Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

PERSSCHOUW

14 minuten leestijd

Geloof en rechtvaardigmaking.

In het roomsch-katholieke tijdschrijft „Het Schild" treffen we van de hand van Prof. A. H. Maltha volgend schematisch overzicht aan van de verschillen die tusschen de roomschen en ons bestaan in betrekking tot „geloof en rechtvaardigmaking". Ik meen onzen lezers een dienst te doen, als ik het stuk in zijn geheel hier overneem.

We laten natuurlijk de weergave van het protestantsche gevoelen voor rekening van den schrijver: do roomschen houden niet steeds voldoende rekening met de zeer sterke verschillen tusschen protestanten. Hier volgt het stuk:

Protestanten:

1. Vóór de rechtvaardigmaking is alles zonde, hoezeer men er zich ook op tracht voor te bereiden, want door de erfzonde is onze natuur bedorven. Praten over „nog natuurlijkgoede daden kunnen stellen door den zondaar" is de schriftuurlijke qualitatieve tegenstelling tusschen goed en kwaad, tusschen den natuurlijken en den geestelijken mensch, tusschen den goddelooze en den rechtvaardige, verdraaien tot een quantitatieve tegenstelling tusschen natuurlijkgoed en bovennatuurlijkgoed (cf. Polman: „De Praedestinatieleer van Augustinus, Thomas en C a 1V ij n", 1936 p. 233). Dan maakt men den zondaar ook meer verheffings- dan wel verlossings-behoeftig (1. c).

2. De rechtvaardigmaking bestaat in de aanrekening van de verdiensten van Christus, waardoor onze zonden bedekt worden en wij, met behoud van onze zondige natuur, juridisch kinderen Gods worden. Christus' recht-' vaardigheid (d.w.z. zijn natuurlijke goedheid als God of als mensch) is nu door die aanrekening rechtens de onze.

God heeft dus genade met ons gehad. Wie de genade opvat als „etwas dingliches", iets onpersoonlijks, een geheimzinnige kracht in ons, leidt de aandacht van God af naar wat in den mensch is: God wordt op die manier naar den achtergrond geschoven als de aristotelische primus movens (eerste d.w.z. ver verwijderde beweger), de onbekende god van de heidensche wijsgeeren. Neen, de genade is - bovenal de H. Geest, die in de uitverkorenen werkt, onmiddellijk van persoon tot persoon (Polman I.e. p. 84, 89, 276).

3. De oorzaak van deze rechtvaardigmaking is God, die ons doet gelooven in Christus, welk geloof de vereischte is van onzen kant.

4. Dit rechtvaardigend geloof in Christus is een speciaal geloof. Behalve het wondergeloof, dat een heilsverlangen van elementairen aard is (Realenc. p. 675), moet men immers nog onderscheiden: het dogmatisch geloof (kennis van de geopenbaarde waarheden), het geloof in de algemeene heilsbelofte (aannemen dat Christus voor het menschdom is gestorven) en het geloof in de particuliere heilsbelofte. Aldus Bellarminus (geciteerd uit Billot: D e Virtutibus infus i s", 3e uitg., p. 285). Het laatstgenoemde is het rechtvaardigend geloof (sommige hervormers hielden dit alleen: Diet, de Th. Cath., col. 57). Alleen hij die dit geloof heeft kan ook de overige geloofswaarheden aannemen (Realenc. p. 680). Het bestaat in een innerlijke aandoening, waardoor ik de heilsbelofte als mij persoonlijk geldend ondervind, waardoor ik mij verlaat op God, die in Christus mijn heil wil. Terwijl ik Gods bedreigingen en straffende rechtvaardigheid van mij afgewend zie (Realenc. p. 680), voel ik met dezelfde geloofsdaad, dat ik gerechtvaardigd ben en in den hemel zal komen. Er is dus geen kwestie van een zichzelf pijnlijk analyseeren, maar van een blij bouwen op de belofte van de Schrift; men onderscheidt zijn geloof van dat der verworpenen, doordat het krachtig is (Polman p. 284, 371).

Als we dit scholastisch ontleden, moeten wij zeggen, dat het iets verstandelijks en iets affectiefs is. Verstandelijk is de inwendige zekerheid, dat het zoo is en zijn zal (dat God mijn heil is), affectief is de blijheid en de hoop, de fiducia (hoop is daarom een andere naam voor het geloof, voorzoover het de toekomst geldt). Meestal wordt het affectief karakter sterk op den voorgrond geschoven om het geloof, zóó opgevat, te plaatsen tegenover het meer theoretische en verstandelijke dogmatisch geloof van katholieken en protestanten. Maar volledigheidshalve moet men zeggen, dat het iets verstandelijks en iets affectiefs is (vandaar door elkaar gebruikt : Heilsgewiszheit en Heilsvertrauen). De vele kantianen onder de protestanten noemen dan ook gelooven iets van de practische rede d.i. van den rede-wil.

Volgens sommige protestanten is de liefde een ander aspect van het geloof. Volgens anderen, die meer in het voetspoor van Luther gaan, staat zij er buiten, hoewel zij wel volgt (Diet, de Th. Cath. col. 63, 71); volgens dezen is de liefde dus geen factor in de rechtvaardigmaking. Dezen willen ook niets weten van berouw als voorwaarde. Méér overeenkomstig de opvatting van de eerste partij schijnt te zijn, dat Kim „das Selbstgericht der Reue" als ingesloten in het geloof beschouwt (Realenc. p. 676).

5. Het gelooven is niet iets g e r e c h t i g s als daad maar alleen naar inhoud; het is geen zedelijke prestatie, daar het juist de erkenning van onmacht is (cf. Friethof f : „D e Predestinatieleer van Thomas en Calvij n", p. 20; Realenc. p. 676). Het wordt door God zelf uitgewerkt, zoodat het geen menschelijke prestatie is (Realenc. p. 679). Minstens volgens Calvijn is het dan ook geen vrije daad (de mensch heeft daar- 'lóe geen kiesvrijheid), maar wordt het volgens uitverkiezing in sommigen noodzakelijk bewerkt (de mensch heeft daarbij slechts een hartelijke spontaniteit cf. Polman p. 55). Zeggen dat God alle menschen liefheeft en daarom allen voldoende genade geeft om te kunnen gelooven is het heidensch idee van den voor allen gelijken God schuiven in

Katholieken:

1. Vóór de rechtvaardigmaking kan de mensch uit eigen kracht (als aan God ondergeschikte oorzaak) eenige natuurlijkgoede daden stellen. Maar men zegt gewoonlijk met S. Thomas (S. Theol. I II 109, 8), dat de zondaar toch niet lang de doodzonde kan vermijden. Hij houdt, natuurlijkgoede daden stellend, ook niet op zondaar te zijn, een afschuw in de oogen van God. De reden van genoemde mogelijkheid is, dat door de erfzonde onze natuur wel gewond, maar niet geheel bedorven is. Een en ander blijkt uit de H. Schrift, die niet alle werken van den zondaar veroordeelt, maar soms prijst. Met behulp van actueele genade kan de zondaar zelfs eenige bovennatuurlijke daden stellen, speciaal van geloof, hoop, berouw, maar onvolmaakt.

2. De r, echtvaardigm a k i n g bestaat in het aanrekenen van de verdiensten van Christus, maar zóó, dat de natuurzonde (erfzonde) en de persoonlijke zonden werkelijk uitgedelgd worden. De natuur blijft evenwel zwak. Met behoud van die zwakke natuur worden wij ethischphysisch kinderen Gods, d.w.z. krijgen wij deel aan Gods natuur, die boven de onze ligt m.a.w. worden wij verbovennatuurlijkt.

Dat de genade iets werkelijks in ons is, komt van de kracht van Gods liefde; als liefde betrekt deze zich op iets werkelijk goeds, als goddelijke liefde betrekt zij zich op een door haar gemaakt werkelijk goed. Toch is de genade geen ding, zij is geen dood ding en geen levend ding, maar zij is een levenskracht.

Op het oogenblik van het instorten der genade staat God achter ons als de primus movens, is Hij in ons door de deelname aan Zijn natuur en bovendien als quasi-experimenteel gekend (wij ervaren Hem eenigszins in de akten, die Hij opwekt).

3. De oorzaak van deze rechtvaardigmaking is God, die ons bovennatuurlijke daden doet stellen van volmaakt geloof, hoop, liefde en berouw als vereischten van onzen kant.

4. Dit rechtvaardigend geloof (goed te onderscheiden van het wondergeloof, dat een charisma is) is de door den wil bevolen (op dit aandeel van den wil wijst b.v. Kreling: Openbaring en geloof, „Apologetisch leve n", XV p. 14) aanname van de openbaring. De substantie hiervan wordt gevormd door de twee waarheden, dat God bestaat en zorgt voor Zijn schepselen (S. Thomas S. Theol. II II 1. 7). Het eigenlijk voorwerp van het geloof is dan ook datgene, waardoor de mensch gelukkig wordt (S. Thomas S. Theol. II II 2. 5). Christus heeft ons geleerd, waarin die zorg van God en de weg naar ons geluk bestaat: het verlossingswerk van Christus. Alle waarheden van het christelijk geloof zijn dus gegroepeerd om ons terug te brengen tot het groote heilsaanbod door God aan de menschen gedaan of anders gezegd: het geloof leert ons wat wij moeten hopen (S. Thomas S. Theol. II II 4. 1; I II 113. 4 ad 3). Dus moet men goed begrijpen, wat Harent zegt (Diet, de Th. Cath., col. 69), dat zoovele geopenbaarde waarheden geen beloften zijn, maar bedreigingen, bevelen of abstracte waarheden. Want dat alles is slechts bedoeld om ons te brengen tot de kennis van datgene, waarin ons geluk ligt.

Bovengenoemd gelooven in het verlossingswerk van Christus houdt in dat Christus voor alle menschen en dus ook voor mij gestorven is en dat ik daarom gerechtvaardigd kan worden en in den hemel kan komen, ja zelfs dat ik gerechtvaardigd ben en in den hemel zal komen, als ik maar, nu en later, geloof (in Christus' verlossingswerk voor de menschen) en hoop en bem.in en berouw heb. Maar of die voorwaarden aanwezig zijn of zullen zijn, weet ik niet met volle zekerheid, wel met voldoende waarschijnlijkheid. De H. Schrift leert ons dan ook met vreeze te werken aan onze zaligheid, zoodat wij gewaarschuwd worden om niet (buiten geval van een speciale openbaring S. Thomas: S. Theol. I II 112, 5) onze gesteldheid onfeilbaar als voldoende te beschouwen. Het gelooven is dus een verstandelijk alles van Christus verwachten, waarop in den wil volgt de hoop op den hemel. Dat geloof en hoop onderscheiden zijn, wordt aangeduid in de H. Schrift, maar volgt ook uit de scholastieke leer van het onderscheid van verstand en wil.

Hetzelfde geldt van de voor de rechtvaardigmaking vereischte liefde. Deze liefde is een voornamere factor dan het verstandelijk geloof. Het affectie-element in onze rechtvaardigmaking is dus voornamer dan het verstandselement.

Ook het berouw is om dezelfde reden onderscheiden.

5. Het gelooven is een bovennatuurlijkgoede daad als zijnde het met Gods genade gegeven jawoord op Gods getuigenis, waarvan de inhoud is, dat de mensch door Christus en niet door zichzelf tot God, zijn geluk, kan komen. God gelooft niet, maar de geloovige mensch (cf. Kreling p. 15); diens daad wordt evenwel door God als eerste oorzaak uitgewerkt. Het is de uitverkiezing Gods, die aan sommigen juist d i e genadehulp geeft, dat zij niet alleen kunnen gelooven, maar ook feitelijk gelooven. Volgens sommige theologen is op het oogenblik der rechtvaardigmaking de mensch niet vrij voorzoover hij dan staat onder de „werkende genade", wel voorzoover hij staat onder de „meewerkende genade". Volgens de ons meest aanneme-

de plaats van den schriftuurlijken God der uitverkiezing (sommige calvinisten verdedigen dat Calvijn, met zich zelf in tegenspraak, een algemeenen heilswil Gods aanneemt, maar Polman verklaart Calvijns uitdrukkingen op dat punt in antropomorf en zin: men mag dezen geopenbaarden wil van God, die verklaart, wat God van ons vraagt, niet op God zelf toepassen (p. 366—369).

Alle verdere geloofsdaden worden door God steeds zoo uitgewerkt.

6. Onze eigen daden blijven innerlijk boos en worden slechts uit barmhartigheid om wille van ons geloof als goed aangerekend. Soms vindt men deze formuleering: elk werk is bevlekt; het door den Geest in ons gewrochte werk is goed, maar er zit toch altijd iets zondigs in tengevolge van onze oude natuur; dat natuurlijkslechter wordt niet door God als goed beschouwd (Polman p. 318). Maar dit zondige wordt vergeven (I.e.). Men krijgt den indruk, dat de protestanten soms meer een complex van akten op het oog hebben en niet zoozeer zich vermoeien met de vraag of één akt meerdere hoofdkarakters kan hebben (werk van den Geest en tevens verdoemenswaardig).

7. Genoemde daden worden als goed met den hemel beloond, maar uit bovenstaande verklaring is het duidelijk, dat wij ons er niet op moeten beroemen. De hemel komt na haar, niet om haar (Friethoff, p. 21, 27). Er is dus geen sprake van verdiensten van onzen kant, maar alle lof der goede werken is uit God. Zoo wordt Gods grootheid hooggehouden en Christus' verlossingswerk als ons uitsluitend heil aangewezen, daar wij zelf niets kunnen en alles van Hem verwachten.

8. Het geloof zal u i t e r - 1 ij k zeker langzamerhand deugdzaamheid voortbrengen. Iemand die geen burgerlijke deugd heeft, blijkt daarom ook geen geloof te bezitten: we staan hier voor een secundair teeken van de rechtvaardiging (Polman p. 374). Dat neemt niet weg, dat de zondige natuur tot ook voor het menschenoog erkenbare fouten kan brengen. Wie echter daarbij gelooft in Christus, krijgt zijn daden toch als goed aangerekend (het luthersche: pecca fortiter sed crede fortius, d.w.z. het geloof moet sterker zijn dan de zonden), zooals boven is gezegd. Een uiterlijk-slechte daad verschilt immers maar gradueel, niet essentieel van een uiterlijkgoede, daar beiden innerlijk slecht zijn.

9. Het geloof verliezen is volgens Calvijn onmogelijk, daar het immers de door God uitgewerkte onfeilbare heilszekerheid is en de mensch niet vrij is. Volgens Luther echter is het mogelijk het geloof te verliezen en daarmee ook de rechtvaardigheid; maar zoolang het geloof blijft, blijft de rechtvaardigheid. Waarschijnlijk nemen sommige lutheranen wel aan dat een geloovige, zijn rechtvaardigend geloof verliezend, het dogmatisch geloof en het geloof in de algemeene heilsbelofte kan behouden, echter niet in den christelijken zin van geloof (c.f. n. 4).

10. De wonderen zijn een bewijs van Christus' openbaring, maar zij zijn als zoodanig slechts gekend en kenbaar voor hem, die al gelooft op grond van de innerlijke inspraak van den H. Geest.

lijke verklaring is de mensch in beide opzichten vrij en is het toch, door de kracht der genade, uitgesloten, dat hij anders zou handelen (cf. Billuart: „Summa Theol. De Gratia" diss. 5, art. 1). Op het oogenblik der rechtvaardiging geeft God blijvende werkvermogens om in de toekomst gemakkelijker als tweede oorzaak onder Gods hulp op te treden (bovennatuurlijke deugden van geloof etc.: „de geloovige wisselt niet met de momenten van geloovige tot ongeloovige en omgekeerd", Kreling, p. 14). Vele theologen, maar niet allen, laten die vermogens ook reeds werken op het moment der instorting.

6. Ook onze andere daden zijn bovennatuurlijkgoed. Wel altijd zullen die daden onvolmaakt zijn, omdat de Geest, die in ons werkt, in onze zwakke menschelijke natuur een veelvoudig tekortschietend instrument vindt. Sommige theologen meenen zelfs, dat een daad tegelijk bovennatuurlijkgoed en eenigszins slecht kan zijn en dat het zoo gesteld is met de meeste akten, ook van de heiligen (c.f. Billarrt: „De Actibus hu man is", diss., art. 4). Maar onvolmaakt is niet hetzelfde als slecht (omdat God niet alle volmaaktheid beveelt c.f. b.v. S. Thomas: S. Theol. I II 100, 9) en eenigszins slecht (dag. zonde) is niet hetzelfde als volstrekt slecht (doodzonde).

7. Genoemde goede daden als zijnde onze goede bovennatuurlijke daden zijn verdienstelijk voor den hemel. Maar gezien het bovenstaande is het duidelijk, dat wij ons er niet op kunnen beroemen tegenover God. Zoo wordt Gods grootlieid hooggehouden en Christus' verlossingswerk zóó doeltreffend beschouwd, dat wij het in staat achten den gevallen mensch tot innerlijkgoede en verdienstelijke daden op te heffen.

8. Het geloof, de hoop, de liefde, het berouw en ook de andere deugden neigen den mensch om deugdzaam te leven, ook in het u i t e r 1 ij k leven, dat een secundair teeken is van de rechtvaardiging. Toch blijft de mensch vrij en kan hij dus zonden begaan, vooral omdat zijn natuur zwak is gebleven. Maar elke zonde, hoe zwaar ook, kan vergeven worden door een akt van berouwvol en liefdevol geloof en hoop in en op Christus.

9. Alleen door eigen schuld (vrijheid) kan de mensch z ij n geloof in Christus' heilsmacht verliezen. Deze schuldige daad doet de liefde verdwijnen en neemt ook den grond voor de hoop weg. Andere grootschuldige daden nemen ook de liefde weg, waarbij echter het geloof en de hoop kunnen blijven. Men heeft dan z.g.n. dood geloof, ' dat natuurlijk niet rechtvaardigt. Het is nog wel een christelijk geloof (als bovennatuurlijke gave door Christus verleend c.f. n. 1), maar de bezitter is daarmee toch slechts eenigszins, niet volstrekt, een lidmaat van Christus (S. Thomas S. Theol. IIX 8. 3 ad 2).

10. Het wond-er (supranaturale quoad modum) geeft een voor het verstand kenbare z.g.n. uiterlijke geloofwaardigheid : het voert „tot de conclusie van de redelijkheid van het geloof, maar voert niet tot het geloof zelf" (Kreling p. 17). De geproportioneerde grond voor het geloof d.w.z. dat God spreekt (inzoover supranaturale quoad substantiam) wordt, volgens de thomistische opvatting, meegeloofd (concreditur).

' Niet precies is dit stuk in zijn formuleering van het gereformeerde gevoelen. Men zal daarmee wel rekenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1940

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1940

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken