Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

UIT DE HISTORIE

8 minuten leestijd

Een zakelijk „persoonlijk woord" van Calviin aan Caroli.

Dat Calvijn niet ontbloot was van hefde tot zijn vijanden, die hem op de meest valsche wijze beilasterden, kunnen wij treffend opmerken in een brief, dien Calvijn aan Caroli schreef op den lOden Augustus 1540. Volgens enkele berichten is dat juist zijn trouwdag geweest. Dan heeft de harde werker op dien „vrijen dag" gelegenheid gevonden, om een brief van Caroü, waarin deze zich beklaagde, dat Calvijn hem onmogelijk gemaakt had in de Gereformeerde kerken, te beantwoorden. Er zijn soms van die onaangename dingen, die men laat lig'gen, tot er eens een uurtje komt, dat „die kwestie" ook eens opgeruimd kan woirdeai. Zooals altijd heeft Calvijn ook hier ernstig wefk geleverd, 't "Werd nog een groote brief.

Hij be^nt aWus: „Genade zij met u en vrede van den Heere, die u en ons gezond verstand moge verleenen. Ik had liever gezien, dat gij hierheen gekomen waart om mondeling met ons over verzoening te spreken, dan dat gij dit nu met een brief beproeft — vooral als het een brief is als de uwe. Gij gaa|t hevig te keer om den schijn van u af te werpen!, alsof gij niet zonder oorzaak de kerk in verwaKring gebracht hebt. Alsof er ooit een eerbare oorziaak zou zijn om verwarring in de kerk te brem'gen. Nemen wij eens aan, dat de broeders eens niet genoeg reikening gehouden hebben met u. Geeft u dat 'het recht, om daarvoor zooveel rjj, moer te maken? Zoudt gij diirven beweren, dat de Geest Gods u gedreven heeft om allen den oorlog te verklaren? Ik zeg dit niet, om u opnieuw te gaan schelden, och had gij mij maar geheel laten zwijgen... Gij zegt, dat gij geheel in de war zijt, en op Parel en mij moet scheiden^ omdat wij door onze brieven bewerkten, dat de broeders van Neuchatel u geen plaats gvmnen.

Ten eerste is dat weer verzonnenj of u valsöh overgebracht, want het is mij niet in 't hoofd gekomen, om iets dergelijks aan de broeders te Neuchatel te schrijven Gij zijt van hier naar Metz gegaan. "Welke overmoed was dat, u te beroemen bij de vijanden van Christus, dat gij wel toegerust waart om ons als ketters te doen veroordeelenl? En daarbij beroemt gij u er op, dat gij niets tegen het Evangelie doen zult. Hoe wilt gij dat bewijzen? Wanneer iemand er als 't ware zijn beroep van maakt om tegen een dienstknecht van Christus te strijden en hem op aUe mogelijke wijze hindert in zijn arbeid voor het koninkrijk van Christus, dan is het wel wonderlijk om van zoo iemand te beweren, dat hij staat aan de zijde van het Evaagelie". En dan begint Calvijn als van hart tot hart te spreken:

„Lieve Broeder, zie todh, zie toch telkiens weer, waar gij zoodoende uitkomt. Wij hebben een dienst des Woordsi, die met Christus eng verbonden is'. Twijfelt gij daaraan, wij hebben een genoegziaalm zeker waarachtig getuigenis van ons geweten. Vlei u zelf, zooals gij •wilt, maar tenslotte moet gij tocih ervaren, dat gij met uw aanvallen op ons dte ver- Zienen tegen de prikkels slaat... Met dit alles bedoel ik — en ik hoop dat gij het zoO' zult verstaan — dat gij u zelve voor Gods aangezicht beproeft, welken weg gij bewandeld hebt en dat gij nie't anderen, onsohuldigen, veroordeelt om uzelf te vierdedigen, want daartoe ontbreken u zoowel de rechtsgronden als de voorwendsels. Wanneer ik dat bij u bereik, ben ik tevreden. Maar ik - wil niet, dat gij hierom den moed en de hoop zoudit velnliezen. Want wanneer gij ons rechte en ziekere teekenen van oprechtheid geeft, dan zijn wij ook nu nog bereid ons spoedig weder te goeder tro, ufw met u te verzoenen, alles te vergeten, te vergeven en voortaan uit ons geheugen te •wisschen. Kondfeit gij mij toch in het hart zien! Want ik wensch niets "vuriger, dan u ten eerste m^et God te veraoenenj, waardoor het ook onder ons weer samenbinding kon worden. Maar, geloof rnij, gij kunt niet den Heere van nut zijn in Zijn diensit, wanneer gij niet uw hoogm oed aflegt en 'de sch erpte van uw tong

Schijnt u (in. dezen brief) het een of ancielr te grof, h©d'enj£ dan welk antwoord) uw brief eigenlijk verdient; hoewel ik daar niet aan gediacht heb (bij het schrijven) maar alleen aan uw welzijn. En ik geloof niet anders te kunnen doen, d'an u tot bekentenis van zonde op te wekken. Leef wei, lieve broeder in den Heere, wanneer gij u tenminste laat liefhebben en voor een broeder houden. De Heere Cllristus leide u met den Geest dies raads en des verstands, dat gij uit dte geviaarlijke Mippea in welke gij geraakt zijt en uit den stormiwind van pralerij spoedig in de haven komt.

Farel laat u groeten em wenscht, dat gij u ernstig tot den Heere bekeert en zoo bereid zijt, met onis in vriendschap en broederlijke gemeenschap te treden, zooals hij zelf beireid is, u aan te nemen; . Straatsburg, 10 Augustus 1540.

Van harte uw viriend,

J. CALVIN.

Helaas heeft deze eerlijke en hartelijk gemeende bede, dat Caroli zich zou bekeeren, geen gehoor gevonden. Caroü ging voort met schelden en onderhandeide weer met de Roomsche theologen.

In Juli 1542, dus bijna twee jaar later, schlreef Calvijn met het oog op de kerk aan Farel eoi Viret:

„Hot gevaar, dat we indertijd van Cairoli duchtten, bestaat niet meer. Want daar hij zijn woord gebroken heeft zal geen der onzen hem meer aannemen. Hij is, naar ik hoor, in onderhandeling met de theologen van de Sorbonne om tot verzoening met hen te komen."

Juli 1543 was Caroli weer Roomsoh geworden etn noodigde hij in brallende woorden Farel en Calvijn tot een dispuut Farel moest eens veirschijnen te Rome voor den paus, of voor het Concilie van Trente, of voor Frans I, of voor een der Fransche faculteiten of te Salamanca, of te Alcala in Spanje... maar niet te Metz (waalrt het alleen mogelijk was) want daar was geen universiteit! Farel werd' nu ook scherp. Hij schreef een brief. Caroli moest maar niet zoo zwetsen. Hij had niet eens geld genoeg om die groote reizien te doen en in Metz kon hij de reformatoren wel ontvangen, daar zat hij toch tusschen abten en bisschoppen en monniken „, als een haan op ©en mesthoop".

Een tweede brief van Farel sprak van Canoli'S hoogmoed!, scliurkerij en, twistgierigheid, en vooral van zijn ontrouw in het huwelijk.

Calvijn en Farel wilden gaan naar Metzi „om dien armen snoevenden buik voor aUen in zijn armoede ten toon te stellen" (de woorden zijn van Farel).

Maar bet werd hen verboden door do overheid, om het gevaar dat er aan verbonden wasL In 1545 schreef Calvijn een boek tegen Caroü, onder den naam van zijn Secretaris. Viret vermaande Calvijn, omdat daarin de broeders teveel geroemd werden terwijl Caroli te verachtelijk besproken werd, volgens Viret. Maar Calvijn beweerde, dat er alle roden, zoowel voor roiem als voor verachting was. En de historie geeft in groote trekken Calvijn geheel gelijk. De zaaksgerechtigheid van den ijveraar voor de kerk is boven allen twijfel in deze zaak.

Calvijn vond, in een schrijven aan Farel, dal hij den dank verdiende, ook namens Caroli zelf. „Het had weinig gescheeld", schreef hij, of ik had hem ongestraft verder laten blaffen, daar ik vreesde, dat dit geval voor vele lieden weer arg|waan zou geven. Nu is de teerling gevallen, we hopen dat het voor ons gelukkig is. Ik ben zóó warm geworden toien wij eenmaal begonnen waren (miet sclirijven), dat ik zonder moeite, als in éénen door, mijn doid. bereikte. Dat ik zoo Mcht kon airbeiden kwam ook daardoor, dat ik onder ©en vreemden naam eens vrij en om zoo te zeggen uitgelaten spotten kon. Zie hier, hoe ik mij zelf behaag! Ik geloof iets gepresteerd te hebben, dat de moeite waard is.

Geneve, 5 Augustus 1545.

Uw JEAN CALVIN.

Men zij voorzichtig met het veroordeelen van Calvijns uitgelaten spot en met zijn behagen daarin. De mensoh was voor hem het hoiogste niet. Hij zelf niet. "Maar ook zijn vijand als mensch niet. De Heilige Schrift kent ook den spot van EMa met de priesters van Izébel, die Gods volk hadden gedood jn de kerk. En de „Apostel der Mefide" schreef scherp over persoonlijke afrekemng met Diotrefes, die in de gemeente de eerste wüde zijn en met booze woorden snaterde tegen Johannes en tegen de vrienden van Johannes. De Apostel zou „zijn werken eens in gedachtenis brengen" als hij kwam. 3 Joh.: 9 en 10.

Het humanistisch persoonlijkheidsideaal kan dezen heiligen strijd voor de kerk des Heeren onmogelijk maken, doordat zakelijke aanpak van personen direct „persoonlijk" wordt opgevat, zooals ook .Caroü en zijn vrienden deden, terwijl Calvijn len Farel terwille van de groote zaak den man aangrepen en niet rustten tot hij niet meer gevaarlijk was. En zóó konden Calvijn en zijn vrienden ook nog Caroli met gezonde, iSterke> Cihrisbelijke liefde tot bekeering roepen. Had hij maar geluisterd.

Maar — die de tucht verwerpt zal sterven.

A. JANSE

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken