Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

KERKELIJK LEVEN

16 minuten leestijd

„Verbond" — grondwettig woord voor „alle vleesch". (II.)

Is nu — gelijk wij in ons voorgaande artikel aanwezen — de kring van dit genadeverbond zóó universeel 1) als de menschheid en het leven zelf, dan kan geen enkel volk of ras — om maar niet meer te noemen — definitief zijn lutgesloten van d'ezen kring. Zoolang b.v. alleen maar één volk lot den bondskring behooren zou, is principieel het doel nog niet bereikt. Het genadeverbond kan dan wel „en marche" zijn, d.w.z. op weg naar /ijn vervulling, maar het heeft dan nog niet zijn vervulling verkregen. De afzondering van één volk is inderdaad onder het Oude Testament een feit geweest (Israël), maar zij was nimmer exclusivistisch, wilde slechts middel zijn in een toestand ad interim, teneinde te komen tot die vol- Hield, waarin ook „de heidenen", d.w.z. de andere volken, de „vergelegenen aan de zee", zouden behooren bij het verbond. Dit is dus niet liet abnormale, maar het normale. En Israels privaatbezit als algezonderde natie wordt zelf een abnormaliteit, tenzij het zich richt naar deze norm.

Welnu, slechts als men zóó de verhoudingen ziet tusschen het „werk-" en het genade-verbond, kan men een goede voorstelling zich vormen over het z.g. „n a t u u r verbond".

De naam zelf blijve hier buiten discussie, al zij tin het kort opgemerkt, dat ook deze benaming hebt tot misverstand aanleiding wordt. Men weet, dat onder het natuurverbond doorgaans verstaan wordt de belofte^ welke God na den zondvloed in Noachs tegenwoordigheid gegeven heeft, dat n.l. ivoortaan de aarde niet meer door water zou verdelgd worden; waaraan dan doorgaans als in één adem vastgekoppeld wordt Gods toezegging, dat voortaan lente, zomer, herfst en winter regelmatig elkaar op zouden volgen.

Het woord „verbond" nu heeft in de qualificatie van deze bepaalde toezegging eigenlijk in vergelijking met het „werkverbond" en het „genadeverbond" een eenigszins te sterk accent gekregen; dit springt gemakkelijker in het oog, als men denkt aan het feit, dat het z.g. „natuurverbond" ook de dieren betreft (Aalders, Korte Verkl. H. S. Genesis I, 235) en aan vele andere gevallen, waarin God ook „een verbond" met de aarde, de boomen, den regen, enz. maakt, zonder daarmee ons aanleiding te geven tot een nieuwe paragraaf in de verbondsleer of een nieuwe onderscheiding van weer een ander „verbond". ^} Daarbij komt dan nog, dat het woord „natuur" in den naam „natuurverbond" eenigszins onduideUjk is; want de belofte van het regelmatig wisselen van lente, zomer, herfst en winter raakt feitelijk meer rechtsb-eeks de geschiedenis, dan hetgeen men doorgaans moemt: de „natuur". Eerst gêne, pas daarna en daarom déze.

En, alsof het rijtje van bezwaren nog niet lang genoeg is, de vraag is gewettigd, of dat element, waarop zoo vaak de nadruk valt — de regelmatige successie van lente, zomer, herfst en winter — nu wel inderdaad de kern is van het „natuurverbond" : - we lezen van deze dingen in Genesis 9^ met name de verzen 8—17. Welnu, feitelijk ontbreekt daar het element, dat zoo velen plegen te acoentueeren, n.l. de uitspraak: „voortaan zullen al de dagen der aarde, zaad en oogst, koude len warmte, zomer en winter, dag en nacht, niet ophouden". Deze woorden komen voor niet in Genesis 9, m a a r ia Genesis 8: 22.

Toch hebben wij wel reden, ze zakehjk te beitrekken op het „natuurverbond", en ze tot den inhoud der verbondsbelofte te rekenen. Immers, materieel is wat God aan Noach beloofde in hoofdstuk 9: 8—17 een uitbreiding van Genesis 8: 22. In dienzelfden zin zegt dan ook Prof. Dr G. Ch. Aalders, dat de in Genesis 8:21 vermelde monoloog, d.w.z. het aldaar bedoelde besluit van God (waaronder büjkbaar ook vers 22 valt), zijn bekendmaking kreeg in hoofdstuk 9: 8—17 (Korte Verklaring der H. S., Kampen, Kok, Gen. I, 225).

Nu dient men er op te letten, dat in dit vers niet rechtstreeks gesproken wordt van lente, zomer, herfst en winter, zooals wij hierboven dat deden. Prof. Aalders, a.w. 227, merkt op: „Men heelt verschillende pogingen in 't werk gesteld, om üe woorden j, zaad en oogst, koude en warmtCj zomer en winter", zóó te groepeeren, dat daarin icene bepaalde indeeling van het jaar tot uitdrukking zou komen." Hij voegt echter daaraan toe: „Een overwegend bezwaar tegen iedere poging in deze richting ligt in het feit, dat in één adem met ide overige paren ook „dag en nacht" genoemd •worden. Men zoekt te diep, wanneer men hier 'een systematische indeeling van het jaar vinden 'wil; er wordt eenvoudig in een reeks van verschillende voorbeelden aangegeven dat de normale afwisseling in de natuur zonder onderbreking regelmatig voortgang zal hebben."

Met deze exegetische conclusies zijn wij het volkomen eens. We hebben er trouwens voor ons doel igenoeg aan. Want het is ons juist om die „normale afwisseling in de natuur" te doen.

Om het „n o r m a 1 e".

En ook om de „afwisseling".

N o r m a a 1 is de beloofde afwisseling; daarmee is de regelmatige voortgang der geschiedenis bepaald: de vloed vindt geen herhaling; en, komt ler eens een universeele wereld-katastrofe, dan is die tegelijk het einde der geschiedenis.

Maar voorts: het is toch afwisseling. Lente len zomer — het opgaan. Herfst en winter — het V e r z i u k e n. Lente en zomer, — wasdom. Herf.st en winter — afval. Wassend hcht, wijkend hcht.

Wehiu, zoo is dit „natuurvcrhond" zelf t o t e e n phase van het genade ver bond ge-word, pn Dit was universeel, zocht de menschheid, als de saamvergadering aller waarachtig levenden. En aan den arbeid van die saam-vergadering nu maakt God in het z.g. natuurverbond alles ondergeschikt; heel de „natuur" wordt in den wasdom, den opbouw van Gods werk-van-herstel betrokken.

Maar nu moeten we tenslotte nog één stap verder — met die verbondsgedachte.

Al wat u i t God is, keert tot God; dus óók alle verbond, en alle verbondsgedachte.

Is toch, gelijk wij gezien hebben, het verbond van God met den mensch in den grond der zaak een éénzijdige beschikking in zijn hèr-komst, is het éénzijdig, monopleiirisch, in zijn komen van God, en in zijn voortbestaan door God, dan moet — en ziehier onze laatste opmerking, dan moet het verbond, in zijn drieërlei phase van „werkverbond", „genadeverbond", „natuurverbond", tenslotte zich laten herleiden tot Gods monopleurisch verbond met zichzelf.

De gereformeerde theologie heeft aan deze dingen reeds lang gedacht. Zij was daartoe gepraedestineerd; zij alleen toch wist, wat het zeggen wil: met alles op te klimmen tot God'. En zij heeft, onder den typischen (en hier niet nader op zijn nauwkeurigheid onderzochten) naam: „vrederaad" (pactum salutis), uitdrukking gegeven aan deze in God immanente verbonds-sluiüng, die zij, (den eenen keer minder gelukkig dan den anderen keer), de Schrift lezende, daaruit afleiden kon. Zij heeft onder dit „pactum salutis", onder dit vrêeverbond van God met God^ verstaan een vóór den tijd tusschen Vader, Zoon en Geest van eeuwigheid gestelde bondsrelatie, waarin zich elk der drie goddelijke Personen aan den ander bond in eeuwige toeneiging; opdat elk van deze drie zou doen wat nooflig was 'ter behoudenis van de wereld, ter toebereiding van de bruid van den •drieëenigen God, en tot de groote apo-dosis, de groote weder-heenleiding tot God van al het zijne.

Gelijk men het woord „genade", „gunst", „gratie", „salus", „heil", gebruiken kan in engeren zin (wanneer men ziet op de van zonde geredde wereld), maar ook in ruimeren zin (als men let op de wereld zonder zonde, in welbehagen Idoor God aangenomen), zóó kan men óók een zeker vredeverbond als werkelijkheid erkennen, zelfs a f 5 e d a c h t van de zonde. Al zou de wereld niet gevallen zijn, toch zou de Vader zich aan den Zoon en aan den Geestj de Zoon zich aan den Vader en den Geest, de Geest zich laan den Vader en den Zoon gegeven hebben, om lieel de creatuur te houden in de in het scheppingsplan zelf gestatueerde verbondsverhouding met God. In het leven van de drie personen is God bewogen in zichzelf, gaat Hij uit van, en keert weder tot zichzelf; de drieèenheid beteefcent, dat Hij in hoogste vrijheid en zelfkennis zich om en uit en tot zich zelf beweegt. Reeds daarom ïs e 1 k decreet van God ia den grond een vrêe- A'erbond, een unie-raadslag tusschen deze drie personen, waarin zij zoeken, elk voor zich, elkander èn den ééhen, ongedeelden God. Ook het schepping s-decreet is in den grond zulk een verbondsüecreet van God met God. Van het besluit tot onderhouding en regeering van de wereld geldt hetzelfde: want in het werk der voorzienigheid heeft elk der drie personen zija eigea , , taak". En dus is het niet alleen om der zonde wil, dat er een „pactum salutis" is. Dat in het plan van wereldbesturing en - onderhouding ook de zonde een plaats kreeg, heeft het „pactum salutis" slechts tot het aanbrengen van „heil" in engeren zin de drie personen elkander doen verbinden. Zoo is de vrede-raad in engeren zin, onzerzijds gezien, een bondsbeschikking tusschen Vader, Zoon en Geest, waarbij de één in vrijheid tot den ander zegt: ga, ea Hij gaat; kom, en Hij komt; doe dat, en Hij doet het.

lin deze leer van den vrederaad als eigenlijk gezegde verbondsrelatie tusschen de drie personen, heeft de gereformeerde theologie haar dieptepunt bereikt. Zij heeft daarin voor Gods toegekeerd-zijn tot den kosmos, tot engel en tot mensch, zijn diepsten grond aangewezen.

In de eerste plaats hierom, dat het element der „tweezijdigheid", die in het (di-pleurisch) werk; ; , genade-, natum-verbond hierboven onze aandacht trok, van het pactum salutis nimmer los te denken is.

Maar in de tweede plaats, omdat het dogma van de „tweezijdigheid" van het verbond door dat van den „vrederaad" verhinderd wordt, het laatste woord te nemen, of aeguivalent te worden van dat der éénzijdigheid, die we uit hoofde van Gods souvereine beschikking ook in alle verbond van God met menschen hierboven erkenden.

Opzij geschoven wordt, zoo zeiden wij, het element der „t wee-zijdigheid" niet. Hoe zou het ook kunnen? In het „pactum salutis" zelf komt immers de kosmos voor als aangenomen, en aan te nemen door God zelf? Heel de geschiedenis, met al wat in haar zich roert en beweegt, is in den „vrederaad" te voren voor de aandacht Gods geweest, om daarin eeuwig te blijven.

Maar aan den anderen kant, zoo zeiden wij, wordt in de leer van het „pactum salutis" dit element der twee- zijdigheid van ons verbond met troa '-^^^ i^foprls aan dat der éénzijdigheid gesub ordineerd. Want Oe ; ; \- - po verbondsvreugf'-^welke daarin gesmaakt wordt, an\.' co- en mensch „tweezijdig" elkaar in vrede in deoogen zien, is nimmer laatste handeling. Zij is ialtijd voorlaatste. De laatste verbondslust, de uiterste, is, als de eerste, dat Vader, Zoon en Heilige. Geest elkander in de o ogen zien, verzadigd van elkanders werkelijkheid, eer zij verzadigd werden van hun aller beeld, den mensch.

Interpretatie van Belijdenisschriften.

Men heeft in den laatsten tijd, nu dei onzekeriheid hand aan hand toeneemt, en menigeen, ja zelfs menige groep van christenen, geen geloof meer hecht aan de belijdenisschriften, die men op papier nog heeft, dikwijls naar een uitweg gezocht, om uit de impasse te gerakem. Die uitweg werd dan gevonden in een „interpretatie" der belijdenisschriften. Door zulk eem „interpretatie" trachtte men dan zich schoon te wasschen van de verdenking, dat men de balijdenis officieel bog wel had als herkenningsteeken, doch metterdaad haar verloochende. Alles hing dan maar aan de „interpretatie", ziet u?

Vroeger nu werd dit „interpretatie"-spel eigenlijk alleen maar toegepast op „bizondere" belijdenisschriften, d.w.z. op zulke, welke niet het eigendom van heel de christelijke kerk waren, doch in een kring van belijders in een bepaald land, een bepaalde streek, of van bepaalde confessioneele kleur, gezag hadden.

De acute verdieping van de theologische problemen, en het doordringen tot den wortel der vraagstukken, heeft echter langzamerhand tengevolge gehad, dal men de methode van interpretatie niet langer alleen op die „bizondere", doch ook op de „algemeene" belijdenisschriften moest toepassen; op ziüke dus, welke eigendom waren van de gansche christenheid. B.v. op de Twaalf Artikelen. Wij hebben reeds meer dan eens op bepaalde gevallen gewezen.

De vraag rijst, of dit geoorloofd is.

Ons antwoord is stellig ontkennend. Wij mogen niet terugdeinzen voor de verklaring, dat van de Twaalf Artikelen tegenwoordig, meer dan ooit, een uitspraak gevraagd zal moeten worden met betrekking tot de ingrijpende vraag, wie in ob^ jectieven zin nu nog werkelijk „oecumenische christenen" kunnen heeten, en wie niet.

' De Twaalf Artikelen immers zijn een s y m - bo ol.

Dit woord, hoezeer tegeawoordig naar all© kanten onduidelijk van beteekenis, en hoezeer ook overbelast, heeft althans in dit verband niets anders te beteekenen dan een belijdenisgeschrift.

Een belijdenisgeschrift nu heeft de nadrukkelijk© bedoeling, klaar en ondubbelzinnig te zeggen, wat binnen den deze belijdenis aanvaai-denden kring eener christelijke, kerkelijke, of confessioneel georganiseerde, gemeenschap geloofd wordt. De belijdenisschriften of symbolen zijn onder meer juist opgekomen uit de begeerte, om óók tegenover den tegenstander d u i d e 1 ij k te zeggen, welke gedachten nu eigenlijk wel leefden onder de zich daarin uitsprekende belijders van den Christus. Zij wilden dus naar buiten en naar binnen alle onklare voorstellingen, alle fantastische geruchten dienaangaande Msnijden bij den wortel; en ze konden dit slechts doen, door ondubbelzinnig in een publieke belijdenis te zeggen, wat men geloofde, wat men voor waarheid hield.

Wie dit zich ook maar even indenkt, ziet aari-

stonds in, dat een of andere „in t er p re t a tie" van een symbool eigenlijk een dwaas ondernemen, liet téren daarop in groeps-verband een georganiseerde anomalie, en liet willekeurig z ó é k e n ernaar, terwille van eigen individueele zelf-afgrenzing in den belijders-kring feitelijk een onzedelijke daad is.

Een symbool zelf immers verdraagt een nadere „interpretatie" feitelijk niet; deze slaat liet symbool juist als s y m b o o 1 in het aangezicht. iWlant een belijdenis is, zoo men het nare woord gebruiken wil, zelf „interpretaüe", een nadere verklaring van gevoelens of van vroegere uitspraken.

Is een bepaald belijdenisgeschrift onduidelijk in zijn spreken, dan is dat een gebrek; men moet dan dit gebrek verhelpen door klaardere taal te spreken, en zoo de onldaarheid wèg Ie werken, wij zouden haast zeggen: wèg te „prof e teeren".

Maar het is niet goed, van de eventueele onklaarheid van een symbool te prof i teeren, door van buiten af ingedrongen, vaak zeer uiteenloopende en onderling tegenstrijdige meeningen, die men nu eenmaal leerde voorstaan, met behulp van zulk een „interpretalie"-techniek, quasi aan het symbool te „V e r b i n d e n", en dan hoog op te geven van de onderscheiden interpretatie-m ó g e 1 ij k - heden, die het symbool zelf „toe zou laten". Men handelt zoo niet met een codex juris, noch met een balans, noch zelfs met een diplomatieke acte. „Zélfs" met déze niet; zoodra het haar n.l. inderdaad beliefde, duidelijk en ondubbelzinnig te spreken.

Dit laatste nu — de wil om duidelijk en ondubbelzinnig te spreken — is regel bij een b.piij- .denisgeschrift; uit d", '.---"-'^Lie worat ze juist

ais Koiiiri': : - ge oor en. 'Geldt dit in het algemeen van elk symbool, dan is de afwijzing van dit schuldige werken met „interpretaties" in haar inderdaad wijde consequenties toe te passen over heel de linie van de c h r i s t e 1 ij k g e h e e t e n g e m e e n s c h a p. Juist

nu het de Twaalf Artikelen geldt. Deze toch zijn een z.g. oecumenisch symbool, d.w.z.: zij zijn het eigendom van heel de christelijke kerk. Wie er tegen in gaat, valt daarmee uit het oecumenisch christendom, gelijk het zich zelf historisch bekend gemaakt heeft, weg.

Misschien kan zoo iemand — wat zijn theüsche beschouwingen betreft — het beste kind Gods zijn; wij spreken nu in het afgetrokkene. Demogelijkheid bestaat immers, dat het historische christendom nog nooit God zóó goed verstaan heeft fels hij. Maar, — het beste kind van Gód kan nooit een knoeier blijven onder de ménschen. Mieent hij, dat de Twaalf Artikelen eerlijk uitgelegd, en als een naar eigen bedoelen duidelijke uitspraak opgevat, door hem niet te handihaven zijn, dan zij dit zoo. Maar dan geeft dit [hem nog geen recht, om te knoeien. En aan knoeierij bezondigt hij zich toch, door deze geloofsartikelen als „kapstok" te gebruiken, waarlaan hij, met behulp van — eigen of geleende — filosofische begripstechniek, zijn eigen denkib eel den „ophangen" kan. Hem rest niets anders idan eenvoudig te verklaren, tot het historisch beikiend geworden christendom niet meer te be-

hooren. Mag men dit krachtens overwegingen van doodgewone eerlijkheid van ieder eischenj met des te meer recht kan men dezen eisch stellen aan hen, Üie met de verkondiging van de betrekkelijke waardeloosheid van alle begrips-schematiek heusch meenen, den God der waarheid een dienst te doen. Of ook van hen, die tusschen het christendom en de andere „religies", met name ook voor wat hun karakter als „religie" betreft, of ook voor wat hun leerinhoud aangaat, slechts een gradueel verschil erkennen. Precies zeggen, waar het op Istaat, is ook hier een weldaad; het zuivert de lucht, en legt de vraag, of wij nog christenen zijn, i(lüerkegaard!) met des te meer klem voor het

geweten.

K. S.


1) Universeel, niet universalistisch. Universalistisch is de optelsom, die alle kinderen van Adam, d.w.z. alle bloeddragers van Adam tot Adam wil rekenen, ook al vallen zij uit de oerfunctie van het verbond: amen-zeggen tot den sprekenden God.

De fout van het „-isme", d.w.z. de karikatuur, de valsche redeneering, zit dan niet in het feit, dat men in de som der iimenschheid" het volle getal van Adam wil kunnen tellen. O neen, want het tellen van de keele som, het vasthouden aan den „numerus clausus" hoort bij alle verbond, ook bij het genadeverbond. Het „-isme", het verminken van het probleem ligt hierin, dat men tot Adam rekent wie zijn bloed hebben en zijn aiel, en niet meer. Want Adam is meer dan bloed en ziel. Hij is ambtsdrager naar het Woord en door den Geest, amenzegger tot God. En dwaarom is het universeele van het verbond, dat — gegeven eenmaal Gods vóórbeschikking — uit alle geslacht en taal en volk en natie alle geestelijke kinderen van den eersten Adam, geestelijk gemaakt door Christus, bekwaam zijn tot het koninkrijk Gods. De bloedband bepaalt niet den Geestesband, zooals het universafome wil. Maar de Geestesband erkent van zijn kant den bloedband; dit is het universeele.

2) Prof. Dr G. Ch. Aalders. Korte Verkl. der H. S. Genesis I> blz. 210, 235, wijst er b.v. op, dat het met Noach „gesloten" verbond in Gen. 6: 18, ofschoon het de eerste maal is, dat de bijbel het woord verbond gebruikt, toch een ander is dan dat, Waarvan hoofdstuk 9 spreekt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1935

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1935

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken