Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HOOFDARTIKEL

15 minuten leestijd

üit Dr A. Kuyper's aesthetische Studiën.

III.

In dit artikel stellen we ons voor te onderzoeken, wat Kuyper's denkbeelden zijn Oiver de verhouding van het schoon en het goede. Wederom zullen we veel moeten citeeren. ..Jïn wel allereerst uit Het Calvinisme en de Kunst. De kunst en het sohoone moeten worden „thuisgebracht onder het hoogere en rijkere begrip van H e er lij kheid. „Heerlijk" is God zelf, en dit heerlijk-zijn bestond voor God reeds eer de wereld was; want Clmstus bidt: „Verheerliik Mij met de heerlijkheid'^ die Ik bij U had, eer de wereld was". Toch staat ze, ook eer die schepping er is, met de schepping die komen zou, in verband, en drukt in God die majesteit uit, waardoor Hij zijn goddelijke volkomenheid met den hoogsten luister in een wereld kan doen uitstralen, om ze uit die wereld aan zichzelf terug te kaatsen. Van Gods onzienlijkheid, zegt Paulus, is in de schepselen tweeërlei kennelijk: vooreerst zijn „eeuwige kracht", waardoor Hij ze schiep en in stand houdt; maar ook ten andere zijn „goddelijkheid" of Getóttjg; en deze Oeiórrjg is nu juist het stempel van goddfelijke volkomenheid, dat, op creatuurhjke wijs, in elk schepsel naar zijn mate en zijn aard kan afgedrukt Deze OeiÓTi]? nu straalt God uit zoowel in de geestelijke als in de stoffelijke sfeer van zijn schepping Heerlijkheid blinkt in het nieuwe Jeruzalem, maar heerlijk heet ook de geestelijke kerk, die vlek noch rimpel heeft. En beide liggen vereenigd in wat de Psalmist roemt: „Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende!" Niet alleen ziel en lichaam kan schoon zijn, maar ook de p e r s o o n, die beide als orgaan bezit; en heerlijk eveneens de gedachte en het woord, de stemming en de daad, waarin zijn persoonlijkheid zich afspiegelt.

Staat nu het stempel van deze QsiÓTrjg op eenig schepsel (altoos naar zijn aard en mate) zoo extensief als intensief zuiver afgedrukt, dan is zulk een schepsel-ver he er lij kt. Is deze doordringing, dank zij gebrekkige ontwikkeling, nog onvolkomen, dan kan er wel Schoonheid blinken, maar nog geen Heerlijkheid." (10 vlg.)

Op pag. 62 voegt hij hieraan toe in een noot, dat „de & eiÓTt]c niet op Gods wijsheid, op Zijn goederlierenheid enz. ziet, maar wel terdege op dat stempel van het goddelijke, dat èn in de geestelijke èn in de stoffelijke sfeer door den Maker opi al zijn maaksel gedrukt is. Dus ook zijn wijsheid, zijn goedertierenheid, enz., maar in alle deze niet het wijze, het goede op zichzelf, maar het goddelijke stempel der volkomenheid, dat erin blinkt."

En op pag. 64: „Het grondverschil tusschen het heerlijke en schoon e is, dat wij het heerlijke passief ondergaan, terwijl wij het schoone actief in ons opnemen. Vandaar dat al het hemelsche voor ons in onzen gezonken toestand niet schoon, maar h e e r 1 ij k is. Verplaatsen we ons echter in den toestand, waarin eens die hemel onze wereld zal zijn, dan wordt het denkbeeld van schoon ook op de hemelsche dingen toepasselijk."

Om te resumeeren: het schoone is voor Kuyper daar waar de goddelijke volkomenheid, zij het op onvolkomen wijze, doorschijnt. Ontmoet dit doorschijnen geenerlei tegenstand meer, dan wordt gesproken van het heerlijke. Een niet al te streng te nemen onderscheiding; want het sdioone wordt onder het begrip van heerlijkheid opgenomen, van Sions volkomenheid der schoonheid is sprake en, onder verwijzing naar verscheidene Scliriftuurplaatsen (in noot 28), bezigt Kuyper het woord heerlijk ook in toepassing op wat den mensch hier op aarde eigen kan zijn.

Het heerlijke of, zooals we nu ook wel mogen zeggen, het schoone in God is dus die goddelijke volkomenheid, welke Zijne deugden, waaronder Zijn goedheid, glans verleent. Eveneens in den mensch is het goede schoon. Nu wordt de band tusschen ethiek en kunst aldus gelegd: „Het ethische moment moet bij de kunst niet als toom voor het te wilde paard dienst doen, maar uit de kunstidee zelve moet ge den eiscli .afleiden, dat eenzijdig zinnenschoon, waar geen schoon der ziel, en geen schoon in de verbinding tusschen lichaam en ziel, aan beantwoordt, reeds uit aesthetis ch oogpunt onbevredigd laat. Schoon, dat niet in een deel, maar harmonieus als schoon van het geheel uitkomt, kan nooit met het ethisch moment in strijd geraken." (aant. 59).

Het Calvinisme (en de Kunst), de Stonelezing, stelt niet alleen de kunst naast de religie, maar ook het intellectueele en het ethische leven. Vier takken, zelfstandig mt den stam van het leven opkomende! (144).

De opvatting van de „goddelijkheid" als „de zuivere harmonie, de zuivere evenredigheid van bet schoone" keert hier terug (151).

In Griekenland heeft het kunstleven zijn zelfopenbaring gevonden; deze blijft „klassiek, to ongevend en voor altoos heerschend" (157). Zijdelings althans heeft deze opmerking voor ons probleem belang: aesthetisch verderf in de Grieksche, „innerlijk geheel verkankerde wereld" (vgl. pag. 152) schijnt Kuyper niet zoozeer te bespeuren.

Daarentegeai: „te volbloedige kunstzin, die de oonsciênüe in bloedarmoede doet verbleeken, (loopt) op een onschoone disharmonie uit die ons het xa^oxayaêog doet ontglippen" (147).

De nevenstelling van het ethische en het aesthetische leven trekt hier zeer de aandacht, al wordt tn het laatste citaat blijkbaar weer beidie» onafscheidelijkheid aangenomen.

Gaan we over tot De gemeene Gratie (in iWietenschap en Kunst). Eerst spreekt de auteur onbevangen over „geestelijke schoonheid" in het godsdienstig leven en van den Reformatorischen eeredienst „die zijn kracht alleen zoekt in het geestelijk schoon der ziel" (48).

„In haar hoogere sferen moet (de Kunst) wel tot het verhevene opklimmen (volgens de reotorale oratie een bijzondere vorm der goddelijke volkoheid), en in dat verhevene ontmoet ze vanzelf immers de wonderen der religie, neemt die in zich op, en reproduceert ze in kunstvorm" (50).

Het schoon heet van God onafscheidelijk. Gode is immers de heer lij kheid (een hoogere graad van het Schoone) tot in eeuwigheid (56). Onder het schoone is te verstaan de „Goddelijkheid" (61). Dit alles heriimert sterk aan Het Calvinisme en de Kunst.

Maar nu het bevreemdende: even later wordt de vraag, of het Schoone al dan niet ook in het geestelijke bestaat, aldus beantwoord: „Het spraakgebruik neemt dit metterdaad aan. Men spreekt van een schoon karakter, van een schoone daad, van een schoone gedachte, van een schoone ziel zelfs. En in dien zin zou het dus allerminst ongerijmd zijn, te zeggen, dat God schoon is. Toch zij men hiermede voorzichtig. Vroeger gebruikte men onder Christenen zulk een uitdrukMng nimmer, en ze kwam op uit de Platonische school, die aan Jiet begrip van Schoon een geestalijke duiding gaf, door te spreken over het dusgenaamde kalokagathon, d.i. van het „schoon-goede... Do geschapen wereld vertoont ons nu eenmaal de tegenstelling tusschen het zichtbare en het onzienlijke, tusschen het stoffelijke en het geestelijke, , en bij elk dezer twee komen eigenaardige hoedanigheden voor: de stof is zwaar, licht, hard of soepel, en zoo ook schoon of leelijk; bet geestelijke daarentegen is goed', verstandig, vernuftig, zondig ol heilig.... Het Schoon en het Heerlijk blijven... eigenschappen van de uitwendige versdiijning der dingen, die slechts overdrachtelijk op den geest kunnen worden toegepast.... Alleen van de dichtkunst zou men kunnen zeggen, dat ^j louter geestelijk is, doch ook dit berust op misverstand. Het woord is de stof waarmee de poëzie schept, en het woord is op zich zelf niet geestelijk, maar het stoffelijk kleed van de g e e s t e 1 ij k e gedachte" (62—64).

Hiermede verloochent Kuyper cte rectorale oratie. Men ziet het reeds uit de boven gegeven aanhalingen; waaraan we echter, om het contrast te markeeren, nog een tweetal toevoiegee, aan dezelfde rede ontleend: „God is een Geest; zoolang men dus het schoon blijft binden aan de waarneming der zinnen, sluiten de begrippen van God en Schoon elkaar uit; en wordt èf de aestheticus ongodsdienstig, óf de godsdienstige mensch een vijand van het schoone" Als zelfs van een predikatie als vaste term het predicaat „mooi" geldt, en men bij een gebed zelfs van „schoon gebeden" spreekt, dan is dit geen fout, maar een zeer hooge opvatting van onze dorst ook naar geestelijke harmonie" (73).

Of de vroegere dan wel de latere denkwijze onze voorkeur verdient, komt thans nog niet aan de orde. Genoeg, zoo vaststaat, dat Kuyper op een uitermate belangrijk punt met zijn eerste opvattingen radicaal heeft gebroken.

Pro Reg e (deel III) herinnert, als de vorige studiën, aan Rom. 1:20.

De onderscheiding van „schoon" en „heerlijk" vinden we terug (494 vlg.), met de verduidelijking, dat het „niets dan een taaionderscheiding" is voor verschillende gradaüën van eenzelfde zaak" _(515).

Zoo blijft dus het schoorLheidsbegrip van toepassing op den geest en wat des geestes is. "Vandaar, dat een, voor het oog afstootende, dierofferande „heerlijk en schoon" wordt gemaakt door de liefde van den offeraar. Schoonheid was er van den beginne in het eeuwige Woord, dat Gods vermakingen vormde „toen er nog niets creatuurlijks bestond, en het schoone zich dus nog niet aan eenig stoffelijk iets kon hechten" (502 vlg.).

We realiseeren ons, dat dit een streep haalt door de kritiek van De gemeen© Gratie! Des te meer bevreemdt het ons, dat tenslotte toch weer het goede en het schoone worden gezien als tot twee geheel verschillende sferen behoorend: „In de wereld van het Schoon© is met ons denken niets mt te richten, en met de wet van het zedelijke komt de Sclioonheidskunst zelfs gedurig in botsing. De drie sferen van het Ware, Goede en Schoone mogen daarom naast elkaar liggen, en soms ten deele over elkaar heenschuiven, maar toch blijven ze drie eigen, drie zelfstandige sferen, die elk een eigen wereld in het leven roepen. Vandaar, dat ook de wereld van het Schoone uit zichzelf moet worden verstaan" (492).

Door van een mooi betoog en een mooie daad te spreken haalt men de drie sferen dooreen. Het eerste behoort thuis op het terrein van het Wiare, het tweede op dat van het Zedelijke,

„en alleen een mooi beeld of een mooie gedachte in de sfeer van het Sohoone" (493). „De wereld van hel Schoone is ©en zelfstandige wereld, die iich aan geen belijdenis binden laat Wel kan ook deze band (n.l. van de Evangeliebelijdenis, U.) worden aangelegd', en voorzoover de Kunst hierdoor in enger zin Christelijke Kunst werd, bereikte ze op meer dan één gebied het hoogste" (556). 'Reeds in het laatste citaat verraadt zich de weifeling.

Hiermede reikt Kuypei- aan de Kunst geen moreel en vrijbrief uit. Veeleer laakt hij „de pretentie dat de kunst een onafhankelijk en geheel zelfstandig verschijnsel in het menschelijk leven wil zijn, dat zich aan de wet van het Heilige niet heeft te storen, alsof „de wet van het Sohoone moet heerschen boven elke andere wet" (528 vlg.).

Willen we dit juist beoordeelen, dan moeten we er op letten, dat ditmaal niet (gelijk in de Stone-lezing) naast de bovengenoemde trias van bet ware, het goede en het schoone de religie zich een plaats kiest. Dit is van meer dan formeele beteekenis.

Nog altoos blijft het Kuyper's meening, dat de sclioonheidswetten met die der ethiek niets van doen hebben. Maar boven beide staat de religie als algebiedster en vergt, dat alles en allen voor haar zwichten. Dit is. d.ünkt ons, de zin van die passage, waarin hij de emancipatie van de religie voor de kunst noodlottig acht, er aan toevoegend; „Rekent men uitsluitend met de etliische wetten, en met de wetten van het Schoone, dan is het te begrijpen, dat het Schoone zidh dè wet niet laat stellen door wat buiten zijn sfeer ligt en alleen aan de wet van zijn eigen sfeer gehoorzaamt" (579).

Zijn we met de lectuur van Pro R e g e zoover gevorderd, dan herinneren we ons niet zonder bevi-eemding de (in ons vorig artikel besproken) distinctie tusschen het neutraal genoemde, f o r- m e e 1 Schoone en het z a k e 1 ij k Stóhoone, welke laatste te zoeken is in de inspiratie van den kunstenaar. Deze inspiratie echter is niet altijd uit den hoogeren, even goed kan ze uit de diepte opkomen en dan pogen „het zondige, het zinlijke, het wellustige, het revolutionaire tot schoone uiting te brengen" (531 vlg.).

Hiermede stemmen echter weer voortreffelijk samen de bladzijden, gewijd aan den sohoonen Christus en Zijn beteekenis voor sdioonheid en Kimsl (534 vlg.).

Wie het betoog uit Pro' Re ge met aandacht volgt, voelt zich voortdurend van Ünks naar rechts geslingerd en vice versa. Hier het streven de sferen van het goede en schoone zooveel mogelijk gescheiden te houden, ginds de overtuiging, dat het ethisch goede (het „zakelijk Schoon" in een kunstwerk) schoon is, het demonische afschuwwekkend. In deze richting trekt de gang der ge^ dachten van het geheele werk, zonder de daartegenin werkende krachten te kunnen neutraliseeren.

Trachten we uit dit alles de slotsom te trekken om eigen standpunt te bepalen.

We merkten op hoe Kuyper zich keer op keer weersprak, toen hij eenmaal zijn oorspronkelijken gedachtengang had losgelaten. Dit behoeft ons niet te verwonderen.

Wie de schoonheid aan de stoffelijke verschij'ning bindt, is tenminste één mijl met het materialisme meegegaan. Wat een kunstwerk van hooger orde zijn schoonheid' geeft, is niet allereerst kleur, lijn of klank, maar de levendq, organiseerende idee, welke zich stoffelijk objectiveert voor pog en oor. Iets dat bij de meest spirituoele der kunsten, die van het woord, het duidelijkste spreekt. Kuyper's tegenargument, dat het woord omschrijft als stoffelijk kleed der geestelijke gedachte, is niet proefhoudend. In het woord (niet gedachtekleed, maar o-mkleede gedachte!) huwen geest en stof. Tenzij men het litteraire schoon wil beperken tot den woordklank, zal men moeten toegeven, dat daarin het geestelijke primeert. En zoo iemand, dan is de pa-incipieele bestrijder van Kollewijnianen en ^„Tachtigers", die Kujper was, daars'an overtuigd geweest.

Het spraakgebruik, dat een „mooie preek" en een , , mooie daad" kent, wordt door Kuyper in De gemeene Gratie gewraakt. Het zij zoo. Stellig ontsprong althans één zijner motieven aan zijn diep inzicht in het gevaar van veraesthetiseering van zedelijke begrippen. We noemen iets niet zedelijk goed, omdat het schoon is; wel omgekeerd. Ook omspant het begrip „schoon" zulk een eindelooze veelheid en verscheidenheid van objecten, dat het kleiu'loos wordt, zoodra het ethische termen wil vervangen. Doch dit wezenlijk gevaar verleide ons niet tot de misschien even gevaarlijke isoleering van de ethische en aesthetische sferen.

Want dit spraakgebruik mag men wantrouwen, dat van de H. Schrift is onaantastbaar. En dit weet van schoonheid in Sions Koning i). Zijn bruid2), Sion zelf^) en van de heerlij kheid des Heeren, van Christus en eens van d© Zijnen. Nu mag men van meening zijn, dat Kuyper het Bijbelsch heerlijkheidsbegrip dikwijls verengt en te uitsluitend aesthetisch vei-staat, dat het aesthetische een zeer belangrijk moment daarvan uitmaakt, ik bedoel, dat het woord in veel gevallen doet denken aan pracht, aan glans en luister, dat is wel duidelijk.*).

Dus steimt niets in de Sclu-ift het vermoeden, alsof dit maar een oneigenlijke, een figuurlijke wijze van spreken zou zijn, zoodat de heerlijkheid eigenlijk wel een ster of een mensch, maar niet God© zou toekomen.

Indien dan de Schrift ons zoo voorgaat en reeds de kimst ons leert het schoone niet als slechts de stof aanklevend te beschouwen, ook al zoekt het stoffelijke uitdrukldngsvormen, dan beweegt zich het betoog van de rectorale oratie in Schriftuurlijke lijn met in Goid de Schoonheid te zoeken, als bron van het creatuurlijk schoon, verdeeld over stof èn geest. Datgene, waarin God Zijn verlustiging vindt, is schoon. Zicihzelven volkomenlijk behagend is Hij volschoon in al Zijn deugden. Zoo komt ook Paulus tot zijn doxologie, zijn „verheerlijken" van God om Zijn wijsheid, kennis, oordeelen. Wegen, aan het slot van Rom. 11. Dit bewijst tevens, het worde terloops opgemerkt, hoe weinig grond er is voor Kuyper's bewering, dat we in de wereld van het Schoone met ons denken niets uit kunnen richten.

Is dit juist, dan valt aan onderlinge onafhankelijkheid der wetstelsels van goedheid en schoonheid geen oogenblik meer te denken. Een onzedelijk kunstwerk verdient dan niet afkeuring om redenen buiten de schoonheid gelegen, maar schendt óók aesthetische normen. Vandaar een gevoel van weerzin bij den normaal reageerenden mensch. Verandering „van heerlijkheid tot 'heerlijkheid, als van des Heeren Geest" ^) zal onze aesthetische reacties steeds meer zuiveren en verfijnen.

Zoo vallen we, zonder ons te binden aan Kuyper's uitlegging van de termen „heerlijklieid" en „goddelijkheid" en met inachtneming van vroeger gemaakte reserves, de hoofdstrekldng der rectorale oratie met overtuiging bij. Vonden we in latere geschriften afwijkende en moeilijk te verzoenen denkbeelden, dan was het toch Kuyper zelf, die den xiitweg wees.

Met twee opmerkingen worde dit artikel (en daarmede deze korte reeks) besloten. In de eerste plaats geldt wat hier van de verhouding tusschen het schoone en het goede werd betoogd, m.m. ook van het schoone en het ware. In de tweede plaats hebben we oais te wachten voor de conclusie, dat de sferen van het goede en van het schoone zouden samenvallen. Niets is minder waar. De schoone, maar van rede afwijkende vrouw uit het Spreukenboek leert het ons wel anders. Degelijkheid van strekking in een kunstwerk waarborgt niet, dat de kunstenaar de degelijkheid als schoonheid heeft gezien en geobjectiveerd. En gemeene Gratie bewaart veel formeele schoonheid als draagster van verwerpelijke materie.


1) Cf. Ridderbos op Jes. 33:17 (K. V.).

2) Psalm 45: 12.

3) Psalm 50: -2,

4) We verwijzen hiervoor naar Kittel, Theol. Wörterbuch s. N.T. s.v. doxa. Een goed voorbeeld in Matth. 6:29.

5) Vgl. 2 Cor. 3: 18.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 januari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 januari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken