Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

PERSSCHOUW

13 minuten leestijd

Onze Koningin.

In „Delfsh. Kb." spreekt ds H. Knoop over

de beoordeelingen, die met ergerniswekkende gemakkelijkheid ten beste gegeven werden, o.a. over het vertrek van onze Koningin. Men stond er verbaasd over, hoe menschen, die van regeeringsverantwoordelijkheid en al wat daar aan vastzit geen notie hebben, die zeker niet op de hoogte waren van de grondwettelijke verplichtingen van de Koningin, precies wisten, wat al of niet moest gebeurd zijn. Ze veroordeelden onverhoord. Dat mag nóóit en dat mag men niemand doen. Dat is zonde. In elk geval zou zwijgen tot de boeken geopend konden worden éérst vereischt zijn.

Laat men toch niet in de kaart spelen van elementen, die de losrafeling der banden van het eigen nederlandsche leven, hoe eerder hoe liever zoeken. Het is erg, als een zwaard onze touwen doorhakt. Maar het is erger, als heel ongemerkt de draden verslijten. Dan hoeft het zwaard er niet eens meer aan te pas te komen.

Isopsephie.

Ds W. Tom schrijft in „Ons Kerkblad":

De isopsephie is de oer-oude kunst om namen, woorden, uitdrukkingen, zinnen en verzen aan te duiden, die door getalswaarden aan elkander gelijk zijn.

Ter opheldering:

Bij de oude Grieken had iedere letter haar eigen getalwaarde, en zoo kon men van ieder woord uitrekenen, welke getalv/aarde het kon voorstellen. Het is echter duidelijk, hoe verbazend moeilijk het is, om omgekeerd uit een getal een woord te vinden. Er zijn dan verbazend veel combinatie's mogelijk.

Ter illustratie:

De Romeinsche schrijver Suetonius vermeldt bij wijze van bijzonderheid deze Grieksche v/oorden: „Nero doodde (zijn) eigen moeder". Zoo oppervlakkig is er aan deze woorden geen bijzonders. Dat Nero dit gruwelstuk beging, was algemeen bekend. Maar nu het bijzondere van dezen zin. De getalwaarde van het Grieksche woord voor Nero is 1005, en de waarde van de woorden „doodde eigen moeder" is ook 1005. Zoo zou men dus hieruit kunnen afleiden, dat Nero als het ware door zijn naam reeds als moedermoordenaar geteekend was.

Alsmede:

Bij de opgravingen te Pompeië, dat in 79 n. Chr. onder de asch van den Vesuvius bedolven is, heeft men op de muren twee liefdesverklaringen gevonden: „Het getal van haar schoonen naam is 1035". „Ik bemin haar, wier getal 545 is." De bedoelde schoone behoefde de getalwaarde van de letters van haar naam maar op te tellen, om te weten, dat zij bedoeld was.

Ter noodige waarschuwing:

' De Rabbijnen hadden uitgerekend, dat het woord „de satan" in het Hebreeuwsch de getalwaarde had van 364, en zij zeiden: 365 is het getal van het zonnejaar en nu gaat er één dag af, de Groote verzoendag, op welken de duivel niet als aanklager kan optreden, dus 365 — 1 = 364!

Het zal duidelijk zijn, als men de isopsephie te hulp roept tot verklaring van het getal 666, hoe dan de deur wordt opengezet voor honderden aandragers van namen of titels of spreuken, die precies 666 tot getalwaarde hebben, gelijk de menschen in onze dagen ook zeggen: het is wel opmerkelijk, maar het klopt toch maar precies!

Men neemt dan het Nederlandsche alphabeth dat, gelijk boven reeds gezegd, aanmerkelijk verschilt van het Grieksche, van welke taal Johannes zich bediende — en stelt dan, geheel willekeurig, de a op 100, b op 101, enz. en weet dan van 666 een inderdaad heel interessante „oplossing" te geven.

Maar zulke „oplossingen" zijn er met kleine moeite vele te vinden. Enkele namen van Gemeenteleden en van andere ingezetenen van Sappemeer kunnen zoo ook als „oplossing" dienst doen!

In een vorig nummer wees ook Adolphus Venator op dit verschijnsel. Het thans door ds Tom gesignaleerde kwaad schijnt dus vrij algemeen te zijn.

De mierenhoop.

Het „Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur" schrijft:

Het is inderdaad wonderbaarlijk, hoe de psychische schok door verreweg de meesten is opgevangen: ik heb van tal van psychiaters en medici vernomen en bij de talloos velen, door de ramp getroffenen, die ik in de laatste 14 dagen gesproken heb, die alles misten behalve wat zij aan het lijf droegen, heb ik persoonlijk bevonden, hoe berustend verreweg de meesten waren, ja sterker, hoe onder dezulken velen waren, die met fierheid en opgewektheid zeiden: wij beginnen opnieuw!

Dinsdag 14 Mei trof de slag. 15 Mei was er dofheid. Donderdag 16 Mei was Rotterdam als een mierenhoop, waarin een mensch heeft getrapt: de voet is nauwlijks opgeheven, of de mieren krioelen door elkaar, om te herstellen, wat mogelijk is. Het was een hoopvol symbool: de lendenen waren weer omgord, de lampen weer ontstoken en in de hand genomen! Men zocht weer van een klein plekje uit een nieuw bestaan op te bouwen en schaamde zich allerminst om van onder op te beginnen.

Zwak en sterk in het geloof.

Ds B. Holwerda vervolgt zijn beschouwingen in „Amersf. Kb." We geven ook onderstaand gedeelte door:

Nu is er nog een derde onderscheiding overgebleven. Ik bedoel die, v/elke Paulus maakt in den brief aan de Romeinen, de onderscheiding van zwak en sterk geloof. Of een beetje uitgedrukt: zwak en sterk in het geloof.

Weer willen we uit de hoofdstukken zelf nagaan wat Paulus hieronder verstaat. Van belang zijn hier vooral de hoofdstukken 14 en 15. We hooren daarin van meeningsverschillen of leergeschillen tusschen twee groepen in de kerk van Rome: meeningsverschillen over het gebruik van vleesch en het onderhouden van dagen, waarschijnlijk vastendagen. En naar de houding, die de partijen in deze zaak aannemen, noemt Paulus hen sterk, resp. zwak in het geloof.

De bizonderheden zijn ons niet bekend. De één is van oordeel, dat sommigen de joodsche spijswetten met de bekende onderscheiding van rein en onrein nog in eere hielden, en dus niet alle soorten vleesch durfden eten; en ook nog zich gebonden achtten aan de oudtestamentische sabbat en feestdagen.

Een ander denkt liever aan een bepaalde ascetische strooming bij sommigen. In alle tijden en bij alle godsdiensten heeft men menschen gehad, die de onthouding predikten van huwelijk, van vleesch of van wijn; menschen van de mijding, al gingen ze niet allen in een klooster.

Zulk een strooming zou nu ook aanwezig zijn geweest bij een deel der gemeente; en dan is het dus zoo geweest, dat oneenigheid ontstond over de noodzakelijkheid en het nut van onthouding en van speciale dagen der onthouding.

Een derde vermoedt evenwel, dat de situatie in Rome te danken is aan soortgelijke toestanden als in Corinthe. Blijkens 1 Cor. 8—10 kwamen de Christenen te Corinthe in aanraking met vleesch, dat aan de afgoden geofferd was; en blijkbaar is ook in Corinthe daarover oneenigheid ontstaan; men had ruzie over de vraag of dat nu geoorloofd was, ja, dan neen. Het is in ieder geval heel opmerkelijk, dat Paulus ook hier spreekt van het zwakke geweten (8 : 7) en van de broeders, die zwak zijn (vs. 9, 10) en die men geen aanstoot geven mag.

Wat nu ook het concrete feit mag zijn, dat tot de leergeschillen oftewel meeningsverschillen aanleiding gaf, kunnen we verder laten rusten. De heele geest en strekking van 1 Cor. 8—10 is dezelfde als die van Rom. 14 en 15. Laten we nu maar aannemen, dat het ook in Rome ging over het eten van vleesch, dat aan de afgoden geofferd was.

Nu was de kwestie niet, of men aan de afgoden mocht offeren; Paulus wijst dat ten overvloede nadrukkelijk af: men kan niet aan de tafel des Heeren zitten en tegelijk aan die der duivelen (10 : 21). Blijkbaar ging de vraag hierover, of je, als je vleesch ging koopen bij den slager, eerst diende te informeeren, of dit vleesch ook afkomstig was van een afgodische plechtigheid (10 : 25); en of je, als je ging dineeren bij een heiden, eerst naarstig moest ; ' 289 onderzoeken of de vleeschschotels ook wat te maken hadden gehad met een heidenschen tempel.

Sommigen in Corinthe, en blijkbaar ook in Rome, zeggen: je mag geen afgod dienen; dus moet je je ook onthouden van alle vleesch, dat aan de afgoden is gewijd. Informeer dus naarstig bij den slager, of bij je gastvrouw, of je zonder bezwaar „als Christen zijnde" dit vleesch kunt koopen en eten.

Maar daartegenover staan nu anderen. Ze zijn het er mee eens: de afgoden mag je nooit oftenimmer hulde bewijzen. En aan de heidensche feesten ga je dan ook uiteraard niet meedoen. Maar voor hen staat het vast, dat je bij den slager niet behoeft te vragen: „van welke koe is dit vleesch afkomstig van een heidensche of van een neutrale? " Want, zoo zeggen ze: al is dit vleesch ook honderd keer aan een afgod gewijd, een afgod is niets. Ook al heeft men het in een tempel gebracht, daarmee blijft dit vleesch toch werkelijk het eigendom van onzen God en van Jezus Christus onzen Heer. De vraag is dus niet, of we vleesch gebruiken afkomstig van een offer dier, maar of wij in ons eten God erkennen als den Gever, en of we met de krachten, die Hij ons verleent. Hem willen dienen.

Paulus is het met die laatste groep principieel eens.

Zij zien terecht in, dat de aarde des Heeren is, en haar volheid ook. Elk pond vleesch, dat de slager voor het raam zet, van welke koe het ook afkomstig is, elk pond vleesch is het eigendom van Christus. En bij wie je ook gaat eten, in welk hotel ook, het is volmaakt onverschillig uit religieus oogpunt, wat je daar te eten krijgt. In elk restaurant, hoe volkomen wereldsch de sfeer daar ook moge zijn, is toch elke schotel het eigendom van Christus. En het komt er dus slechts op aan, dat je dat erkent.

Nu behoef ik niet verder er op in te gaan, op welke wijze Paulus de eenheid in de gemeente zoekt te herstellen en de broeders bij elkaar brengt. Ons interesseert nu slechts de vraag, waarom Paulus de één zwak in het geloof noemt, en de ander sterk.

Beide groepen gelooven, dat ze het eigendom van Jezus Christus zijn, en willen gehoorzaam Hem dienen. Ook zwak-zijn in het geloof heeft dus niets te maken met toevluchtnemend geloof. Beide groepen hebben het ware geloof van Zondag 7.

Maar het verschil ligt hier: de één aanvaardt Christus met al Zijn weldaden, de ander tengevolge van gebrekkig inzicht doet dat niet.

De één gelooft en geniet de volle vrijheid, die Christus verwierf, ook inzake het eten b.v., in de vrijmaking van spijswetten en van vastendagen; de ander ziet die vrijheid niet voor zichzelf en betwist die aan den broeder.

Misschien is het niet ondienstig er aan te herinneren, dat de schrijver hier niet handelt over de heel andere kwestie van deelneming aan „plechtigheden", waarin aan de afgoden geofferd werd, of aan offieiëele maaltijden, waarin bij wijze van verlengstuk van het afgodisch offer het vleesch der offerdieren geserveerd werd. Die vraag is weer een andere; en men rekene daarmee bij de lezing van bovenstaande; anders zou men ds H. misverstaan.

Ds W. Breukelaar. f

Na dr H. Kaajan en ds J. L. Schouten is ds W. Breukelaar de derde „Synodale" figuur, die in korten tijd van ons weggenomen is. De heer W. C. F. Scheps schrijft in „N. H. Ct." een artikel over dezen volijverigen Zendingsman en merkt o.m. op:

Onze herinnering gaat terug naar dien Zaterdagmiddag, toen we in de pastorie van Zaandam een vraaggesprek hadden met ds Breukelaar aan den vooravond van zijn 40-jarig ambtsjubileum, in Nov. 1928.

Ds Breukelaar vertelde van een omvangrijke correspondentie, die hij met verschillende arbeiders in dienst der zending geregeld voerde. Brieven van den omvang van een brochure. En alles met de pen, want met een schrijfmachine hield deze predikant, naar hij vertelde, zich niet op. Hij kende de zendingswereld door en door. Hij wist de verschillende zendingsterreinen en hun eigensoortige behoefte als op een prik. En toch heeft hij nimmer een voet in Insulinde gezet. Maar hij was er door jarenlange bemoeienis eigen en vertrouwd mee geworden. En toen hij ook een van zijn kinderen in dienst der zending zag heengaan (ds A. Pos van Djokja is gehuwd met een dochter van ds Breukelaar), mocht hij de kroon zien gezet op al zijn zendingsliefde en ijver.

Wat de vrucht van den veelzijdigen arbeid betreft:

God heeft ds Breukelaar rijke vruchten op zijn arbeid te aanschouwen gegeven. Het zendingswerk der Geref. Kerken heeft de laatste kwarteeuw 'n ongekende vlucht genomen en de liefde voor dat werk is ook in het moederland geklommen. De enorme oplage van het Zendingsblad, dat ds Breukelaar practisch tot het laatst van zijn leven alleen gevuld heeft, is er mede een bewijs van. En onderwijl werkte deze onvermoeide zich al meer in de zaken in, en of het nu ging over de Opleidingsschool te Djokja of over het Petronella-hospitaal of over de vraag, of de Geref. Kerken het zendingsterrein te Madioen al dan niet zouden overnemen, ds Breukelaar wist er alles van.

Inderdaad, voor den krachtig ontplooiden Zendingsarbeid heeft ds Breukelaar een massa mogen doen. Hoe het in de toekomst met dien arbeid gaan zal, — God alleen weet het. Zelfs al zou het moeten terugloopen, dan heeft nog het levenswerk van den overledene blijvende winst afgeworpen.

Interpretatie van de belijdenis.

Ds H. Meulink schrijft in „Enschedésche Kb.":

Voor enkele weken werd de kreet van Prof. Waterink gehoord, dat er predikanten waren, die de be-

290 lijdenis wilden interpreteeren „niet naar het wetenschappelijk dogmatisch inzicht van de opstellers der belijdenis, maar naar het geloofsbewustzijn in de geloofsgemeenschap der Kerk".

Naar het geloofsbewustzijn der gemeente. O, foei, dat is ethisch, dat is subjectief; dan maakt ieder er van wat hij wil en alle vastigheid is weg. Gelukkig echter, zulke predikanten zijn er niet in de Geref. Kerken, en als ze er waren, behooren ze er niet thuis.

Neen, van die oud-ethische stelling moeten wij niets hebben.

Een paar jaar geleden heb ik op de Twentsche predikanten-conferentie de historische interpretatie verdedigd.

Ds C. V. stelt in „De Reformatie" het probleem: kerkelijk-historische interpretatie of neerslag van wetenschappelijk-theologische beschouwingen.

Hij geeft vervolgens Kuyper's opinie over deze materie weer.

Hierna geeft ds Meulink een overzicht van wat ds C. Veenhof in ons blad opmerkte, om met deze letterlijk aangehaalde zinnen van dr Kuyper te besluiten:

„Er is in elke Belijdenis te onderscheiden tusschen de zaak die men belijdt en den vorm, waarin dat beledene wordt uitgedrukt. Onveranderlijk blijve alleen het eerste, al het overige wissele naarmate God de Gemeente het inzicht, de gedachte en het Woord geeft.

Slechts beginne men nooit van meet af, maar belijde zijn geloof steeds op de historische lijn, d.i. in aansluiting aan de Belijdenis der Vaderen, maar die zoo mogelijk beter uitgedrukt, Schriftmatiger bepleit, enz.

Van repristinatie walgden onze Dordsche Kerkvaderen. Hun blik doorzag de toekomst en als mannen des vrijen geestes hebben zij juist, die miskende en verguisde mannen, voortdurende reformatie ook op het stuk der Belijdenis gewild.

Stem is dus volkomen de onderscheiding tusschen de substantie in den vorm der Belijdenis, zelfs tusschen een quia en quatenus toe, hierin verschil ik van vele broeders, dat ik óók dien vorm niet aan de gissing, aan den willekeur, aan den inval van den enkele wil overlaten, maar evenals de Substantie van de Kerk vraag, mits die vorm slechts niet versteene, maar de beweging van het gemeenteleven volge op den voet; en dat ik evenzoo de onderscheiding van het quia en quatenus niet aan elks goeddunken prijsgeef, maar ter beslissing opdraag aan de macht, die over allen, en dus ook over den prediker staat: aan de Gemeente, sprekend in haar wettig, geestelijk, door gebed geheiligd orgaan".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1940

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1940

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken