Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

PERSSCHOUW

9 minuten leestijd

Over de pers.

Nu — alsof er nog niet genoeg gezegd is na de mislukte actie van den kerkeraad van Den Haag-West — enkele broeders weer beginnen, is het goed te letten op wat Ds I. de Wolff schrijft in „Enschedésche Kb.":

De historie leert ons dat tengevolge van de zonde, de kerk isteeds weer dien weg heeft moeten bewandelen, van opgaan, blinken en verzinken; het proces van lenteweelde, zomertijd, herfstinzajneling en doodsöhen wintertijd.

Maar wee ons, als wij bet erop aan laten komen, en onze roeping verzaken.

Altijd weer zullen we te letten hebben op de vosjes die den wijngaard verderven willen, en ingeslopen dwalingen biJ het eerste begin hebben te stuiten, door polemieik hebben uit te zuiveren, en ook alle krachtig voortwoekerende gifplanten van zondige gewoonten hebben tegen te gaan, waartoe God Zelf aan Zijn kerk ook het middel der tucht heeft geschonken. Terwijl voorts positief de leer moet worden uitgebouwd door verdieping van kennis der Schriften, en, als bet goed is, de kerk ook de kracht zal moeten bezitten, om door gestadige uitbouw der belijdenis haar leden ter bulpe te zijn in den strijd van bet zeer gecompliceerde leven met zijn nieuwere richtingen en toestanden.

Ds J. D. Wielenga schrijft in „Franeker Kerklxjde":

En 'ZOO is er op het oogenblik een campagne tegen Prof. Schüder aan den gang. Niet de eerste, o neen! Men herinnert zich tooh nog wel het besluit van den kerkeraad vein Den Haag- West? En nog wel wat meer. Maar nu, voordat bet jaar 1935 ten onder gaat, moet onze pers, de kerkelijke pers, nog even flink tegen den Kamper professor blazen.

Ja, Den Haag-West. Wonderlijk mysterie. Sommigen — niet de minste broeders uit dien kerkeraad — beweren schriftelijk of in een vergadering: het ging niet tegen Schilder, we waren eigenlijk wat geschrokken van een nieuw weekblad. Anderen — ook ik zelf — letten er op, dat Prof. Besselaar, een der vaders des voorstels — juist door dat blad naar voren geschoven werd. Intusschen vervolgt Ds Wielenga:

Hij kift? Hij hakt? bij enz.? Ja, als men roept: vrede, vrede en geen gevaar! Maar een ander noemt het principieels voorlichting; waarschuwen; de Gereformeerde belüdenis handhaven; op de kleinste afwijking vrijzen, welke tot zooveel grootere moet leiden enz.

Ds A. M. Boeijinga schrijft in „Haarlemsch Kerkblad": Ik was zelf niet van plan over dit heibeltje in ons Kerkblad te schrijven. Doch waar zwijgen mijnerzijds zou kunnen worden uitgelegd als toestemmen, aöht ik me verplicht er tooh iets over te zeggen.

In heel dit reeds maanden lang gaande geding over polem.iök in de pers, moet ik gedurig denken aan de wijze regel: fortiter in re, suaviter in modo, dit is krachtig wat de zaak zelf betreft, doch 1 ief e 1 iJ k wat d© w ij z e aangaat.

Gelukkig de man die deze beide harmonisch weet te verbinden. Deze soort is echter niet dik gezaaid. De meesten hinken over naar één van beide kanten.

En wat nu Prof. Schilder betreft, ook deze is van zekere eenzijdigheid niet vrij te pleiten.

Fluweelen handschoenen heeft hij naast zijn schrijEmachine niet liggen. Ge vraagt uzelf wel eens af: waarde professor, kon uw houding niet een weinig soepeler wezen, uw schrijfwijze niet wat minder scherp, wat milder zijn?

Doch tegelijk voeg ik er bij: velen weten niet wat soms achter de schermen reeds te voren is gepasseerd, waardoor deze schrijver langzamerhand wel geprikkeld moest worden. En als biJ! zich dan laat gaan, is het raak.

Iemand als Prof. Waterink zal zich, in zekere weekgevoeligheid, daardoor vast niet zoo spoedig beleedigd gevoelen. Want ik herinner me onder andere nog diens aanpak van Ds Steen: D'aar was geen centimeter fluweel bij.

En ook Dö Sikkel lijkt me niet zoo spoedig te moeten klagen over de schrijfwijze van Prof. Schilder, die anderen in verdenking zou brengen.

Want minstens even scherp brengt hij de heele RefO'rmatie met één zin in verdenking.

Hij durft toch te schrijven: „dat ik de wekelijksche lezing van dit blad gevaarlijk ga achten".

Intusschen stem ik toe dat Prof. Schilder niet altijd geheel voldoet aan de eisoh van „suaviter in modo".

Maar we kennen de rangorde van waarheid en vrede. Eerst de waarheid en door haar tot vrede. En ten opzichte van de waarheid is hij bijkans altijd „fortiter in re".

Kjacihtig, forsch en onverschrokken dient hij de waarheid gelijk bij die met oprechte ziel ziet. Ik zal er hier maar niet meer van zeggen. Doch als anderen meenen het te moeten opnemen voor degenen die door Prof. Sohilder's sohrijfwijze geraakt zouden zijn en die voor zichzelf maar moeten oordeèlen of aan hun „su, aviter in modo" zich altijd ten opzichte der waarheid paart een „fortiter in re", meen ik voor Prof. Schilder in de boofdzaak van dit geding een goed woord te mogen en te moeten doen.

Ik citeer dit woord, omdat Ds B. van bepaalde kwesties meer weet dan anderen. Voorts voeg ik er aan toe, dat ik den regel: fortiter in re, suaviter in modo... nog nooit juist gevonden heb. „Res" en „modus" gaan samen... bij Dr Kuyper b.v. Na zijn dood heeft men hem in het gedenkboek daarom juist geprezen. En verder: de vraag naar een „zoete, zachte manier" bedoelt meermalen: een niet-preciese, niet-duidelijke manier. Men kan duidelijk spreken in wat men zegt, maar verder, vanwege de liefde, erg veel verzwijgen. Dat z w ij g e n is dan: suaviter, suaviter in modo... Maar in het spreken wordt de manier door de zaak zelf bepaald. „De Wachter" schrijft:

Toen de hoofdredacteur van „De Heraut" indertijd een polemiek had met Prof. Schilder, heeft hij het bekende schrijven van Den Haag-West aangegrepen om te verklaren, dat hij geen polemiek meer zou voeren met Prof. Söhilder. Sommige ondeugende menschen beweerden toen, dat die Haagsohe brief Prof. Kuyper biJK; onder goed gelegen kwam. Dat laat ik nu echter maar gaan! Een gewoon mensoh zou nu denken, dat „De Heraut" over Prof. Schilder zou zwijgen. Niet alzoo „De Heraut".

Even later: Eén vraag sleohts wil ik Prof. Kuyper openlijk stellen: „Welk „effect" denkt U, dat uw opschrift en onderschrift hebben zuUen ten opzichte van den persoon en den arbeid van Prof. Schilder?

Dr van Es van Leeuwarden heeft ook gesdhreven over de polemiek van Prof. Schilder en hij doet dit op een wijze, zóó laag bij den grond, dat ik er niet één woord aan wil verspillen. Alleen wil ik Dr van Es even herinneren aan 't geen indertijd in bet „Geref. Theol. Tijdschrift" geschreven werd over zijn manier van strijdvoeren. Als hij dit nog eens naleest en daannee tot zichzelf inkeert, zal het bem goed doen.

Ds H. J. Heida („Geref. Kbl. Vlaardingen"): Ik heb zelf wel eens brieven gehad van „hoogstaande" heeren en broeders, waarin zij met scherp gestelde bezwaren tot mij Irwamen en intusschen niet konden nalaten op het „zalvende" en toch h.i. onware van een mijner stukjes te wijzen.

Ik twijfel geen oogenblik of, gaf men sommige critici de voUe ruimte, zfj tegen bezwaarde broeders over hun taal en toon en stijl, zouden ingaan en daarmede de stand van zaken niet verbeldei-en, maar vertroebelen.

Ook: Veel ernstiger zijn de dingen zelf, die op den voorgrond treden, de bewegingen, die uit de diepte oprijzen en waarover of heel verschillend wordt geoordeeld, of de meerderheid eerbiedig zwijgt.

Een vraag, die verrijst is steeds: wat behoort de houding der kerken te zijn tegenover onrustbarende bewegingen als G.'D.U. en N.S.B.?

ZiJn de kerken ermee af door te zeggen: op de kerkelijke vergaderingen worden uitsluitend kerkelijke zaken behandeld.

Welnu, de N.S.B, en de G.D.U. zijn geen kerkelijke bewegingen, maar liggen op staatkundig en maatschappelijk terrein.

„De Rotterdammer" schrijft: Het verzoek van Den Haa.g-West heeft in tal van kerkelijke bladen een ongunstige ontvangst gehad en aldra was een polemiek over polemiek-voeren ontbrand.'Dit feit nu was één der bewijzen, dat onder de oppervlakte stroomingen elkander kruisen, die de voUe aandacht verdienen.

Eén der bewijzen. Want er is meer. In de uit deze wrijvingen voortgekomen perspolemiek trad toch duidelijk aan den dag een verschil in opvatting van het Geref. Kerkelijk leven t.o.v. het ernstige tijdsgewricht waarin we leven, en t.o.v. de wereld, die ous omringt. M.a.w.: eenerzijds een oriënteering naar het zoeken van wat samenbindt of behouden kan, ander-

zijds een scherp stelka van de grenzen, waarbinnen de zuiverheid van beginsel naar beste weten gewaarborgd kan worden. Op deze lijn is ook te vinden de reorganisatie in de leiding van de Reformatie en de oprichting van het nieuwe Calvin. "Weekblad; eveneens 'de oprichting der Vereen, voor Calv. Wijsbegeerte.

Deze opmerkingen acht ik hierom van belang, wijl er uit blijkt, dat het heusch geen „kleinigheden" zijn, die aan de orde komen (zooals „De Heraut" thans beweert, hoewel we met de stukken indertijd aantoonden, dat wij in 1935 op bepaalde punten handhaafden wat „De Heraut" vroeger èn waar, èn van groote beteekenis noemde). Overigens deelen we de opvatting van „De Rotterdammer" niet, wanneer het blad schrijft:

Zoowel naar binnen als naar buiten bebben de Geref. Kerken te maken gehad met wrijvingen, welke, losgedacht van de zichtbaxe reacties, een zekere bezorgdheid wekken ten aanzien van de vraag, in hoeverre deze Kerken bestand zullen zijn tegen de spanningen, die haar doortrillen.

Er is geen reden tot z ü 1 k e zorg. Want de eenheid der kerken loopt (zoolang men op de zaken ingaat) geen gevaar. Slechts als het kwaad der synthese en der onduidelijke naamgeving voortvreet, loopt ze gevaar (denk aan de dagen van vóór Assen!). Wie de valse h e synthese stuit, dient dus de eenheid; wie ze laat begaan, helpt ze breken, — op langen termijn.

Dat het volhardend spreken over de dingen vrucht heeft, bewijst... „De Rotterdammer" zelf. Want het doet me groot genoegen, dat ik dezen keer het blad met instemming citeeren kan. Het is ook wel eens anders geweest. Juist d i t artikel bewijst, dat dit orgaan thans erkent, dat de zaken, die in discussie zijn, geen kleinigheden zijn, die men maar liefst stilzwijgend voorbijgaat. Heusch, wij vorderen wel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 januari 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 januari 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken