat. Het zoete tafereeltje van de brave jongens bij „moeders" ziekbed is al te zoet. Gij zijt die moeder; een enkel punt van vergelijking moet men niet tot een veel-vlak-van-vergelijking maken; er is nog altijd zekere heer Aristoteles.


1) Zie Persschouw, enkele weken geleden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 maart 1935

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 maart 1935

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken