Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

KERKELIJK LEVEN

15 minuten leestijd

Ten besluite. (II.)

Zoo verwerpen wij dus alle onderscheidingen, '' finnen bij Witsius, en te eindigen bij Dr Thijs, * de op zichzelf prijselljke poging om de SchriftgegeveK in een sluitend betoog te verwerken, doen uitloopen d ontkrachting van het verbond. Witsius ontkrachtte h^l door de dreigementen in het genadeverbond toe " schrijven aan de wet; feitelijk hadden ze z.i. met * wet alleen te maken, en niet met het verbond. In ^^^ grond der zaak komt deze opvatting voort uit de m* ten, die men had met betrekking tot de bepaling * de plaats, die aan de wet toekwam; en kwam ze nc" op een uiteenrukken van de twee deelen van het verbond: belofte en eisch. Maar in alle verbonden 2')' déze twee niettemin begrepen. En Dr Thijs — hoe* in ander opzicht natuurlijk uitnemend prediker *

Phrijver ook over het verbond — ontkrachtte m.i. het toch ook, zijns ondanks, toen hij bet onder Israël veritwendigd liet zijn; veruitwendigd, in den door hem iitmaal aan dit woord gegeven zin,

! Laat ons daarom vasthouden aan de grondgedachten, yaarop we in den loop dezer artikelen telkens in the- '^schen zin sprekende ons betoog baseerden. De substantie van het verbond is altijd dezelfde geweest, al werd ze uitteraard op zeer onderscheiden wijze bedeeld en ook voorgesteld, gepredikt. Krachtens deze eenheid van alle onderscheiden verbondsphasen, voor wat die substantie betreft, heeft God in alle eeuwen, ongeacht die onderscheiden phasen, steeds zijn verborgen raad tot liitvoering en volvoering gebracht door de openbaring. Dat wil zeggen: onder meer, door de verbondssluiting en - handhaving. Deze verbondssluiting onderstelt de mogelijkheid van afval; anders ware het in het paradijs anders toegegaan, dan het thans uit de Schrift werkelijk ons blijkt toegegaan te zijn. Daarom was er dreiging, bij het begin. Ze is er weer bij het vervolg. Bij è, lle vervolg. Die dreiging komt niet op uit de wet, als zou deze, men vergunne ons het beeld ter verduidelijking, de boeman zijn in het bondshuis, die wel de „kinderen" yerschrikt, maar bij de „volwassenen" van den nieuwen liag wijkt voor het een vriendelijk gelaat toonend evan- 'felie. Neen, die dreiging behoort bij het wezen des verbonds. En vandaar komt zij mee zoowel in gebod als itt^anbod. Het behoort nu eenmaal tot het verbond, dat twee elkaar als partij ontmoeten. De mensch, zegt ge, als gemaakte partij? Als geschapen partij? Natuurlijk, wat wilt ge anders, tegenover den Eeuwigen God staande, van den mensch zeggen? Maar dan toch als partij, op de partij-plaats, op den partij-stoel gezet door de Hand des Almachtigen. En deze is zichzelf getrouw. Hij is het dus ook in het handhaven van het dipleurisehe verbondskarakter. Derhalve is Hij het ook in het handhaven van een verbond-met-dreiging. De verantwoordelijkheid wordt in het verbond nooit opgeheven; integendeel: verbondspredilüng is het scherpste appèl op de verantwoordelijkheid. Waarom ze ook zoo ongemeen ernstig is. En ontdekkend. Afsnijdend. Neerwerpend. Alle onschuld benemend. Troostend, maar met stuksnijding van alle duivels-oorkussens. Een verbod, om met een ingebeelde hel op weg te zijn naar den hemel. En een verhindering, om met een ingebeelden hemel naar de hel te gaan. Als het maar zóó wordt gepreekt, als het gezegd is. En als het ook maar zóó wordt aangenomen.

Men kan daarom niet zeggen, dat het verbond „slechts" aanbod doet, aanbod van genade. De belofte is immers vergezeld van een eisch? En wijl de eisch, die gesteld wordt, verband houdt met de belofte, en aansprakelijk stelt op grond mede van de aanvaarding der belofte door het geloof, kan men het verbond niet in een aanbod laten opgaan. Evenmin als in een belofte. De b e- lofte trouwens is rijker dan een aanbod; ze voorziet immers ook in de situatie, die daar komt in en door de aanvaarding der belofte. B.v. het schenken der volharding; het voortgaan van kracht tot kracht, het geven van voldoende dagelijksch brood, en van voldoende genade, genade voor eiken dag.

Maar aan den anderen kant worde ook niet geleerd, dat het verbond op den duur zijn eigen verbrekers bij voorbaat uitsluit, in de periode n.l. van het Nieuwe Testament. Men raakt op die manier aan het hart van het verbond-met-den-mensch: het dipleurische. Dit dipleurische is reeds om paedagogische reden vol te houden; niet wijl menschen op grond van psychologische overwegingen uitgemaakt hebben, dat het preeken van het dipleurische verbond prachtige motieven en quietieven aan de hand doet, maar wijl voor het geloof de ware preekmanier is, dat men zich houdt aan wat de Schrift zegt. Wij moeten niet wijzer zijn dan God, die Zijn christenen niet door theologische beelden, maar door de levende verkondiging van Zijn Woord wil onderwezen hebben. Dat tenslotte alles hangt aan Gods trouw, vergete niemand, ook niet in zijn overweging van het verbond. Maar gelijk ik den moordenaar niet vermaan door hem les te geven over het probleem der toelating van de zonde, of van den goddelijken „concursus" (het mede-werken) in de opheffing der moordende hand, doch alleen maar door het gebod: gij zult ji, niet stelen, alzoo wil ik Gods volk onderwezen hebben, ^iet met de theologische gedachte, dat tenslotte alles hangt aan God, doch met de volle, rijke dipleurische verbondsprediking: eisch en belofte.

En als de kerk daarin trouw is, realiseert God daarin en daardoor Zijn verkiezing. En verwerping.

K. S.

Het Handboek van Prof. Dr A. G. Honig. (I.)

Een artikel van Prof. Hepp uit den laatsten tijd deed mij genoegen. Het was, toen hij bij voorbaat zijn groote ingenomenheid betuigde met de aangekondigde verschijning van het dogmatisch handboek van mijn hooggeachten ambtsvoorganger Prof. Dr A. G. Honig. Niet alleen daarom, dat onze wenschen zoo geheel parallel bleken te loopen (ook ondergeteekende toch behoort tot degenen, van wie Prof. Honig meedeelt, dat ze hem om dit Handboek gevraagd hebben), maar ook om de andere reden, dat de vereischten voor het candidaatsexamen aan de Theologische Hoogeschool voorzoover het de in dit boek verwerkte stof betreft, de goedkeuring van Prof. Hepp verwierven. Zooals men reeds jaren lang heeft kunnen lezen, worden de dictaten van Prof. Honig te Kampen gerekend tot de vereischte examenstof; bij mijn komst te Kampen heb ik me natuurt ij k daarbij dadelijk aangesloten; bij examina wordt er dan ook altijd naar gevraagd; en natuurlijk komt dit Handboek onmiddellijk op de lijst van de vereischte stof te staan. De menschen hebben wel eens gedacht, dat er ingrijpende verschillen waren; en dat Prof. Hepp aan die gedachte heelemaal vreemd is, zal ik nu niet bepaald uitdrukkelijk beweren. Temeer daarom verblijdt het me, dat we dit concordiezaadje van den akker kunnen oppikken. Mogen we het overigens nóg verder brengen dan tot den arbeid des zaadjes pikkens op den eendrachtsakker. Vreemd beeld? Moet u niet zeggen; het is ontleend aan Hand. 17:18, waar heidensche filosofen den apostel Paulus een naam geven, die een zaadjespikker beteekent: hier wat, daar wat.

Dit ter inleiding. Nu we toch aan dat interessante beeld van dien vogel, die hier en daar zaadjes voor den voet op wegpikt, bezig zijn: laat ons eens enkele korreltjes bijeengaren. Het bedrijf — dat geef ik toe — is vanwege zijn mérites op ethisch gebied niet in den stijl van den vreedzamen auteur, althans niet op het eerste gezicht. Bij nader inzien echter is het dat wèl. Want ik zal ditmaal juist zulke zaadjes pikken, die, bijeenvergaard, den aanschouwer een beeld van vrede en eendracht kunnen geven. Dan blijven we toch waar dit boek, gelijk zijn auteur, ons hebben wil: op den akker der eendrachtigheid. Temeer, als ik-op den voorgrond stel, dat ook anderen in andere richting zullen kunnen „pikken". Waarop ik al zoo'n beetje reken.

Er is, men weet het, alarm geroepen tegen Prof. Vollenhoven, omdat deze bezwaar inbracht tegen den term „onpersoonlijke" menschelijke natuur van Christus. Prof. Hepp heeft in zijn tegen dezen collega gerichte brochure zich ernstig bezwaard getoond. En Prof. Waterink heeft, enkele weken vóórdat de generale synode van 1936 samenkwam, een „verklaring" afgelegd, welke ondergeteekende in elk onderdeel zéker niet afgegeven zou hebben, en waarin stond, dat „hij zich aan het Gereformeerd belijden, dat de Zoon Gods, de Tweede eeuwige Persoon der Heilige Drieëenheid, de onpersoonlijke menschelijke natuur heeft aangenomen, niet alleen wat het lichaam of vleesch aangaat, maar ook een ware menschelijke ziel of geest, ook wetenschappelijk gebonden acht, niet alleen zakelijk, maar ook wat de termen betreft". Daar staat dus met zooveel woorden, dat Prof. Waterink zich ook terminologisch-wetenschappelijk gebonden acht aan den term „de onpersoonlijke menschelijke natuur". Deze wetenschappelijke binding nu zou ondergeteekende, evenmin als de gereformeerde vaderen, en evenmin als Prof. VolJenhoven, begeeren; omdat ze den zakelijken en terminologischen rijkdom van de ons overgeleverde belijdenis versmalt, en dus in feite, zij het ook geheel onbedoeld, tekort er aan doet. Is het nu geen bemoedigend zaadje, dat we oppiklten uit deze woorden van Prof. Honig: „wellicht verdient het overweging, om misverstand te voorkomen, den term 'onpersoonlijke menschelijke natuur' te vermijden" (462). „Als wij spreken van de anhypostas(i)e van de menschelijke natuur van Christus, dan bedoelen wij daarmede slechts, dat deze natuur niet in een menschelijken persoon bestond", zoo zegt Prof. Honig. En gelukkig voegt hij er aanstonds aan toe, dat die term („anhypostatisch") niet de eenige was, waarvan de gereformeerde dogmatiek zich bediende. Een en ander klopt precies, met wat ik, ter afwijziiig van de bedenkingen, die Prof. Hepp tegen Prof. Vollenhoven ingebracht had, uit de vaderen aanhaalde. Daarmee ben ik zoo blij, dat ik verder niet vraag, of de vrije weergave, die Dr van Itterzon van het gevoelen der Synopsis geeft (het gereformeerde leerboek), en die Prof. Honig vermeldt, wel juist is. Het is mij te doen om wat den vrede bevordert. Prof. Honig ontkent, dat de menschelijke natuur elke persoonlijkheid gemist heeft.

Een tweede. Indertijd heb ik in mijn „Wat is de Hemel? " gezegd, dat het verbond in zijn ontstaan eenzijdig, in zijn voortbestaan tweezijdig was (welke uitdrukking rechts en links tegen misverstanden was gevrijwaard). Niettemin poneerde Prof. Hepp, dat „de gereformeerde dogmatiek slechts een werkverbond kende, dat van het begin tot het eind eenzijdig was"; ook nog op andere wijze werd dit tweezijdigheidskarakter van het verbond bestreden. Prof. Honig evenwel schrijft: „Als ik Christus als het Hoofd en den Middelaar van het Genadeverbond zie, dan is het tweezijdig, maar als ik, zooals b.v. a Brakel en Van Mastricht, de uitverkorenen de tweede partij noem, dan is het aanvankelijk eenzijdig, omdat God het afkondigt, en wordt het pas tweezijdig als de mensch door het geloof het verbond inwilligt en aanvaardt" (430). Of men het met den geachten schrijver eens is, zal afhangen van het verbondsbegrip, dat men juist acht. Maar als bijdrage tot het elkaar verstaan, anders dan Prof. Hepp toonde te doen, is mij deze uitspraak welkom. En, om nog even bij het verbond te blijven, ook de verbondswraak wordt door Prof. Honig vastgehouden: „Zelfonderzoek mag... niet uitblijven. Ook hierom niet, wijl de opneming in het verbond onze verantwoordelijkheid verhoogt en het lot der verbondsbrekers, de wrake des verbonds, ondragelijker zal zijn dan dat van hen, tot wie 't Evangelie niet kwam" (439).

Een derde. In betrekking tot de door ons breed besproken kwestie van de „onwederstandelij ke" genade, alsmede van de „inwendige" roeping, die nog niet met de krachtdadige mag worden vereenzelvigd, schrijft Prof. Honig, die voorstelling „alleen de ware" te achten, volgens welke „aan de roeping door het Evangelie" (hier genoemd „uitwendige" roeping) zich paren moet „de krachtdadige, onoverwinnelijke roeping door den Heiligen Geest — GEMEENLIJK ge-

(Zie voor vervolg blz. 52.) '

52 noemd de vocatio interna" („inwendige" roeping) (546). Een vierde. Prof. Honig deelt niet de opinie van Maccovius, Voetius, A. Kuyper Sr. e.a., dat de weder- ; geboorte geruimen tijd verlwrgen kan blijven (550). i

Een vijfde. Inzake het probleem der „valsclie kerk" i zegt Prof. Honig: „Roomsclie of Protestantsche hier- i archische machten, die ware geloovigen uitwerpen en vervolgen of ongeloovige predikanten in hun ambt handhaven en openbare ongeloovigen tot het Heilig Avondmaal toelaten, zijn de valsche kerk, omdat alle drie kenmerken van de ware kerk ontbreken" (728). Met plurifoi-miteit is z.i. „gemeend, dat alle kerken, j die niet slechts in naam maar metterdaad staan op den grondslag der 12 artikelen des Geloofs en dus de fundamenteele artikelen der Christelijke leer prediken, tot op zekere hoogte ware kerken zijn, maar die in graad van zuiverheid zeer verschillen". Wat Prof. Greijdanus reeds jaren geleden betoogde (in ons blad later in Persschouw vermeld), dat n.l. van pluriformiteit slechts te spreken valt binnen de ware kerk, vindt hier dus in zijn hoofdgedachte erkenning.

Ook zag ik het „cultuurmandaat", waarover Prof. Hepp niet best te spreken was, even vermeld op bl. 434.

Over het boek van Prof. Honig is natuurlijk nog veel meer op te merken. Volgende week hopen we 'het te doen. Reeds nu begroeten we de verschijning van het werk met vreugde.

K. S.

Ds J. H. Sillevis Smitt.

In vervolg op wat we reeds inzake het „beroep" op Ds SiUevis Smitt, uitgebracht door een „H.-V.-gemeente", hebben opgemerkt, geven we hier door hetgeen Dr J. G. Geelkerken schrijft in „Overtoomsche Kerkbode":

De beslissing van Ds J. H. SiUevis Smitt op het beroep, door onze kerk met zoo zeldzame eenstemmigheid op hem uitgebracht, heeft in de Gemeente een zeer diepe teleurstelling ten gevolge gehad. Er waren toch inderdaad genoegzame, goede redenen, om een andere beslissing met zeker vertrouwen te doen verwachten. Het heeft met zoo mogen zijn, helaas.

Eveneens hetgeen in „Rijnlandsche Kerkbode" wordt opgemerkt door Ds W. v. d. Bos:

Er heeft zich deze dagen een eigenaardig verschijnsel voorgedaan, dat wel even nader mag worden gesignaleerd.

Eén onzer Geref. predikanten in Indië kreeg een beroep van een Geref. Kerk in Hersteld Verband. Dat is, zonder meer, iets onvei-klaarbaars.

Zoo'n beroep kan moeilijk worden gekwalificeerd en is zeker niet te vergelijken met wat in de dagen der Doleantie wel gebeurde.

Dat de beroepene het beroep in rijp beraad heeft genomen is óók vreemd.

De beroepsbrief of daarvóór al een eventueel telegram had gevoeglijk geretourneerd kunnen worden met een: verkeerd geadresseerd.

Wij wachten op een nadere verklaring.

K. S.

„München” en „Godesberg”.

Ds Veldkamp deelt nog mee (in antwoord op wat wij 4 Nov. schreven) uit het hoofd geciteerd te hebben. In orde; mij ook wel overkomen. Hij heeft niets kwaads er mee bedoeld; is ook niet beweerd. Voorts zegt hij, dat ik soms heelemaal geen opinies weergaf: getuige twee brieven van 18 en 29 Febr. 1936. Die brieven kreeg ik inderdaad, maar volgens mijn herinnering waren ze niet bestemd voor publicatie. In dat geval had ik ze zeker beantwoord. Ds V? kan nog een publiek antwoord krijgen, als hij dat verkiest. Particulier kan 'took, als hij 't werkelijk noodig vindt. Ik vond het indertijd waarom. • overbodig, en ben bereid, hem te zeggen,

Overigens: van de „quinta essentia" (dat n.l. uit de feiten b 1 ij k t, dat „Heraut" en „Credo" geen samensprekingen willen, waarin schriftelijk een en ander wordt vastgelegd), hoorden Ds V.'s lezers nog steeds niets. Wel wordt door hem verhaald, waarin Prof. Kuyper, Prof. Hepp en ondergeteekende het eens zijn. Niet, waarin wij blijken te verschillen. Waarom helpt Ds V. niet mee in mijn publieke invitatie, om op het aanbod van zulke samenspreking toch in te gaan? Is hij gezwenkt? Zoo ja, waarom? Ik had verwacht, of liever: moeten verwachten, dat althans Ds V., die om een „München" riep, mij zou helpen tenminste inzake het aanbod van een „Godesberg" (praten, ja, maar ook wat opschrijven). Ik zou Ds V. willen verzoeken, alsnog mee te helpen in de pers, dat men op dat aanbod inga. 't Was toch zijn eigen spontane wensch? En hij is toch niet veranderd, als Prof. Hepp geen antwoord geeft op mijn werkelijke aanbod en Prof. Kuyper 't feitelijk ook niet doet? Factiegeest beheerscht hem toch immers in geenen deele?

Volhouden, Ds Veldkamp! Schrijf nog maar eens over een gereformeerd Godesberg, „uit het geloof, naar de wet Gods, Hem ter eere". Onverschillig, of men hoort,

ja dan neen.

K. S.

De Groote Catechismus van Zacharias Ursinus. (X.)

134. Hoe komt dat met elkaar overeen, dat ffij zegt, dat mij gerechtvaardigd worden door Gods barmhartigheid, en door de verdienste van Christus, en door ons geloof?

Deze dingen komen zeer goed met elkaar overeen en hebben denzelfden zin.

Want het is de barmhartigheid Gods, die ons, onrechtvaardigen, voor rechtvaardigen aanneemt.

Het is om den dood en de gerechtigheid van Christus, ons uit barmhartigheid toegerekend, dat wij God behagen.

Het is voorts het geloof, waardoor wij de gerechtigheid van Christus, ons door God geschonken, aannemen.

135. Waarom is 't noodig, dat ons de voldoening en gerechtigheid van Christus worden toegerekend, om rechtvaardig voor God te zijn?

Omdat God, die onveranderlijk rechtvaardig en waarachtige) is, ons zóó in het verbond der genade wil opnemen, dat Hij niet 't minste wil doen, dat in strijd zou komen met het verbond, dat in de schepping is aangegaan''); dat is, dat Hij ons niet voor rechtvaardigen kan houden, noch ons 't eeuwige leven geven kan, indien niet aan Zijn Wet, hetzij door onszelf, hetzij, wanneer dit niet mogelijk is, door een ander, voor ons volkomen voldaan wordt.

136. Waarom wil God deze gerechtigheid aan geen anderen dan die gelooven toelcennen?

Omdat Hij ons daarom rechtvaardigt en zaligt, opdat wij Zijn weldaden erkennen en verheerlijken; wat niet geschieden zou, indien wij niet geloofden, dat zij ons door Hem metterdaad geschonken worden.

137. Waarom zegt gij echter, dat wij door 't gelooj alléén (fide sola) gerechtvaardigd worden?

Omdat wij nóch door de verdienste of waardigheid van het geloof nóch van eenig ander werk van ons maar alléén door het aannemen van de gerechtigheid, door God geschonken, voor Hem rechtvaardig zijn. Daar evenwel deze gave geestelijk is, kan zij niet anders dan met ziel en hart, dat is, door te gelooven, aangenomen worden.

G. B.


2) immutabüiter Justus et verax. 3) contra foedus in creatione initum.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 18 November 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van Friday 18 November 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken