Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HOOFDARTIKEL

10 minuten leestijd

Iets over het Joodsche probleem.

I.

De oorzaak der verstrooiïng.

De lezers hebben zeker wel eens gehoord of gelezen van Ahasverus, dien wandelenden Jood. De naam Ahasverus komt het eerut voor in een Duitsch gescloriftje: Kurze Beschreibiuig und Erzahlimg von einem Juden, mit Namen Ahasverus, anno 1602.

De sclirijver, die zijn naam verzweeg, deelt er in mee, dat Jezus, toen Hij op Zijn ki-uisweg van het gerechtshof naar Golgotha ging, gevolgd door een joelende menigte, in een der straten voor liet huis van een zekeren joO'd Ahasverus, vermoeid en uitgeput, tegen zijn deurpost even wilde rusten öa hem om een dronk waters ter verkwikking vroeg, door dezen jood ruw en onbarmhartig zou zijii weggestooten met het woord: „Voort, voort, godislasteraar, voor u geen rust!" En dat Jezus, hem sterk aanziende, zou geantwoord hebben met het ziel-doorvlijmend woord: j, Voorwaar Ik zeg u, van nu aan zal er vooir u geen ruste zijn! Gij zult niet sterven, maar op aarde blijven tot Ik wederkom en gij Mij vindt!" Deze jood zou een schoenmaker in Jeruzalem geweest zijn. En sedert zou hij nergens rust gevonden hebben, maar alle eeuwen door rondzwerven over de geheele aarde.

't Is een sage, een ongeloofwaardige legende. Maar haar inhoud is in diepen zin zuivere waarheid In die verdichte sage van den wandelenden Jood wordt het droeve beeld van het zwervend Jodendom, zooals het na de verwoesting van Jeruralem in 70 na Christus over den aardbodem ronddoolt en geen rust vindt voor het hol van zijn voet, toch wel zeer juist geteekend.

Het Joodsche volk is een wonderlijk volk, een probleem, een raadsel voor de wetenschap. Het ^an alleen van uit de Schrift benaderd worden. Bij haar licht kunnen wij er alleen iets van verstaan. Wat Ezechiël, zelf een der balUngen in Babel, van het volk in ballingschap in den naam des Heeren schreef: „En Ik verstrooide ze pnder de Heidenen en zij werden verspreid in de landen. Ik oordeelde ze naar hunnen weg en naar htmne handelingen", geldt ook van de Joden in de verstrooiing.

Waar komt dat Joodsche volk toch vandaan? Wat is zijn oorsprong? Wie is zijn stamvader? En waartoe is het door God bestemd?

Die oorsprong ligt in de eeuwige verkiezing •fods. Mozes herinnert het de Israëlieten herhaalöelijk weer. Zij mochten hun oorsprong niet ver- S^ten. Zoo ook tijdens de woestijnreis in Deut. 7 VS 6—8: „Want gij zijt een heilig volk den Heere, Jiwen God. U heeft de Heere, uw God verkoren, .' gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn Uit alle volken, die op den aardbodem zijn".

Eu waarom verkoren? Omlijn meerderheid, zijn deugd of zijn verdienéte? Neen, zegt Mozes: „De Heere heeft geen lust tot u gehad, nöeh u verkoren om uw veelheid boven alle andere volken. Want gij waart het weinigste van alle volken. Maar omdat de Heere ulieden liefhad, en opdat'Hij hield den eed, dien Hij uwen vaderen gezworen had, beeft u de Heere met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte".

Die eeuwige verkiezing blijkt dWdelijk uit de roeping en afzondering van Abraliam tof Israels stamvader. Wel komt hij uit de hoofdlijn der menschheid op. Immers nadat het eerste menschengeslacht uit Adam vanwege zijn goddeloos'heid in den zondvloed onderging, heeft God voor d© tweede maal de menscliheid weer uit eenen bloede doen voortkomen. Noach met de zijnen was de eenige verkorene, die niet in den zondvloed onderging. Uit hem werd de nieuwe menschheid voor de tweede maal als een omgekeerde piramide opgebouwd. Van Noachs zonen was Sem de verkorene. En uit Sem kwam Abraliam voort.

Met Abraham komt er weer een „nieuw begin". Hij is de stamvader van Israël, dat van alle volken is afgezonderd om de bijzondere Godsopenbaring te ontvangen en te bewaren. Die afzondering is echter sleclits tijdelijk. Zij zal duren totdat de Christus uit Israël zal geboren zijn. Want dan zal het intermezzo, de particularistische tusschenperiode van Abraham tot Christus, worden op^ geheven. En daaruit volgt dan nader, dat Abraham niet slechts de stamvader van Israël, maar ook „de vader der geloovigen", niet alleen uit de Joden, maar ook uit de Heidenen, is. Met de komst van Christus en de uitstorting des Heiligen Geestes op den Pinksterdag gaat de belofte, welke de Heere hem gaf, toen hij uitloog naar Kanaan, hi vervulling: „en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden" Gen. 12:3. Die belofte was reeds een heenwijzing naar de „nieuwe" of „universalistische bedeeling" der genade. Paulus zegt dat zeer duidelijk in Gal. 3:8: „en de Schrift tevoren (d.i. vooniit) ziende, dat God de Heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft tevoren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: in u zullen alle volken gezegend worden".

Die verkiezing en afzondering van het volk Israels nu werd door God verankerd in de verbondssluiting met Israël op den berg Sinaï.

Daar verzekert de Heere door Mozes aan het volk: „Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zoo zult gij Mijn eigendom zijn rut alle volken, , want de gansche aarde is Mijne. En gij zult Mij een prieslerlijli koninkrijk en een heilig volk zijn". Ex. 19:6, 7.

En als dan al het volk onder leiding van zijn oudsten gelijkelijk antwoordt: „Al wat de Heere gesproken heeft, zullen wij doen", Ex. 19:7, dan ontvangt het de Wet des Heeren op twee steenen tafelen. Ex. 20. Zoo kwam het onder de voogdij van de Wet, totdat het den Messias zou voortbrengen, opdat Hij die beiden, Jood en Heiden, met God in één lichaam verzoenen zou door het kruiSj de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende. Ef. 2:16.

En wat heeft Israël met die verkiezing en afzondering des Heeren gedaan? Heeft het zijn theocratisch voorrecht boven de Heidenen verstaan? Heeft het den Heere alleen gediend en Zijb Wet getrouw en in liefde onderhouden, gelijk het beloofd had? Wat is er van de aanvaarding en de onderhouding van het Verbond zijnerzijds in de volgende eeuwen terecht gekomen? O zoo droevig weinig.

Ik ga u niet opsommen het zonden-register van het volk tijdens de Woestijnreis, het Richterentijdperk, het Koningschap en de Scheuring des Piijlis, toen de Heere het telkens inet de roede der omwonende volken tuchtigde. Na ©en oogenblik van inkeer viel het telkens weer in zijh oude zonden terug, en zij' „verwekten Hem tot toorn door hunne hoogten en verwekten Hem tot ij'ver door hunne gesnedene beelden. God hoorde het, en werd verbolgen en versmaadde Israël zeer", Ps. 78:58, 59.

Ik wijs u alleen op twee zonden, die wij . Israels hoofdzonden zouden kunnen noemen en oorzaak waren, dat de Heere het ten slotte onder de volkeren verstrooide.

De eerste was de zonde van afgoderij' en beeldendienst. Lang te voren waarschuwde de Heere door Mozes het volk voor Bondsbreuk, voor afgoden- en beeldendienst. Hij' dringt die vermaning aan met de waarschuwing, dat het tot straf voor den afval van den Heere onder de Heidenen verstrooid zal worden: „en de Heere zal u verstrooien onder de volken; en gij zult ©en klein volksken in getal overblijven onder de Heidenen, waar de Heere u henenleiden zal" Deut. 4:23—31; 28:62, 64; 29:22—28; 30:1—10; 31:16—18, 29.

Lang had de Heere geduld, tot het uiterste was Hij lankmoedig. Maar eindelijk kwam het oordeel in de straf der Ballingscliap. Hij' gaf het ter kastijding aan Babel en Assyrië over. Die Ballingschap was een tijdelijke verbanning uit het Beloofde Land, uit de gemeenschap met stad en tempel en bovenal uit de gimst van God. Een tuchtiging aan den „kleinen ban" gelijk, of het wj3er tot den Heere en Zijn dienst zou terugkeeren.

En bij die eerste kwam in de volheid des tijds als tweede hoofdzonde de Christus-verwerping.

Gij kent de droeve historie. Toen Pilatus met de rechtspraak over Jezus verlegen, wijfelaar en twij'felaar die hij was, in een van zijn zwakke oogenblikken het bekende tweetal stelde: Barabbas of Jezus, om Jezus uit de handen der Joden te bevrijden, toen openbaarde zich de ziel van het afvallig Jodendom opeens in den vreeselijken eisch: „Kruis Hem, kruis Hem ... Zijn bloed ko-me over ons en onze kinderen", Matth. 27:17—25; Lukas 23:2L

Zij durven de verantwoordelijkheid voor Jezus' kruisdood aan, omdat zij in hun schuldige verblindlieid wanen, dat dit bloed-vergieten geen zonde tegen God is en geen straf meebrengt. Het moge komen over ons en onze kinderen na ons. Door dezen eisch werpt heel het oude Bondsvolk- Israël zijn Messias uit. Hier verklaart het niet langer Gods volk te willen zijn.

Maar in den hemel staat het aangeschreven. En hel oordeel Gods over deze Messias-verwerping zal weldra komen. Van dat oogenblik af stond, het gebouw van Israels volksbestaan te wankelen op zijn fundamenten. Jezus zelf had het reeds aangekondigd: „Maar wanneer gij zult zien, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zoo weet alsdan, dat hare verwoesting nabij gekomen is... Want er zal groote nood zijn in het land en toom over dit volk. En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de Heidenen vertreden worden, totdat de tijden der Heidenen vervuld zullen worden". Luk. 21: 20—24.

Het droevig einde van Israels volksbestaan was dan ook spoedig daar. Ruim 30 jaren na de Messias-verwerping brak het oordeel des Heeren door de verwoesting van Jeruzalem in 't jaar 70 na Christus over Israël los. Aan het zelfstandig volksrbestaan werd voor goed een einde gemaakt. Maar de Joodsche natie was er niet door vernietigd. Van nu aan kwam Israël voorgoed in de Diaspora of verstrooiing. In 2 Maccabeën 1:27 is er ook reeds van de „verstrooiden" (de diaspora) sprake. Nehemia bidt daar: „Breng ons verstrooiden weder tezamen; verlos degenen, die onder de hei-

denen dienen moéten". Bedoeld zijn daar de verstrooiden, die na de BallingscJiap in Egypte woonden. Ook in Joh. 7:35 is er van , ^de verstrooide Grieken", .d.i. de Joden, die tengevolge der ballingschap buiten het erfland der Vaderen woon- Iden, sprake; en in Jak. 1:1 van „de twaalf stam- (tnen, die in de verstrooiing zijln", d.i. van Israël in geestelijken zin, bet vernieuwde Israël, dat uit bekeerde Joden, die üi Syrië woonden bestond. Maar na de verwoesting van Jeruzalem komt het met den vloek des Heeren beladen in de eigenlijke en eeuwenlange verstrooiing onder de volkeren d'er aarde.

Dr A. Kuyper schreef in O m de Oude Wereldzee, in 't hoofdstuk over Het Joodsche probleem: „Israël onder de Volken is en blijft een providentieel wonder voor wie in de profetieën gelooft, een onoplosbaar raadsel voor wie ze verwerpt. Een volk van nog geen vier millioen in het getal, omringd door de Philistijnen, Edomieten, Moabieten, Ammonieten, Pheniciërs en Syriërs vlak op zijn grens; en bedreigd, aangevallen en ten ondergebracht door Assyriërs, Babyloniërs, Grieken, Perzen, Egyptenaars en Romeinen, is uitgezwermd naar alle windstreken tot diep in het hart van Azië, langs heel Afrika's noordkust, heel Europa over, tot in Amerika, en zelfs tot in Australië. Het is in die uitzwerming verviervoudigd in aantal. Het heeft de hardste en wreedste vervolgingen doorstaan. En terwijl niet alleen Philistijnen, Pheniciërs, Moabieten en Ammonieten, maar ook Assyriërs en Babyloniërs, als rijk en als volk, spoorloos verdwenen zijn, heeft uit de vol- Icerenmassa, in wier midden Israël opkwam, alleen het Joodsche volk zich als natie, als samenhangend geheel, weten te handhaven, nu reeds 30 eeuwen lang, en beschikt, dank zij' zijn talent en geldmacht, thans nog over een wereldpositie, die allerwegen ontzag, soms zelfs scfhrik en angst inboezemt, en een algemeene contra-actie in het •anti-semiüsme deed opkomen."

Wij' staan bij het Jodendom dus wel voor verschillende vragen.

Na dit inleidend artikel over de Verstrooiing der Joden en haar oorzaak hoop ik de volgende punten (behoudens eenige wijziging) achtereenvolgens te behandelen:

iets over het Anti-semitisme, de motieven voor de Jodenvervolgüig, de onuitroeibaarheid der Joden, ons oordeel over de vervolgingen, de bedoeling van het Zionisme, of God Kanaan aan de Joden heeft terugbeloofd, de bekeering der Joden en al of niet afzonderlijke kerkformatie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken