Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET BOEK VAN DE WEEK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET BOEK VAN DE WEEK

11 minuten leestijd

Een hrochure over het Verbond.

We behoeven hel ons eigenlijk niel eens te laten verzekeren door mensclien die het weten kunnen, dat in den kring onzer kerken vele, en lang niet altijd elkaar harmonisch aanvullende beschouwingen over het verbond leven. Onze synode en onze pers, naar het schijnt ook onze preekstoelen, gewagen er uitdrukkelijk van.

Het is dan ook niet zoozeer om een onverdacht kenner der toestanden in dogmaticis onder ons te citeeren tot staving van wat ieder meelevend kerklid ons kan vertellen, als wel om aan zijn woorden het een en ander vast te knoopen, dat we hier van Prof Hepp de woorden aanhalen (ze zijn van zeer recenten datum): „Daarenboven loopen de opvattingen over het verbond, welke thans worden gehuldigd, zóó door elkaar heen, dat met beoordeeling ervan beter kan worden gewacht tot ze in enkele beddingen zijn saamgevloeid en zich gekristalliseerd zullen hebben." i)

Onze gedachten spinnen aan deze woorden voort en komen tot de slotsom, dat al wat bevorderlijk wezen kan aan deze saamvloeiing in enkele beddingen (is één bedding van te voren uitgesloten? ) en kristallisatie, hartelijke toejuiching verdient. Want heelemaal vanzelf zal het wel niet gaan. Al is het wellicht mogelijk zonder dat een synodaal orgaan van confessioneele leiding ad hoc optreedt.

Daarom juichen wij toe het verschijnen van een hrochure over het verbond, zooals Dr E. D. Kraan die gaf onder den titel Gereformeerde verbondsbeschouwing en op- V oeding. 2)

Deze brochure is in de eerste plaats gesclireven voor de Gereformeerde onderwijsmenschen, die er dan ook al breed over gediscussieerd hebben; maar ze is kennismaking in breeder kring waard. In den geheelen breeden kring van de meelevende en om de zalving met den Heilige tot verlichting huns verstands biddende Gereformeerde menschen, die dan ook de hrochure van a tot z kunnen volgen.

En dan zijn er enkele dingen, die de studie van dit geschrift bijzonder aanbevelenswaardig maken in de huidige situatie van ons kerkelijk leven.

Vooreerst is het feit, dat de auteur niet meer behoort tot de „baardelooze knapen". De Schrift zelf, met haar vermaning aan Timotheüs, dat hij Zich bij zijn optreden zóó gedrage, dat niemand valt over zijn jeugdigheid en daarin aanleiding neemt om hem in zijn ambtswerk geringschattend' te behandelen (I Tim. 4:12) 3) geeft ons het psychologisch belangrijke hiervan te verstaan.

En dan is daar de omstandigheid — die van nog wel zoo veel gewicht is volgens de apostolische vermaning, dat wij degenen die onder ons Iwerken, achten zullen om huns werks wil, I Thess. 5:13 — dat Dr Kraan in dit geschrift een overvloed van prachtig dogma-historisch materiaal geboden heeft. Hij heeft zich terdege rekenschap gegeven van het gevoelen dergenen, die met hem onder de Gereformeerden zich met het vraagstuk van het verbond hebben bezig gehouden en het nog doen.

Hij begint met Zwingli. Deze is, na Iren a e u s, met de vorming van een verbondsleer begonnen. Hij houdt de eenheid van het verbond, ook in zijn verschillende bedeelingen, good vast, maar door zijn sacramentsgedachte, die hem in den doop slechts teeken en geen zegel deed zien, kon de leer des verbonds zich bij hem nog niet ontwikkelen , in haar voUe bijbelsche beteekenis. , (5, 6)

Bij Zwinglis leerling Bul linger begint de idee van de verzegelende kracht van het sacrament te rijpen. Maar hij koestert het ideaal van een volkskerk en zijn scepsis ten aanzien der uitverkiezing bracht hem tot een universalistische opvatting van het verbond. De diepte ging in de breedte te loor. Zoo heeft hij het Remonstrantisme voorbereid. Dit noemt den doop een waarteeken, •waarin de genadewil Gods te onswaart beves- Kgd wordt, die dan zijn beslag krijgt, wanneer wij dit genadig verbond Gods door onze eigen schuld niet vernietigen. (6—8)

C a 1V ij n leidt de ontwikkeling van het denken in het goede spoor. Van hem is de belangrijke onderscheiding tusschen het wezen en de bediening van bet verbond, die Dr Kraan telkens verhelderend naar voren brengt. De een­ bedeeling niet teniet gedaan. God was evenmin wispelturig als de boer die des zomers zijn akker een andere behandeling geeft dan in den winter. Altijd hebben de geloovigen en hun kinderen deel genoten aan het verbond Gods. (8, 9)

Ur sinus en O Ie vi anus, de theologen die beide hun aandeel leverden aan de tot stand koming van onzen catechismus, hebben de gedachten van C a 1V ij n verder onder de 'Gereformeerden gebracht. Ur sinus is een verhondsman bij uitnemendheid. Hij geeft in zijn grooten catechismus op de eerste vraag van den Heidelberger, naar onzen troost in leven en sterven, dit antwoord: „Dat ik door God naar Zijn beeld en tot het eeuwige leven geschapen ben en dat God, nadat ik dit willens in Adam verloren had, uit onmetelijke en onverdiende barmharLigiheid mij in het verbond van Zijn genade heeft opgenomen enz." En Olevianus was het niet minder. Hij vat het verbond op' als een genadeverhouding tusschen God en de uitverkorenen. Ook maakt hij onderscheid tusschen wezen en bediening des verbonds. Hij spreekt uit dat Christus het zaad Abrahams is. En hij legt bij het heele verbond sterken nadruk qp de inlijving of inplanting in Christus. Het gedurig spreken van onzen Catechismus over de inlijving, in Christus (vr. 32, 52, 65, 70, 76) bedoelt dan ook niet aan de bondsrelatie iets af te doen, maar om deze, zoo mogelijk, nog levendiger en reëeler en persoonlijker te maken. Wanneer wij in het verbond zijn, zijn wij ook Christus ingelijfd. (10—12)

Maar de goede lijn werd omgebogen bij den grooten strijder tegen het RemonsLrantisme, Franciscus Gomarus. G omarus maakt de sinds dien gedurig weer naar voren komende tegenstelling tusschen oude en nieuwe bedeeling. De eerste is de tijd van het werkverbond, de tweede die van het genadeverbond. En G om a r u s maakt in het genadeverbond de fatale onderscheiding tusschen een uit- en inwendig verbond. En de doop mag volgens hem bediend worden aan degenen, die nog in het uitwendig verbond zijn en zich aan den godsdienst verbinden, maar dan uit veronderstelling van de conditie, dat zij zich waarlijk bekeeren en Christus gelooven. Zoo worden in het verbond der genade voorwaarden ingedragen. En de doop wordt dan pas zegel van de gerechtigheid des geloofs, als de doopeling aan de voorwaarde voldaan heeft, dat hij zich waarachtig bekeert en den Heere Jezus Christus geloo'vig is geworden. (12, 13)

Deze onderscheiding in het verbond, waarmee Gomarus begonnen is, heeft in de vervalperiode der zeventiende en achttiende eeuw diep doorgewerkt en is tot op heden blijven bestaan. Dit blijkt, wanneer Dr Kraan een oriëntatie in het heden geeft. (13, 20 v.v.)

Dat de schrijver het afbuigen der lijn bij Gomarus diep betreurt, zal den lezers van ons blad, die hem kennen uit zijn artikelen over de Gereformeerde verbondsbeschouwing, over het Schuldbesef, over Vroomheid en over de Buchman-beweging, niet verwonderen.

Wij vermelden nog zijn beschrijving van de bijbelsche idee van het verbond, In Israel gaat God Zelf het verbond aan. Hij stond niet als getuige en wraakoefenaar boven de partijen, maar ging zelf handelend in het verbond in. De Heere van het verbond was tegelijk partij. En het werd bij Gods verbondssluiüng met Zijn volk vastgegelegd, op welke basis men samengekomen was en waartoe men wederzijds zich verplicht had. Dit was het bondswoord of de belofte des verbonds, die daarom meer dan eens in het perfectum (voltooid verleden tijd) werd gesproken, b.v. Gen. 15:18, 17:20; en die ook waar onze vertaling het futurum (onvoltooid toekomende tijd) heeft, evengoed in het praesens (onvoltooid tegenwoordige tijd) overgezet had kunnen zijn. Gen. 17:7. De bondsbelolte kondigt dus niet aan, wat misschien pi zelfs zeker zal gebeuren; maar proclameert, welke verbintenis reeds is aangegaan en wat hieruit nu verder voortvloeien zal. (14)

Ook verdient bijzondere belangstelling de onderscheiding tusschen hèt- verbond zelf, zooals het voor den Heere onzen God bestaat en leeft, en de bediening des verbonds, die Hij aan ons opgedragen heeft en aan bepaalde regels gebonden. Al omvat het verbond zelf alleen de uitverkoornen en al doet de doop alleen zijn verzegelende kracht aan de harten der geloovigen, toch heeft de Heere ons niet tot harte-kenners gemaakt, om onfeilbaar scheiding te kunnen maken tusschen geloof en ongeloof. Er zal daarom in dit opzicht tusschen het verbond zelf en onze bediening ervan altijd een zekere incongfuentie bestaan. Doch wij moeten nu niet de regels voor ons gedrag en den inhoud van ons denken gaan zoeken in wat God voor ons verborgen houdt. En wij mogen nu niet van het verbond iets anders maken dan het voor God is, en Hij het ons geopenbaard heeft. Integendeel hebben we het te zoeken in een süpt ons houden aan de regels die de Heere voor de bediening van het verbond gegeven beeft, opdat deze incongruentie zooveel mogelijk tot een minimum inkrimpe. (17) Dit is van groot belang voor ieder, die het verbond bedienen moet, doopende, preekende, opvoedende. We moeten van de Reformatie leeren, ons standpunt niet te nemen in de practijk. Zij begon niet bdj de bondelingen. Evenmin achtervolgde zij de levensgeschiedenis der doopelingen, om te zien wat daarin van den doop terecht kwam en om dan hieruit te ooncludeeren, wat eigenlijk doop en verbond zijn. (16) Naaidie methode beoordeelen sommige menschen de christelijke scliool; ze tellen de godloochenaars, die haar onderwijs genoten, en verklaren dan het christeUjk onderwijs waardeloos.

Bij do oriëntatie m het heden is voor ons interessant het oordeel dat Dr Kraan geeft over de jongste opzettelijke publicaties over het verbond in onzen kring. Daar is vooreerst de zienswijze door Dr van der Zanden verdedigd, dat de kinderen reeds voor hun wedergeboorte ; met Christus (dit: met Christus zal dan wel den vollen nadruk moeten hebben) in het genadeverbond zijn opgenomen. Dit is dan een' legale betrekking. Doch dan laat men de uitvoering der verkiezing niet met de wedergeboorte (inwendige roeping) aanvangen, maar wordt tusschen de uitvoering der verkiezing en de wedergeboorte iets anders, n.l. het aangaan van een legale betrekking geplaatst. Ook kunnen wij niet, voordat wij Christuis werden ingelijfd en deel kregen aan Zijn persoon, reeds in het bezit gesteld worden van een van Zijn middelaarsweldaden. En hoever strekt de legale bondsbetrekking zich uit? Maakt ze ons werkelijk los uit de bondsgemeenschap met Adam? Zoo ja, dan zijn wij Christus ingeUjfd, en dus wedergeboren. Zoo neen, dan zijn we nog in het werkverbond, en moeten tot op een moment van bekeering als zoodanig worden behandeld. En wordt de aanvankelijke verwezenlijking van het verbond (de legale betrekking), dan bij sommigen later afgebroken? (23—25)

Verder is daar de voorstelling van Dr Sietsina, dat het in het verbond niet gaat over den staat of den toestand van den mensch, maar over zijn ambt. Ook daartegen maakt Dr Kraan bezwaar. Niemand kan goed ambtsdrager zijn, tenzij zijn staat en toestand voor God veranderd zijn. Wij worden christenen genaamd, omdat wij door het geloof lidmaten van Christus en alzoo' Zijner zalving deelachtig zijn, opdat wij aldus onze ambtsroeping niogen bedienen. Bovendien mag niet de zwaarste nadruk gelegd op den eisch tot nieuwe gehoorzaamheid in het verbond. Het hoofdaccent valt niet op wat wij doen, maar op wat God doet en in Christus Jezus gedaan heeft en nu nog uit Hem door den Geest tot stand brengen wil. Het verbond is allereerst testament, vrije wilsbeschikking Gods over ons.

Men merkt dat de brochure rijk van inhoud is. Want ook de Christelijke Gereformeerden en Hervormden, zoowel de mannen van den Gereformeerden Bond als de Confessioneelen, worden besproken.

En als dat alles op de bekende degelijke manier is geschied volgt een breede aanwijzing, hoe in de gereformeerde schoolpractijk het verbond moet worden bediend aan de kinderen der gemeente.

Het is alles zeer de moeite waard.


1) Dreigende deformatie, I. Diagnose, blz. 36.

2) Uitgave De Standaard, Amsterdam, 1936. De brochure heeft gediend als referaat op de jongste jaarvergadering van het Gereformeerd Schoolverband. Tusschen () geven we de bladzijden aan, waar de door ons beknopt weergegeven gedachten van den auteur breeder omschreven zijn.

3) Zoo de exegese van G. Wohlenberg, Die Pastoralbriefe, Leipzig, 1911. Ook de andere exegese, die b.v. Dibelius in Lietzmann's Handbuch geeft, en die zegt, dat de gemeente niet over de som der levensjaren van Timotheüs vallen mag, handhaaft de gedachte, dat hier een psychologische"' ïac'tor van gewicht is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 november 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

HET BOEK VAN DE WEEK

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 november 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken