Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HOOFDARTIKEL

13 minuten leestijd

ült Dr A. Kuyper's aesthetische Studiën.

II.

Wat we in e-en vorig artikel samenlazen uit Het Calvinisme ©n de Kunst (1888), de tien jaren daarna gehouden Stone-lezingen en De gemeene Gratie (in Wietenschap en Kunst) van 1905 worde hier zoo belinopt mogelijk "geresumterd.

Steeds is liet de algemeene Genade, waaruit de kunst wordt verklaard. Aan het recht verstaan daarvan wordt toegeschreven de koninldijke verlossing van de kunst uit knellende kerkelijke banden. De ree tor ale oratie^ die ook aan het aardsche leven op zich zelf waarde toeschrijft, , poneert, dat daarom de gaven der gemeene Gratie (vvaaronder die der ktmst) aan de wereld zijn geschonken, opdat deze op haar wijze althans God verheerlijken moge. De Stone-lezing scheidt de sferen van (niet slechts Kerk^ doch) Religie en Kimst, zij hel' ook, dat ze positieven en direclen invloed ten goede van het Calvinisme op' de toonkimst registreert. De gemeene Gratie heeft wel degelijk waardeerende woorden over voor de kerkelijk georiënteerde kmistuiüng en richt haaibezwaren meer tegen eenzijdige en uitsluitend kerkelijke kunst. Hier wordt tenslotte voor heel het hoogere kunstgebied tweeërlei inspiratie geconstateerd, te weten uit God en uit den Satan.

ïnans rest ons voor de in geding zijnde quaestie (de verhouding van kunst en gemeene Gratie) nog bestudeering van Pro Rege (1912), het werk, dat heel het leven overstraald ziet door de glorie van Christus' Koningschap.

Zal in dit liclat de glans der gemeene Gratie gaan tanen?

We mogen misschien niet te veel afleiden uit de omstandigheid, dat het Register onder „gemieene Gratie" slechts zeer weinig plaatsen noemt. In ieder geval wordt met zooveel woorden gezegd, Üat het bestel Gods, gelijk dit in de historie spreekt, veelal de vreeze Gods van de Kmist gescheiden hield" en „dat de Kunst van meet af een eigen zelfstandige positie innam, en zich aanstonds veel rijker en rijper ontplooid heeft juist bij dat deel van ons geslacht, dat zich van God vervreemdde, dan bij het veel kleiner deel dat aan zijn God vastlileld" (III 524, 525).

Doch dan volgt tot onze verrassing: „De keer door Christus hierin teweeggebracht, komt later ter sprake."

Voor we toe zijn aan de aangekondigde uiteenzetting treffen we een merkwaardige onderscheiding aan: die tusschen het formeel schoone, de uitwendige hulpmiddelen èn innerlijke elementen betreffende welke het schoon produceeren, en het z a k e 1 ij k schoone, dat voortvloeit uit de inspiratie, den geest, die den kimstenaar drijft. Van welke twee dan het formeele schoon voor één en neutraal wordt verklaard („het is volstrekt onzinnig, om in dit opzicht ©en heilige kunst van de onheilige te willen onderscheiden"), terwijl de inspireerende geest gezegd wordt dit neutrale kunstinstrument beurtelings ter heiligheid en ter ongerechtigheid te hanteeren (531). Werd in De gemeene Gratie 't begrip „schoon" slechts in overdrachtelijken zin van toepassing geacht op God en al wat geestelijk is, hier wordt het inspireerende beginsel, dus datgene wat het gehalte van een kimstwerk bepaalt, met beslistheid binnen den kring van het schoone getrokken, zelfs als van hooger orde. Want het fonneele schoon dient. Men gevoelt terstond, welk een zinvol onderdeel deze onderscheiding (welker juistheid we thans niet toetsen) moet vormen in den architectonischen bouw van dit werk. Er is dus een g e e s t e 1 ij k s c h o o n, door 't gees telij k oog te genieten en uilgaande in waardij boven het zinnestreelend schoon der stoffelijke dingen. Nu treedt de Cliristus in het middelpunt als de Volschoone, de Opperkunstenaar. Is het wonder, dat de kunst en de wereld van het schoone haar rijkste ontplooiing vinden in die landen, waar Christus' Kruis is ingedragen? (546—551). Geldt dit reeds voor de Kunst in haar algemeen-menschelijk karakter, als ze nu ook nog Christelijk wordt in engeren zin, zich aan de Evangeliebelijdenis bindend, dan bereikt ze „op meer dan één gebied het hoogste". Dan schept ze „een hoogere bouwkunst, een eigen schildCi-kunst, ecu eigen toonkunst, een eigen dichtkunst, en al wat de Kunst op het heilig terrein, met Christus als middelpunt, gewrocht heeft, staat zelfs in de schatting van ongeloovigen bovenaan" (556). Nu wordt „het huwelijk tusschen kunst en religie" aanmerkelijk gunstiger beoordeeld dan in de vorige geschriften (573).

Van den eeredienst heet het merkwaardig genoeg: „Het juiste midden is hier niet^emakkelijk te vinden. Men moet óf als Rome zijn kracht zoeken in wat stemming teweeg brengt, maar staat daardoor aan de gevaren van creatuurvergoding bloot, èf wel men moet het Schoon in het geestelijke laten uitkomen, maar ontkomt dan weer met aan het gevaar, dat waar dit geestelijke afstompt, dorheid intreedt en de eeredienst zijn hoog karakter verliest" (575).

Ten slotte, en hiermede beëindigen we dit overzicht, verklaart de schrijver, dat „alleen de religie ook de Kunst naar het doel, waartoe ze ons gegeven werd, kan terugroepen en haar dien hoogeren adel kan verleenen waarin haar glans ligt" (579).

tl Zekere evolutie in Kuyper's denken is hier onmiskenbaar. Oorspronkelijk voor innigen band tusschen krnist en religie beducht, zóó dat hij een enkele maal beider sfeer gescheiden houden wil, — ze „stoelen elk op een eigen wortel" — geraakt hij van lieverlede tot de overtuiging, dat de religie het is, die de kunst adeldom en wijding schenken

moet. Toch zullen we goed doen met de materiëele verschillen niet al té zwaar te acoentueeren. Immers van den beginne aan wordt Kuyper niet moede, haast had ik geschreven: te bezingen, welk een eminente beteekenis het Calvinisme voor de Kunst heeft gehad, niet in de laatste plaats door het cor ecclesiae, het leerstuk der Uitverkiezing uit loutere genade. Het is zoo, aan een Calvinistischen kunststijl wil hij niet aan, doch daarvoor

heeft hij zijn redenen. In de rectorale oratie gewaagt hij van een gekerstende (nochtans niet kerkelijke) kunst, welke hij het bestaansrecht geenszins wil ontzeggen (28, 29). De wijze van uitdrukken is karakteristiek, even karakteristiek als in Het Calvinisme (en de Kunst), waar hij de verhouding aldus stelt: „er is een Religie die niet stü kan zitten eer ze heel het meuschelijk leven doordrongen heeft. Maar zoo dan ook een Kunst die geen enkel terrein des levens versmaadt". Op die wijze wordt „het heilig gebied der Religie" niet aan de Kunst „ontroofd" (159).

Acht vrij de casuspositie hier onjuist geteekend, maar erken, dat de programmatische scheiding der sferen van religie en kunst niet dan met belang­ rijk voorbehoud wordt in praktijk gebracht.

Wat Calvinistische poëzie is, zette de rectorale oratie in het glorierijkste licht.

En wat De gemeene Gratie betreft, weliswaar wordt de voorstelling indien al niet gegeven, dan toch gewekt, dat religie en kunst tvv^ee min' of meer gelijkwaardige grootmachten zijn, tusschen welke de band gewaarborgd ligt „in beider ideaal karakter" (50), zoodat de eigenlijk onder gemeene Gratie vallende kunst ook het heilige tot haar object kiezen „mag", maar hier staat tegenover ten eerste, dat de antithese op artistiek terrein met niets sparende scherpte wordt geproclameerd; en voorts, dat in het tweede deel van het driebandige werk even goed als in Pro Rege de ongeëvenaarde invloed van het Christendom pp de cultuur (derhalve ook op de Kunst) wordt erkend (241 vlg.).

Men ontkomt niet aan den indruk van zekere onvastheid en schommeling, ja tegenstrijdigheid, in Kuyper's denkbeelden over deze stof. Waaraan het toe te schrijven, dat niet één der genoemde studiën, althans niet van de eerste drie, een ineensluitend geheel vormt?

Drie gedachten of reeksen van gedachten blijft Kuypsr van het begin af trouw.

In de eerste plaats is er zijn echt Calvinistische weerzin tegen iedere artistieke overwoekering van het geestelijke cultus-schoon; in de tweede plaats leeft bij hem de evenzeer Calvinistische overtuiging, die de kunst een taak en roeping wijst in het volle menschenleven; ten slotte is hem de religie zoo absoluut universeel en albeheerschend, dat God in letterlijk alle menschenleven eere moet ontvangen.

Deze trias van gedachten nu tracht hij aaneen te koppelen in zijn gemeene Gratie-constructie, Of dit hem gelukt is, meen ik in twijfel te moeten trekken. Niet alsof de gemeene GraÜe-gedacht© op zichzelf on-Scliriftuurlijk zou zijn.

Dat Gods vrijmacht de kinderen der wereld meest met grooter zin voor kunst begiftigt dan Zijn kinderen, ook in dezen maar zelden „edelen", staaft de dagelijksche ervaring. Daarentegen hebben wereldsch kunstgenie en wereldsche kunstzin schatten van schoonheid, ook in Gods beoordeeling, in het aanzijn geroepen en bewaard. De Schrift bestrijdt dit in geenen deele. Want dat de kunstliefde i) der wereld bij God geen milder oordeel zal ontmoeten dan de aardsche wijsheid, di© hij dwaas heeft gemaakt, is wel waar, maar werpt Ihet bovenstaande niet omver. Voor ons doel is van beteekenis wat Calvijn bij de aangeduide plaats uit den eersten Brief aan Corintlie aanteekent. Kort samengevat komt het hierop neer: zoo weinig is de wereldsdhe wetenschap te verachten, dat zij het is, die den mensch tot mensch maakt en voor het leven de rijkste vruchten afwerpt. Paulus verwerpt haar dan ook niet zonder meer (simpliciter), maar als middel ter verwerving van geestelijke wijsheid. En dan besluit Calvijn aldus: „Ja zelfs zal ook dit naar waarheid worden opgemerkt, dat in zekeren zin deze treffelijke gaven Gods, als daar zijn talent, scherpzinnigheid, de wetenschappen, kennis der talen, ontwijd worden, zoo dikwijls ze in handen vallen van goddeloozen".

Anders gezegd: volgens Calvijn is voor normaal en Gode verheerlijkend gebruik van wetenschappelijke gaven onmisbaar ware Christenzin.

In het licht hiervan komt het mij niet juist voor, dat Kuyper eenvoudigweg de kunst verwijst naar het rijk der gemeene Gratie, als vond ze daar pas haar eigenlijk tehuis. Buiten zonde was een niet religieus gestempelde kunstontwikkeling ©n - ontplooiing ondenkbaar geweest. En religieus gestempeld, naar Gods Woord, moet ze weer worden, zal ze Gode behagen en haar hooge wereldroeping

vervullen. ^) Kiiyper vervalt, indien ik goed zie, in. deze fout, dat hij de grenzen van de particuliere Genade en die van de Kerk geneigd is te laten samenvallen; dat hij de directe inwerking der particuliere Genade op krachten, die genieene Gratie in stand lioudt, voorbijziet. "Want al is het, dat de eerste haar haard en middelpunt lieeft in Kerk, haar arbeidsterrein is oneindig wijder. Wiat God in den kerkdienst van ons als religieuitocfening Axaagl, is geen cultuur 'zoo denken de Heidenen), maar wel eischt hij in het cultuurleven den inzet van gansch de religieuze persoonlijkheid in ©erhiediging van Zijn ordinantiën.

Niemand heeft ons deze dingen beter geleerd dan Kuyper zelf. Met name in het tweede deel van De g e m e e n e Gratie. Het 33ste hoofdstuk bespreekt de onderscheiding tusschen de Kerk als instituut en als organisme. In het voorafgaande was die invloed der particuliere Genade behandeld, welke, op den breeden kring van het volk' uitgaande, wel tot verheffing, maar niet tot zaligheid leidt, bij dusgenaamd Christelijke natiën. Hier echter, waar van de Kerk als organisme sprake is, herinnert Mj aan de organische banden die de leden van Christus' lichaam verbinden: „Uit welken het geheele lichaam, bekwamelijk samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde'' ^). Niet alleen aan de leden zelf vau het mystieke lichaam, ook aan die samenvoegselen of organische verbindingen moeten we onze aandacht schenken. Bij voorbeeld „de menschelijke taal in zoover zij den doop van het Christendom ondergaan heeft". Immers „al verstomden alle stemmen, nog zou de taal in het gedrukte schrift den vollen rijkdom van de Christelijke religie voor ons bewaren". Behalve de taal zijn er nog andere verbindingen „die door de Christelijke religie worden aangegrepen, om het ineengroeien van Lichaam en leden te bevorderen", o.a. de levensuiüngen in bedrijf, kunst en wetenschap" (spatieering van mij, D.). Deze gekerstende samenvoegselen mogen al zekeren dienst verrichten in de gemeene Gratie, in de propaganda der particuliere genade vinden ze „haar oorspronkelijk en eerst aangewezen doel".

Of de bewuste Schriftuurplaats inderdaad zoo dient te worden geëxegetiseerd, doet voor ons doel minder ter zaJce. Des te meer de juistere waardeering der particuliere Genade in haar beteekenis voor de kunst.

Of het goed gezien is kunsttalenten, welke een kind Gods zijn toebetrouwd om ze Hem te wijden, toe te schrijven aan gemeene Gratie, laat ik rusten. Doch zooveel is zeker: als dit kind van God zijn talenten op woeker zet, verlicht en gedreven door Woord en Geest, dan werkt in zijn spel-enarbeid, welke kunstbeoefening heet, particuliere Genade en sticht het verwarring van haar te spreken als een zaak van gemeene Gratie.

Dit is geen quaestie van louter naamgeving. Veeleer wreekt het zich naar twee zijden: het vertroebelt den blik in de eerste plaats voor die •roeping lot en de eischen van een specifiek-Christelijke"kunst; in de tweede plaals voor de ook artistieke ontwijding der kunslgaven, welke den goddeloozen zijn toegevallen, om met Calvijn t© spreken.

Nu is er geen sprake meer van „het heilig gebied der Religie" te bewaren voor do kunst door naast de heel het leven doordringende religie een kunst te stellen „die geen enkel terrein des levens versmaadt" zonder nochtans „op den stam des geloofs" Ie worden geënt.*). Neen, de religie is , albeheerschend en dan pas vindt de kimst haar bestemming en haar gezonde ontplooiing, .als zij nederig dienen wil. Nu is het ook niet langer noodig de gedachte van een Calvinistischen kunststijl te bestrijden, met (onverklaai-bare) uitzondering van de poëzie. ^). Alle kunsten zullen bij krachtige werldng van het Calvinistisch zuurdeeg daai'vaa den specifieken invloed toonen. Met dien verstande, dat deze invloed zich versterlit of afneemt, naarmate de kunst het centrum des levens nadert of zich daarvan verwijdert. Het staat daarmede in zekeren zin als met de wetenschapi.

Al wat Kuyper aanvoert om de zijdelingsche inwerking van het Calvinisme op het kunstleven te bewijzen laat zich even goed en beter, naar het ons voorkomt, waardeeren als factoren van onmiddellijke stijlvorming. Heeft inderdaad de leer der Praedeslinatie, de democratische zin van het Calvinisme en zooveel meer een eigen kunslschool gesticht, dan is in haar een Calvinistische kunststijl geboren. Als Kuyper daar niet aan wilde, is dit m.i. voor een niet onbelangrijk deel te verklaren uit overspanning van de gemeene Gratie-gedachte. "Wijkt deze in Pro Rege naar den achtergrond, dan gaat de kunst haar ware plaats hernemen.

Eigenaardig genoeg brengt zijn gewijzigd inzicht lin de verhouding van kunst en religie hem daar voor een oogenbliks) tot geringere beslistbeid in­ zake de heerschappij van 't geestelijk scboon in kerk en eeredienst. Maar belangrijker is dit: de daar aangebrachte onderscheiding tussdhen een neutraal formeel en een principieel bepaald geestelijk schoon gaat, wat de eerste helft betreft, niet op en lijdt nog aan zekere halfheid. Zoodra de inspireerende geest een bepaalden graad van doorwerkende kracht heeft bereikt, wordt daardoor ook de j, vorm" aangegrepen. Een krachtige tijdgeest drukt zich uit in eigen vormen. "We kunnen hierop thans niet ingaan, maar herinneren alleen aan wat Kuyper zelf over de taal ver krach ting van het • Impressionisme zeide'). Een bewijs dat ook voor hem het „formeele" schoon kan omslaan in zijn tegendeel.

Zoo zijn bij Kuyper zelf de correcties te vinden op onheldere en niet houdbare voorstelLingen, die men met een beroep op hem zou kunnen verdedigen.

In een volgend artikel zien we, hoe hij zich de verhouding van het schoone en het goede (een o.a. voor de litteratuurbeschouwing fundamenteel vraagstuk) heeft ingedacht op verschillende tijdstippen van zijn werkzaamheid.


1) Zie voor het spraakgebruik der H. Schrift Ex. 31:3: „En ik heb hem vervuld met den Geest Gods, met imjsheid en met verstand en met wetenschap, namelijk in alle handwerk."

2) Cf. Schilder, Wat is de Hemel? pg. 285 vlg.

3) Eph. 4 : 16.

4) Zie Het Calvinisme (en de Kunst), 158 en 159.

5) Aldus in de rectorale oratie. De Stone-lezing werpt het over een anderen boeg en neemt stijl in den zin van een alomvattenden kunststijl „die op alle kunsten saam één concentrisch stempel drukt" (143). Dan valt het bewijs, dat het Calvinisme geen eigen stijl heeft geschapen, gemakkelijker te leveren.

6) Voor een oogenblik; men zie slechts pg. 576.

7) Bij S. Anema, Moderne Kunst en Ontaarding, 169.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken