Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HOOFDARTIKEL

11 minuten leestijd

Een nieuwe Mwelijksmoraal.

V.

In de voorafgaande artikelen hebben wij gezien om welke reden de drie pijlers, waarop deze nieuwe huwelijksmoraal rust, van ondeugdelijke constructie zijn. In dit laatste artikel willen wij eenigszins breeder uiteenzetten waarom deze moraal, zoowel in haar practische uitwerking als in haar theoretischen opzet, zoo uitermate gevaai-lijk en verderfelijk is te achten.

Wat allereerst haar practijk aangaat, zoo zagen wij reeds, dat inzake oplossing van den huwelijksnood volgens deze nieuwe moraal periodieke onthouding en (of) praeventieve middelen de voorkeur verdienen boven abstinentie.

Reeds hieruit blijkt het gevaarlijke van dit standpunt, om reden middelen worden aangeprezen, die in wezen onchristelijk zijn, moreel verderfelijk en practisch niet geheel onschadelijk, i) Afgezien van het laatste en minst wegende bezwaar, zijn de eerstgenoemde twee bezwaren ieder op zichzelf meer dan voldoende de Neo-Malthusiaansche middelen als contrabande voor de geloovigen te beschouwen. De reUgieuse bezwaren hebben wij destijds 2) uitvoerig uiteengezet, zoodat wij daarover thans verder zuUen zwijgen. De moreele bezwaren komen hoofdzakelijk hierop neer, dat bij het gebruik van voorbehoedmiddelen den menschen reeds van te voren elke zedelijke prikkel om te strijden wordt benomen. Bovendien zuUen velen al heel spoedig om minder ernstige reden of zelfs zonder eenige aanleiding deze middelen gaan gebruiken. Ten slotte is een zijdelingsch, maar niet minder groot, gevaar, dat men niet alleen in het huwelijk, maar ook daarbuiten deze middelen zal gaan toepassen.

Wat de religieuse bezwaren betreft, zoo antwoordt Ds Diepersloot hierop, dat het niet zoo zeer daarop aankomt of genoemde middelen strijdig zijn met de sclieppingsordeningen of de wet Gods als wel op „overweging wat in bepaalde gevallen het meest dienen kan tot bewaring van de huwelijkstrouw". Dat dit tenslotte neerkomt op het zuiver humanistische standpunt, dat ook de Neo- Malüiusianen innemen, is zonder meer duidelijk. Immers ook zij bétoogen, dat de voorbehoedmiddelen voornamelijk hiervoor moeten dienen om de harmonie tusschen man en vrouw te bewaren.

En wat de moreele bezwaren betreft, daarvan woi-dt door Ds Diepersloot met geen enkel woord gerept. Niettemin schijnt hij bewust of onbewust gevoeld te hebben, dat het kiezen van den weg van den minsten weerstand toch niet geheel in den haak is. Althans aan het eind van zijn 'betoog schrijft hij: „Het spreekt dan vanzelf, dat we in „gegeven gevallen nimmer den weg van den min- „sten weerstand kunnen aanraden. Juist om „Christus' wil zullen we de gewetens van hen, „die duur gekocht zijn, tot het uiterste opscher- „pen— N o o i t is het geoorloofd den weg van den „minsten weerstand aldus te bewandelen, dat we „voor het Evangelie een moraal in de plaats stel„len, de waarheid verknoeien en de menschen in „den waan brengen, dat ze op dit gebied wel vol- „maakt zouden kunnen handelen, door absolute „onthouding bijvoorbeeld". Zoo ergens, dan zien we hier met verbijsterende scherpheid en ontstellende klaarheid geteekend wat inderdaad' niet mag, maar wat juist de voorstanders van de nieuwe huwelijksmoraal wel gedaan hebben. Immers zij hebbén de waarheid verknoeid door een valsche tegenstelling tusschen natuur en genade, zij hebben voor het Evangelie een moraal in de plaats gesteld door verwerping van de soliriftuurlijke grondgedachte inzake schepping, zondeval en verlossing en zij hebben de menschen in den waan gebracht, dat b.v. op huwelijksgebied het gebod der liefde meebrengt een gepast gebruik van anticonceptioneele middelen!

Doet dit laatste ons nog eens opnieuw zien hoe verderfelijk deze nieuwe huwelijksmoraal voor de practijk is, de beide eerstgenoemde feiten, te weten de onschriftuurlijke gedachte inzake schepping, zondeval en verlossing en de valsche tegenstelling tusschen wet en evangelie, werpen een helder licht op het gevaarlijke van hun theoretische uitgangspunt. Ja wij aarzelen niet den theoretischen opzet van deze nieuwe huwelijksmoraal het grootste gevaar te noemen. Immers achter deze moraal zit een theologie, die het fundament van de traditioneel-christelijke opvattingen radicaal ondermijnt en daarmede de tot nog toe geldende opvatting eener Christelijke levenshouding aan het wankelen brengt. Deze theologie is de z.g. dialectische theologie, welke zich verzet tegen elke beschouwing, die uit de Heilige Schrift bepaalde richtlijnen, zekere beginselen wil afleiden en zich keert tegen iedereen, die uit den Bijbel Gods wil en Zijn opdinanüën voor het leven wil afleiden. Hoe men tot dit standpunt komt moge de volgende beknopte uiteenzetting van de grondgedachte dezer nieuwe theologische richting trachten duidelijk te maken.

Volgens de dialectische theologie') is er een oneindig groote afstand tusschen God en den mensch, een absolute tegenstrijdigheid tusschen eeuwigheid en tijd. Er bestaat een „grens" tusschen den mensch en God, zoo ook zijn tijd en eeuwigheid niet onderscheiden, maar streng gescheiden. Van uit den mensch is er geen weg tot God. De relatie tusschen mensch en God, tusschen tjjd en eeuwigheid is alleen een relatie van Gericht. God is de Volstrekt Transcendente, de Eeuwige, en de mensch in zijn begrensdheid als eindig en zondig creatuur slaat in de crisis van het Goddelijk oordeel. „God is in den hemel en gij, o mensch, zijt op de aarde", dat is het groote, onophefbare dualisme, dat Barth niet moede wordt te prediken. *) De absolute breuk en tegenspraak tusschen tijd en eeuwigheid', die geen „aanknoopingspunt" tusschen beide, maar slechts een „sprong" van het een in het ander toelaat»), dat is het andere dialectische grondmotief.

Uitgaande van de absolute dialectische spanning tusschen het Eeuwige en het tijdeUjke, gaat de dialectische theologie nu ook een scheiding maken tusschen de Heilige Schrift naar haar tijdelijke gestalte en het Woord Gods als zijn eeuwigen inhoud, tusschen Christus als het „vleesch geworden Woord" en de historische „Jezusfiguur". Deze dialectische instelling brengt op haar beurt mee, dat het „Woord Gods" als een paradox wordt voorgesteld, n.l. als de absolute onverzoenbare tegenstrijdigheid tusschen den eeuwigen inhoud, die nimmer in den tijd kan ingaan en de tijdelijke gestalte, waarvan Gods Openbaring zich bedient. Deze tijdelijke gestalte beantwoordt niet aan den eeuwdgen inhoud, integendeel... weerspreekt haar! Vandaar dat de Heilige Schrift als zoodanig niet duidelijk en klaar is, maar veeleer de verberging, de verduistering van 't eigenlijke „Woord Gods". ^)

Dit dualisme, waarvan heel de dogmatiek' als 't ware doortrokken is, vinden we vanzelfsprekend ook terug in de dialectische ethiek. Het duidelijkst komt dit wel tot uiting in het onderscheid, dat men maakt tusschen „Gebot" en „Gesetz". Het gebod zou op een „hooger" niveau liggen dan de wet, alhoewel niettemin de wet voor het hooren van het gebod van beteekenis is. De wét drukt slechts indirect den wil Gods uit en we hebben haar slechts voorwaardelijk te gehoorzamen. Achter de wet, die niets anders is dan een „raam" voor het leven in de Uefde, ligt het eigenlijke gebieden Gods. Dit dualisme tusschen gebod en wet beheerscht de geheele ethiek en voert tot de dialectische instelling tegenover de ordinantiën.

Hiermede is het gevaarlijke van deze nieuwe theologie genoegzaam duidelijk geworden. Immers het komt daar op neer, dat men een onschriftuurlijke scheiding aanbrengt tusschen God en schepsel, tusschen tijd en eeuwigheid, dat men den vollen zin van het Schriftwoord: „Het Woord is vleesch geworden" niet meer aanvaardt, maar de Heilige Schrift als „tijdelijke gestalte der Godsopenbaring" rustig prijsgeeft aan de „historische critiek", dat men een ondragelijk dualisme het Godsbegrip binnendraagt, waardoor de theologie van het kruis wordt tot een „theologie van de paradox".

Wanneer de zaken aldus staan, zou men de vraag kunnen opwerpen: waarom acht gij deze nieuwe huwelijksmoraal juist voor de Gereformeerden zoo gevaarlijk, daar men in dezen kring de voorbehoedmiddelen toch schuwt en de schriftbeschouwing der dialectische theologie verwerpt? En dan moet het antwoord luiden, dat het uiterst gevaarlijke en verderfelijke van deze moraal mede gelegen is in de w ij z e waarop deze nieuwe theologische richting tot ons komt. Zoowel Dooyeweerd als Brillenburg Wurth wijzen er op, dat de machtige bekoring, die van den arbeid der dialectische theologen uitgaat, voor een groot deel gelegen is in hun behandeling van de brandende ethische vraagstukken van onzen tijd, waarbij zij een open oog toonen voor de realiteit des levens. In 't bijzonder komt dit uit in de dialectische huwelijksethiek, vooral wanneer wij deze huwelijksmoraal eens vergelijken met b.v. de naturalistische. Hoe veel dieper verstaan zij de hooge geestelijkzedelijke waarde van het huwelijk, hoe juist behandelen zij de lichamelijke zijde van het huwelijk, hoe scherp is hun oog voor de huwelijksiwerkelijkheid, die zoo vaak niets anders is dan huwelijksnood, hoe goed hebben zij doorzien den ernst en de macht van de zonde op het gebied van het huwelijk. Als men dan ook de artikelen van Ds Diepersloot doorleest, schijnt hier een zedelijke ernst aan bet woord, die ons op het eerste gezicht bekoren kan. Des te meer is het onbegrijpelijk, dat men, toekomende aan de practijk, met een grenzelooze luchthartigheid over de religieuse, ethische en lichamelijk-geestelijke bezwaren van de voorbehoedmiddelen heenstapt, alleen erkennende het zondige, dat in elk compromis gelegen is.

En dat niet alleen de ethiek, maar ook de dogmatiek der dialectische theologie zooveel aanhangers telt, vindt naar onze meening zijn oorzaak voornamelijk in die geesteshouding van onze dagen, die alles alléén maar problematisch kan zien. Van de probleemstelling gaat nu eenmaal voor velen een machtige bekoring uit en velen berijden met voorliefde het stokpaardje van de paradox.') Op zich zelf beschouwd niet verkeerd', want het leven plaatst ons inderdaad voor veel problemen en ook de religie heeft haar paradoxen. Het komt er echter op aan de problemen, ha ze eerst juist gesteld te hebben, ook op te lossen en de tegen^stellingen, na ze eerst goed gefundeerd te hebben, met elkaar te verzoenen. En hier wringt juist de schoen! Want de dialectisch© theologie stelt niet altijd d© problemen juist en geeft vaak geen oplossing, ze zoekt naar tegenstellingen, die er niet zijn en laat de werkelijke paradoxen onverzoend naast elkaar voortbestaan. Men zou ze kunnen vergelijken met een bouwwerk, waarvan de fim-

damenteu wankel zijn en de kap ontbreekt, of, om een beeld- uit bet rijk dei* tonen be nemen, jriet een septime-accoord, dat onvoldoende is. voorbereid en niet wordt opgelost.

Samenvattend zouden wij onze critiek op de artikelen van Ds Diepersloot aldus kunnen beëindigen; Uitgaande van de foutieve gedachte, dat in het huwelijk de handhaving van het sexueele leven onder alle omstandigheden van primordiaal belang is te achten en van de onjuiste meening, dat veel kinderen in de meeste gevaUen ellende beteekenen, is op de basis van een valsche Scliriftbeschouwing en met terzijdestelling van Gods ordinantiën en geboden een moraal opgebouwd, die onder de vlag van het Evangelie zich als Christelijk aandient, maar in werkelijkheid, gezien doel en werkwijze, volkomen identiek is met bet verderfelijk Neo- Malthusianisme der wereld.

Mogen, mede door deze artikelen, de oogen van velen geopend worden voor de heillooze gevolgen van een denkwijze, die in schijn schriftuurlijk, maar in wezen on-schriftuurlijk is; in schijn juist, maar in werkelijkheid een mengeling van waarheid en leugen.

A. C. D.


1) Aan vele Neo-Malthusiaansche middelen kleven n.l. physieke bezwaren (aanleiding tot ontsteking en dergelijke); psychisch leggen ze den grond voor tal van neurosen.

2) Zie De Reformatie van 15 November 1935.

3) De vraag wat men onder dialectische theologie eigenlijk verstaan moet is moeilijk te beantwoorden. In de tot onze beschikking staande literatuur konden wij althans van deze nieuwe richting in de theologie geen enkele definitie vinden. Afgaande op het woord dialectiek zou men o.i. de dialectische theologie aldus kunnen omschrijven: geleerde strijdkunst om methodisch en met juistheid de godgeleerdheid te beredeneeren. Welnu, strijdvaardig is ze zeker (in ons land b.v. wordt het Barthianisme gebruikt voor een scherpen aanval op het Neo-Calvinisme de artikelen van Ds Diepersloot zijn daarvan mede een sprekend voorbeeld) en geleerd is ze eveneens, maar aan de juistheid hapert wel het een en ander. Uit het vervolg van ons artikel zal dit spoedig genoeg blijken.

4) Dr G. C. Berkouwer: Karl Barth. Kampen, 1936, blz. 24.

5) Prof. Dr H. Dooyeweerd: De wetsbeschouwing in Brunner's boek „Das Gebot und die Ordnungen". A.R. Staatkunde, 1935, blz. 337.

6) Uit dezen gedachtengang is tevens te verklaren waarom de dialectische theologen (vgl. Ds J. J. Buskes: Nationale goederen. De openbaring der verborgenheid. Baarn, 1934, blz. 204) zoo gaarne schermen met de woorden uit Psalm 119: „Verberg uw geboden voor mij niet" (Psalm 119: 19b). Het is eigenaardig merkwaardig en tevens merkwaardig eigenaardig, dat zij, die de kenbaarheid van Gods wil ontkennen, juist uit dezen Psalm een tekst gekozen hebben om hun zienswijze zoogenaamd te staven. Immers de 119de Psalm is niets anders dan een doorloopende verheerlijking van 's Heeren wet, als uitdrukking van Gods heiligen wil. Op allerlei wijze wordt daarin de zegenrijke werkzaamheid van Gods Woord als Zijn openbaring. Zijn onderwijzing en Zijn ordinantie bezongen. In genoemden tekst wordt dan ook niet gebeden of God Zijn tot nog toe verborgen gehouden wil aan ons bekend wil maken, maar gesmeekt uit den nood der ziel om Goddelijke verlichting, om dieper inzicht en vaster inleven in 's Heeren ordinantie.

7) Vgl. Prof. Dr K. Schilder: De paradox in de religie. Bij dichters en schriftgeleerden. Amsterdam, 1927, blz, 65.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken