Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HOOFDARTIKEL

15 minuten leestijd

Het recbt van den oorlog.

VIII.

Wanneer men in de Schrift een antwoord zoekt ) de vraag naar het recht van den oorlog, stuit meu op de moeilijk af te grenzen verhouding lusschen het koninkrijk Gods en de koiiinkrijken der wereld.

Hoe moeilijke kwestie daarmee ook aan de orde wordt gesteld, ze is bij een bespreking van ons vraagstuk niet te omzeilen. Een wat dieper op deze dingen ingaande bespreking heeft tevens het voordeel, dat ze ©enigermate oriënteeren kan over de discussies, die den laatslen tijd hierover onder ons gehouden worden. Gelijk immers bekend, is er ook nauwe samenhang tusschen het standpunt, dat men inneemt in dit opzicht, en het gevoelen, dat men koestert over de algemeene genade. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat Ds S. G. de Sraaf, die in 1931 een korte brochure, in het licht gaf onder den titel: De heilige schrift, hel tainkrijk Gods en de oorlog i), en die daarin de stelling poneerde, dat niet alleen het koninkrijk Gods en de koninkrijken der wereld geen tegenstellingen vormen, maar dat de koninkrijken der wereld in het koninkrijk Gods moeten worden Sdieiligd en daaraan dienstbaar moeten worden, fflkele jaren daarna bij verschillende gelegenheden « op velerlei manier het pleidooi is gaan voeren TOor zijn in die brochure reeds aangestipte be schouwing over de verhouding van algemeene en Mjzondcre genade. ^) Ook buiten de besprekingen W) die door de Graafs werk ïn het leven %i geroepen, valt den laatslen tijd verhoogde be- 'üngstellüig te constateeren voor dit probleem. Men lian hel aantal conferenties, waar tegenwoordig weer de verhouding van kerk en staal aan de orde 'S| niet bijhouden. Ongetwijfeld speelt hier de be- Wgenheid over de nationaal-socialistische en fascistische practijken en beschouwingen een groote '"1; in deze bewogenheid heeft de oecumenisclie faad voor practisch christendom de verhoudingen 'au staat, volk en kerk tot program der besprekingen op haar eerstvolgende conferentie gemaakt. \oorts kan niet ontkend worden, dat de ethiek der ''ialecüsche theologie veler aandacht op dit punt «ericht heeft. 3)

Ieder onder ons dient te weten, dat D r A. '^"yper ons een meeslerlijke conceptie over de Scnieene gratie heeft nagelaten; dat door zijn gejiieeae gralie-leer hij buitengewoon gestimuleerd 'J^elt de belangstelling van christelijk Nederland ^oor niet-kerkelijke aangelegenheden en dat hij jV'Ji voorbeeld van christelijk politiek-voeren als cidei- der antirevolutionaire partij en als minister, ^'* aan deze conceptie heeft geliouden. Dientengevolge leeft onder ons soms de gedachte, dat m'et ^'jö beschouwingen over de verhouding van koi'Wüijk Gods en koninkrijken der wereld het 'aatsti e woord gesproken is.

Diei is het goed, ons door Dr Kuyper zelf te laten zeggen, hoe noodig een nader onderzoek van deze dingen is. Nadat hij geheel had afgewezen de gedachte, alsof God drieëenig aan den verhoogden Christus alle heerschappij had overgedragen; „de voorstelling, die er, het zij met eerbied gezegd, op neerkomt, alsof na Jezus' hemelvaart de Vader zelf opgehouden zou hebben zijn Goddelijke heerschappij uit te oefenen, — een non-activiteit van de Majesteit Gods, als we ons zoo uitdrukken mogen — zoodat dan de creatuur in hemel en op aarde, en dus ook de Overheid op deze wereld, tot op den oordeelsdag niet meer met het Eeuwige Wezen, niet meer met den Drieëenigen God te rekenen had, maar uitsluitend met den Christus" heeft hij ons het navolgend'e voorgehouden: „Het Koningschap van den Verlosser behoort tot die ingewikkelde leerstukken, die nog nimmer scherp genoeg ontleed zijn; en het is opmerkelijk, hoe onze Geloofsbelijdenis wel breed het priesterlijk ambt van den Middelaar uiteenzet; maar over zijn koninklijk ambt nagenoeg zwijgt. Men kan alzoo niet zeggen, dat onze kerken reeds tot genoegzaam helder bewustzijn zijn gekomen omtrent de beteekenis der woorden, dal alle macht in hemel en op aarde aan Jezus is gegeven, omtrent zijn zitten ter rechterhand Gods, en omtrent het overgeven van het koninkrijk aan God en den Vader in de voleinding der eeuwen. Bij het indenken van hetgeen ons hieromtrent geopenbaard is, loopen we telkens gevaar, om in den Middelaar den tweeden Persoon der heilige Drieëenheid uit het oog te verliezen, en tusschen God en zijn Christus een scheiding te maken die niet mag. En toch, juist uit het maken van die ongeoorloofde scheiding kwam zoowel de voorstelling op, dat het regiment Gods thans rustte, en we dus alleen met het regiment van den ChriS'tus zouden te doen hebben, als de even verkeerde denkwijze, die de macht van den Middelaar beperkt tol geestelijke invloeden op de harten der geloovigen. Toejuiching zal daarom elke poging verdienen, die ernaar streeft om dit ingewikkelde leerstuk door nauwkeurig Scliriftonderzoek en dogmatische synthese tot meerder helderheid te brengen. Aan zulk onderzoek bestaat behoefte."'')

En we laten op dit breed — maar misschien niet overbodig — citaat nog een volgen, waarin D r Kuyper de groote lijnen voor deze zaak zegt te trekken: „De Schrift leert ons de ontwikkeling van al wat bestaat in zijn historisch verloop opvallen, als beheerscht door de organische betrekking, waarin het tot ons menschelijk geslacht staat. Ze stelt ons de ontwikkeling van dat menschelijk geslacht voor, als beheerscht door de herboren menschheid. En ze leert ons steeds, dat die herboren mensoliheid op haar beurt beheerscht wordt door den Christus. Zoo culmineert het alles in den persoon des Verlossers, en tegelijk in dien Verlosser als het Woord dat bij God en God was, den Middelaar van het Scheppingswerk. Nu staat de voortgang van deze uitwendige voleinding in nauw verband met den loop der historie in het gemeene leven. Dit geldt zoowel van elk geloovige, als van een Kerk, en van de Kerk in het gemeen. Gelijk er samenhang is tusschen ziel en lichaam, zoo is er ook samenhang tusschen uw uitwendig en uw geestelijk leven, en zoo ook tussclien de ontwikkeling van het Koninlcrijk der hemelen en den voortgang van de historie in de burgerlijke sfeer. Zal nu de geestelijke ontwikkeling, gelijk ze in Cliristus als het Hoofd der Gemeente gewaarborgd is, ongestoord doorgaan, dan moet ook het gemeene leven der wereld zich daarmede in zulk een hapmonie ontwikkelen, dat het alles aan den voortgang van het Koninkrijk der hemelen dienstbaar wordt. Niets in het providentieel bestel kan dan aan het genadewerk van den Heiligen Geest in den weg staan. En het providentieel bestel, èn het geestelijk regiment moeten dan uit één gedachte vloeien, moeten één lijn volgen, moeten steeds hand in hand gaan. Die eenheid moet in Christus gegeven zijn, en daar Hij zelf God is, ook in zijn God-menschelijke energie tot uiting komen. En dat is het nu, wat in het zitten van den Christus aan de Rechterhand Gods beleden wordt. Niets, niets wat voor de voleinding van het Koninkrijk der hemelen onmisbaar is, den Middelaar onthouden. Hem is dit alles gegeven, in hemel en op aarde, geheel onverschillig of het enkele personen dan wel geheele volken, natuurkrachten of engelen betreft: maar altoos in dien zin, dat dit alles instrumenteel dienst doe, om het Koninkrijk der hemelen te doen komen; en wel zoo, dat de Zoon des menschen de uitwerking altoos afbidt van die Almachtigheid Gods, waarin Hij zelf als de Zone Gods deelt."")

In dit trekken der groote lijnen houdt D r Ku y- per zeer consequent het standpunt vast, dat Hij inzake de gemeene gratie voortdurend inneemt. De loop der historie in het gemeene leven, de voortgang van de historie in de burgerlijke sfeer, het gemeene leven der wereld staan op zichzelf naast het koninklijk Gods: wel zijn zij dienstbaar daaraan, instrumenten, die een plaats hebben in de voleinding van dit rijk, onderworpen a, ls ze zijn aan de voorzienige leiding en regeering van den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus; maar voor zoover iets in den hemel of "óp de aarde een historische en zedelijke roeping heeft, die niet onmiddellijk met het verbond' der bijzondere genade in verband staat, is het in het koninkrijk Gods niet opgenomen. De conclusie is, dat Christus wel de koninkrijken der wereld in zijn hand heeft, maar dat anderzijds deze koninkrijken niet in zijn dienst gesteld zijn. De overheid is geen dienaresse van Christus. Ze is dienaresse Gods. De afgeleide souvereiniteil van den staat is niet alleen zelfstandig tegenover de afgeleide souvereiniteit in de kerk, doch ze is ook zelfstandig tegenover Christus. Ze is slechts aan den almachtigen God onderworpen.

Deze visie paste wonderwel bij de historische situatie, in welke Kuyper stond; wellicht ligt daarin mede de reden ervan, dat hij haar zoo gedurig uitbouwde en immer vasthield; vermoedelijk is daar ook de oorzaak te vermoeden van het beslag, dat ze op de geesten legde. K u y p e r s practische strijd toch voor het koninkrijk Gods dwong hem gedurig stelling te nemen tegen een humanistische misvatting van dit koninkrijk. Tot in de reglementen der Ned. Herv. Kerk zag hij deze humanistische beschouwing aan het woord komen, wanneer daar het denkbeeld werd geopperd van de bevordering der belangen van het godsrijk. Het koninkrijk Gods kreeg dan de beteekenis van een rijk van geestelijke motieven. Zooals men spreekt van koningen op het gebied der wetenschap ging men ook spreken van Jezus als den Koning van het rijk der religie en der piëteit, s) In zijn strijd voor kerkherstel had Kuyper, opkomend voor bet Koningschap van Christus in zijn kerk, deze „verwatering, vervluchtighig en verdamping" van het koninkrijk der hemelen af te wijzen. Maar ook had hij in dienzelfden strijd positie te kiezen tegen de volkskerkgedachte. Het eigen karakter van volk en kerk moest worden uiteengezet. Een volkomen scheiding der bronnen van de souvereiniteit in staat en kerk werkte verhelderend. Er ging groote kracht uit van het stellen, dat Christus reëel Koning van Zijn kerk is; van de onverbloemde belijdenis van dit koning- Schap van Christus. En de in Souvereiniteit in eigen kring uitgesproken gedachte, dat er op heel het erf van ons menschelijk leven geen duimbreed is, waarvan de Christus, die aller Souverein is, niet roept: „Mijn!" werd op het levenserf der overheid wat uit het oog verloren, om haar te sterker te kunnen handhaven op het gebied, waar in het verleden aardsclie machten zich souvereiniteit hadden aangematigd, en waarop de volkskerkgedachte nog van rechten van nationale gegevens droomde; op het gebied der kerk.

Toch, de verwerping der gedachte aan een Christocratie wortelt veel - dieper. Soms krijgt men den indruk, dat ze reeds verwerpelijk is, omdat ze inhoudt een op nonactiviteit zetten van de majesteit van den Drieëenigen God.') Doch deze gedachte moet men niet lang vasthouden. Ook het regeeren van Christus in de kerk sluit immers niet in de beschouwing, dat God Drieëenig zich tijdelijk van de heersdiappij over het volk des Ueeren ontdoet. Al houdt het „gezeten ter rechterhand Gods" allereerst in een zich bewijzen als het Hoofd der christelijke kerk, dat sluit ook voor de regeering der kerk in, dat in heel de actie, die nu voorlaan van den Middelaar uitgaat, God Drieëenig zelf de oorspronkelijke Werker is en blijft. ^) Neen, de eigenlijke oorzaak van Kuypers scheiding tusschen koninkrijk Gods en koninkrijken der wereld ligt in zijn conceptie van de algemeene genade.

Onder algemeene genade^) is dan te verslaan dal genadig bestel Gods, waai-door Hij na den val in het paradijs de onverwijlde en volkomen doorwerking van de vernielende kracht der zonde gestuit heeft; een menschelijke samenleving ook in deze zondige wereld mogelijk gemaakt heeft, ook aan het gevallen menschelijk geslacht een voortgaande ontwikkeling verzekerd heeft. Deze algemeene genade beteugelt den Satan, stuit de zonde in het hart van den enkelen mensch, tempert den vloek en doet allerlei bedeelingen ontstaan, als die van kunst en wetenschap, volksen staatsieven. Met name de instelling der overheid is aan haar te danken.

In den wortel is deze algemeene genade te danken aan Christus. De particuliere genade en de gemeene gralie vloeien „uit éénzelfde Bron in God Drieëenig, en bezitten nog in anderen zin haar eenheid in den Christus, die in tweeërlei zin Middelaar is: Middelaar der Schepping als het Eeuwige Woord, en Middelaar der Verlossing door de Vleeschwording." i") Maar het kortweg zeggen, dat zoowel de particuliere als de algemeene genade hun eenheid vinden in den Chiistus leidt zonder nadere toevoeging tot misverstand. Wanneer men hier van den Christus spreken wil bezigt men Zijn naam, geUjk zoo menigmaal geschiedt, om aan te duiden een werking, die niet tot de sfeer van de menschelijke natuur behoort, maar rechtstreeks Goddelijk is. ") Dit spreken is geoorloofd om reden lo. dat de Zone Gods nooit anders dan als tevens de Christus zijnde voorkomt, nodi kan voorkomen, en 2o. dat het Verlossingsmiddelaarschap en het Scheppingsmiddelaarschap in hel Besluit van eeuwigheid af samenvallen, i^)

Dus beteekenl het in verbinding brengen van de algemeene genade met Christus niet, dat haar rechtsgrond in Zijn kruis ligt. Als Kuyper in de Gemeene Gratie, deel II, bl. 121 vv. nagaat, in hoeverre hel leerslidc der algemeene genade ook met de belijdenis omtrent den Christus in leerstellig verband slaat, behandelt hij datgene in het leven van Christus, waarin gemeene gratie zich openbaarde. Hij bespreekt dan Zijn wonen onder ons, onder Israël, en dal Hij is geworden uit een vrouw, en toenam in wijsheid. Zijn levensomgeving en Zijn aanraking mei Rome's rechtsbedeeling vinden behandeling. Doch dat de algemeene genade door en om Christus is, in den zin, waarin de bijzondere genade door en om Hem is, vindt men bij hem niet aangeduid.

Dit leidt ertoe, dat al hetgeen lot de gemeene gralie behoort scherp onderscheiden wordt van de gaven der particuliere genade. Zoodoende worden twee terreinen onderscheiden. Men moet inzien „dat hel terrein der particuliere genade niet enkel bruutweg tegen het booze erf van zonde en ongerechtigheid overslaat, maar dat God door zijn gemeene gralie ook een tusschenerf van burgerlijke gerechtigheid in hel leven riep, en dal het op dit terrein is, dat zijn verloste kinderen voor zijn eer met de wereld moeten wedijveren." i')

Uit deze scheiding van terreinen vloeit dan weer voort de scheiding tusschen het koninkrijlc Gods en de koninkrijken der wereld. Het eerste is het koninkrijk der liefde en hel tweede dat van het recht. Twee bedeelingen slaan in deze wereld naast elkaar; de eene komt uit hel i'ijk der genade; dit vindt in de kerk zijn organisatie; de wet der liefde moet er heerschen, en daarom mag in de kerk nooit sprake zijn van strafj bisschoppelijke paleizen met kerkers zijn een innerlijke tegenstrijdigheid; de doodstraf op kerkelijk terrein ware een absurditeit. Maar de burgerlijke overheid staal op hot terrein der algemeene genade; daar is het recht Gods niet verzoend; daar heerscht hel en wreekt het, ook door doodstraf, i*)

R, S. resse voor het aloude probleem van kerk en staat door de deining, welke het uittreden van Prof. Dr H. Visscher uit de antirevolutionaire partij veroorzaakt. Nader mag in dit verband genoemd worden het referaat van Ds C. v. d. Zaal over het onderwerp op de jongste conferentie van Chr. Geref. predikanten.

4) Kuyper, Gemeente Gratie, III, bl. 271, 276. 5) Idem, bl. 277. 6) Dezelfde, Locus de Magistratu, bl. 184 v. 7) Zie boven aangehaald citaat van III, bt 271. 8) Dezelfde, E Voto, II, bl. 35. 9) Nu eenmaal kwestie rees onder ons over het leerstuk is een duidelijke terminologie geen weelde. Dr V. Hepp leeft. Christelijke Encyclopaedie, Kampen, z.j. II, bt 386, gepleit voor afschaffing van de archaïstische term gemeene gratie, en wil spreken van algemeene genade. Dit algemeen moet dan verstaan worden als communis, eigenlijk gemeenschappelijk; een genade, welker weldaden naar Matth. 5:45 allen menschen gemeenschappelijk zijn. De oude theologie sprak van gratia commun i s, aldus Dr Hepp, en van revelatio generalis (algemeene openbaring) en duidde met generalis de soort der openbaring aan. Tegenover de algemeene genade staat dan ook eigenlijk niet de bijzondere genade (de term gratia specialis komt bij Kuyper wel herhaaldelijk voor in de collegedictaten, maar juist hier is onjuist dictaatopnemen zeer goed mogelijk), maar de particuliere genade. — Dr Kuyper, Gemeene Gratie, III, 142 v. bespreekt ook de terminologie. Hij zegt daar de uitdrukking , , gemeen" juist te hebben gekozen ter vertaling van communis. Het onderscheid tusschen communis en generalis bespreekt hij niet; wel dat tusschen communis en universalis. Hoewel men soms den indruk krijgt, dat algemeene genade en algemeene openbaring niet altijd onderscheiden worden, en in dit geval het letten op het latijn een helder onderscheid aan liet licht brengt, mag wel gezegd, dat wie onder ons over algemeene genade spreekt, zonder verdere omschrijving, ermee weergeeft gratia communis; en dan was toch de archaïstische uitdrukking van Kuyper, die in „gemeen" communis handhaafde, en in „gratie" het onderscheid met de zaligmakende genade, I, 5; III, 143, een prachtgreep.

10) Kuyper, Gemeene Gratie, II, bl. 649. 11) Idem, II, bl. 647. 12) Idem, II, bl. 644. 13) Idem, II, bl 345. 14) Dezelfde, Locus de Magistratu, bl. 345 vv. Over het tweeërlei koninkrijk zie ook aldaar bt 186 vv. Een mooi overzicht van Dr Kuypers gemeene gratie-leer geeft Mr G. M. den Hartogh, art. Onze grondbeginselen, in Schrift en Historie, gedenkboek bij het vijftig-jarig bestaan der georganiseerde antirevolutionaire partij, tweede druk, Kampen, 1929, bl. 49 vv. Nog zij gewezen op de samenvatting van wat in Kuypers boek over de overheid geleerd wordt door Mr H. H. Reyers, Het ambt van de overheid en de gemeene gratie naar Dr Abr. Kuyper, artt. in A. R. Staatk. mndl. uitg. 1935, bl. 333 vv. en 403 vv.


1) Uitgave van Cedem, Sluis; de tweede, vermeerderde druk verscheen 1932.

2) Op een referaat op een studentenbijeenkomst volgde een art. Algemeene en bijzondere genade, Vox Theologica, 7e jaarg. (1935—'36), bl. 67 vv. De bijdrage De genade Gods en de structuur der gansche schepping in Philosophia Reformata, Ie jaarg. (1936) legde een breeden grondslag voor het betoog. Op de conferentie der vereeniging van predikanten van Gereformeerde Kerken in Nederland en op de centrale conferentie van ouderHngen bij de Gereformeerde Kerken in Nederland van dit jaar refereerde hij over het onderwerp.

3) Bovendien ontstond in .onzen kring vernieuwde inte­

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken