Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

12 minuten leestijd

„ALGEMEENE GENADE'

IV.

door Prof. Dr K. SCHILDER

Hiermee is het probleem scherper gesteld dan in den laatsten tijd onaer ons wei hei geval is. Als wij van verscher-ping - van het probleem spreken, dan denken wij daarbij nog niet eens allereerst aan den term „genade". Met betrek- Ising tot dat woord is nadere onderscheiding thans weliswaar evenzeer als in de dagen der pas opkomende gereformeerde theologie beslist noodzakelijk. Maar wij hebben, in ons spreken van scherpere probleemstelling, het oog speciaal op het vraagstuk van den omvang der kringen, binnen welke zekere „goederen" ook zonder deelgenootschap aan de genade der verlossing door Christus' bloed den menschen toekomen. Wie tusschen „algemeen" en , .gemeen" zóó scherp onderscheidt als verschillende klassieke gereformeerden gewoon zijn, die zal met betrekking tot den omvang en de doorwerking van wat al of niet allen menschen toekomt, perspectieven openen en begrenzingen in acht nemen, die thans veelszins verwaarloosd worden. Vooral, wanneer hij daarbij nog bedenkt, dat de „organische" inwerking van de ééne „sfeer" in de andere wel bij Kuyper een geliefkoosd thema is, maar toch grootendeels vreemd aan de oudere gereformeerden; gelijk het trouwens ook in onzen kring, o.m. door Dr J. Ridderbos, ten deele critisch bezien geworden is; een niet overbodige en niet voorbarige moeite.

Wij zijn er ons bewust van. dat wij in het bovenstaande het probleem der „algemeene genade" slechts even hebben aangeroerd. En dat onze aanwijzing van zwakke steeën in de onder ons commune, en dus „gangbare" desbetreffende meeningen zeer kort gehouden is, en tot veel breeder exposé's zou moeten uitdijen, wilden wij het ontbreken van concepties, die den toch serieus-klinkenden naam van leerinyen zouden verdienen, afdoende demonstreeren.

Ook thans evenwel gedachtig.aan het feit, dat een kerkelijke vergadering als een generale synode geen loetenschappelijk college is, blijven wij hier halt houden. Wij merken alleen nog maar op, dat uitvoeriger toelichting van het eerste deel van wat tot nu toe werd opgemerkt onderscheidene oneffenheden in de „gemeenegratie"-concepten zou kunnen aanwijzen: zoo b.v. in de behandeling van het „natuurlijk licht"; in het soms tastend omschrijven van wat deze en gene auteur verstaat onder „genade"; in de bepaling der beteekenis, die Christus, ambtelijke gehoorzaamheid en ambtelijke recht­ aardiging heeft voor het wereldleven; in de waardeering van de geschiedenis; en van den tijd; en niet in de laatste plaats van de verhouding van algemeene en bijzondere openbaring; en van de beteekenis van deze beide; van het beeld Gods, in den ongevallen zoowel als in den gevallen mensch; in de anthropologic; de verhouding tusschen theologie en philosophie; theologische en philosophische ethiek; het probleem van de rechte cultuvir-waardeering; van het geweten; van de relatie tusschen kerk en staat; van opkomst en taak der overheid (artikel 36 der Confessie!); van kerk en koninkrijk Gods; van het ambtsgebed; en van allerlei andere problemen. Het zou ons geen moeite kosten, uiteen te zetten, dat, en in welk opzicht, niet pas na, doch misschien veel sterker vóór de opkomst van nieuwere opvattingen, in de „oudere" school derhalve, op deze punten allerlei opinies elkaar reeds lang hebben gekruist en meermalen weersproken, zonder dat dit. ooit aanleiding werd tot kerkelijke bemoeiing in dezen.

Tot nu toe is dan ook deze houding van sympathetisch-critische belangstelling in constructieve pogingen tot oplossing der in aanmerking komende problemen onder ons, ook in kerkverband, wel vruchtbaar gebleken. Trouwens, aan vermaningen in deze richtingen heeft het niet ontbroken. Om slechts enkele voorbeelden te noemen: de geschiedenis der schrapping van enkele woorden uit artikel 36 der Confessie is, voor wat het kerkelijke aandeel daarin betreft, geëindigd in een verklaring van prof. dr A. G. Honig, die juist wat den thetischen kant van het probleem betreft, een gapende lacune zag. Dr V. Hepp schreef eens: Kuyper en Bavinck zijn weggenomen vóór den dag des kwaads. Wij vermoeden, dat prof. Honig zal hebben erkend, gespaard te zijn gebleven tot den dag des goeds: aan de solutie van het door hem zelf terecht gestelde probleem is sinds hard gewerkt.

Voorts mogen ook de langs wetenschappelijken èn kerkelijken weg ingebrachte bedenkingen tegen enkele aan de synode van Arnhem aangeboden, de signatuur van dr V. Hepp dragende, maar door haar terzijde gelegde „Arnhemsche artikelen", waarin met name aan het openbaringsbegrip (zie hierboven) aandacht gewijd werd, ons manen tot voorzichtigheid; temeer, omdat één der in die Arnhemsche artikelen voorgedragen opvattingen .— nopens het openbaringsbegrip — reeds eenmaal ter sprake gebracht is in een rapport van deputaten voor de oefening van het verband met de V.U.

Verder, de vraag, wat al of niet op de „doopersche" lijn ligt, werd verschillend beantwoord, niet wat betreft de groote lijnen van het vraagstuk van natuur en genade, maar wel wat aangaat konkrete kwesties, zelfs van direct kerkelijk belang. ,

De vraag, eindelijk wat christelijke w-etenschap is, en christelijke wijsbegeerte (!) vond meer dan eens verschillende beantwoording; zelfs werd nog vrij kort vóór den aanvang der Sneeker synode door een ook in het debat over de meeningsgeschillen opgetreden predikant dienaangaande een meening verkondigd, die sterk afwijkt van Kuyper's leeringen, zooals we het thans dankbaar uitdrukken: deze auteur noemde christelijke wijsbegeerte: wijsb-egeerte van Christenen. Het maant _alles tot voorzichtigheid. Als een gereforme^d *. predikant Christelijke wijsbegeerte de wijsbegeerte van christenen noemt, en allerlei belletristen noemen christelijke kunst de kunst van christenen, waar blij­ ven we dan? Zijn er gangbare leeringen prijsr gegeven? Maar dan toch zeker hier.

Onder dit alles zette inmiddels de stille en gezegende arbeid van onze gereformeerde exegese zich voort. Wij noemen dezen veelszins zoo verrassend vruchtbaren arbeid wel met bijzonderen nadruk. Slechts een greep doende, merken we op, dat de resultaten van nieuw ingesteld exegetisch onderzoek ons velerlei nieuws hebben gebracht; dat slechts langzamerhand doordringt tot ons volk, maar dat straks zeïcer zijn consesequenties zal hebben ook voor het dogmatisch onderzoek, en ook voor de „gemeene-gratie" kwestie.

Een „tot nog toe" niet gangbare maar niet minder verblijdende uitlegging vernamen we van enkele Schriftplaatsen die tot nu toe vaak werden beschouwd als steun voor bepaalde opvattingen van Dr A. Kuyper en vele anderen met betrekking tot opkomst en autorisatie der overheid; wie Kuyper's Schriftbewijs nagaat, zal de door hem in dit verband aangevoerde schrift-, plaatsen tegenwoordig anders uitgelegd zien dan Dr A. Kuyper, óók in grondleggende beschouwingen nopens de gemeene gratie deed.

Een andere uitlegging kregen wc van enkele plaatsen uit de Openbaring van Johannes; de voor Kuyper's gemeene-gratie-concept (de „progressieve" lijn!) zoo beteekenisvoUe plaats, waar sprake is van „de eer en heerlijkheid der koningen", ingedragen in het nieuwe Jeruzalem, vindt geen steun meer in de nieuwere exegese.

Een andere uitlegging kregen we van één der fundamenteele Schriftplaatsen nopens de algemeene openbaringf, en haar uitwerking onder de - heidenen. Velen stonden de oudere opvatting voor, volgens welke Gods kracht en goddelijkheid (Rom. 1 : 20) uit de schepselen door de heidenen worden verstaan en doorzien. Ook dr V. Hepp besluit zijn algemeene-genade-brochure met „het doorzien van Gods eeuwige kracht en goddehjkheid buiten de speciale openbaring om", als ware het een vast gereformeerd dogma, te constateeren. Hij vreesde, dat ondergeteekende op den duur krachtens zijn overtuiging inzake de , , gemeene gratie" ook dit punt van dr Hepp's eigen theorie omtrent de algemeene openbaring in gevaar zou brengen. Hetgeen ongetwijfeld juist is. Maar wij vragen: hoe staat het met het Schriftbewijsl Vrucht? baarder dan in 1936 onderstellingen over de toekomst te opperen, is het, het contact, dat reeds vóór 1936 tusschen exegeet en dogmaticus bestaat te bewaren en te versterken. Welnu, reeds enkele jaren vóórdien had prof. Greijdanus Rom. 1 : 20 aldus uitgelegd, dd, t van dr Hepp's axioma, aangaande „het doorzien" enz., niets overblijft. Tegenover de gewenningsexegese, jaren lang ongetoetst overgegeven, kwam nu een andere te staan, welke dit , , doorzien" bond aan een voorwaarde, een voorwaarde, aan welker practische erkenning de onwedergeborene van nature weerstand biedt, en die hij weerspreekt, en waarvan hij het bewustzijn volgens de Dordtsche Leerregels ten ónder houdt en geheel bezoedelt.

Niet anders staat het met de exegese van Rom. 2 : 14, 15 („het wérk der wet, dan wel de wet geschreven in het hart der „heidenen"). . Dit is slechts een greep. Opzettelijk zwegen wij dan nog van het feit dat ook nog kort vóór de Sneeker synode op andere wijze de verhouding tusschen exegese en dogmatisch-openbaringshistorisch denken een actueel belang bleek te zijn, toen n.l. een onderzoek werd ingesteld

naar de beteekenis der bergrede, een voor de gemeene-gratie-kwfstie uiterst beteekeiüsvol Schriftgedeelte.

Maar bewijst dit weinige niet, dat, gelijk voor zoo menige beschouwing, zoo óók voor die aangaande de „algemeene genade", het zoo vaak dankbaar vermelde nieuwere Schriftonderzoek ons allen tot uiterste voorzichtigheid maant? We Soelden hierboven op exegeten, die vele jaren lang kerken en scholen gediend hebben; als wij God danken voor hun arbeid, die toch menige „gangbare meening" heeft ondermijnd (in den goeden zin des Woords), wat blijft den kerken dan anders geboden dan de grootste voorzichtigheid, óók in het afwachten van verdere resultaten?

Zoo meenen wij te hebben aangetoond, dat van gangbare leexingen inzake het probeem der „gemeene gratie" in geen ander opzicht sprake kan zijn dan ten aanzien van de kemleer, door ons in den aanvang van deze artikelen-r, eeks aangeduid: de volstrekte noodzakelijkheid der afwijzing van het dualisme tusschen „natuur" en „ffsnade". Op vrijwel alle andere pimten zien wij onzen gereformeerden vernieuwingsarbeid, gelijk trouwens Kuyper en Bavinck zelf herhaaldelijk verzekerden, nog nauwelijks schuchter begonnen. Wij moeten en wij mógen de schade van enkele verzuimde eeuwen inhalen. En zouden we elkaar dan voor de voeten loopen?

Nu is ons geen enkele opvatting van den nieuweren tijd bekend, die van de zooeven genoemde gangbare leering afwijkt. Veeleer hebben wij de Sneeker synode en de kerken opgewekt tot dankbare erkenning jegens Hem, die den arbeid van veler jonge en toegewijde kracht rijk heeft willen zegenen, óók in dezen zin, dat wat vroeger op dit punt nog aarzelde en on- > zeker was, thans is bevestigd in het geloof. Wij meenen, dat de tegenstelling tusschen roomsch en doopersch ter eener, en gereformeerd ter anderer zijde in den laatsten tijd onder ons nog veel scherper gezien, en dankend aanvaard en in haar practische consequenties doorgetrokken werd, dan vroeger. Wij tasten dan ook nog steeds in het duister, als wij moeten vaststellen, welke opvattingen door de bekende deputaten van de Amsterdamsche synode van 1936 nu eigenlijk zakelijk te onderzoeken en te toetsen zijn geweest.

In deze onzekerheid hebben wij, die zelf tot deze deputaten behoord hebben, een oogenblik gt.< uacnt aan een door dr V. Hepp voorgedragen opinie omtrent het z.g. algemeene getuigenis des H. Geestes. Dit theologisch probleem is, ook volgens getuigenis van dezen auteur zelf, ten nauwste met dat van het „natuurhjk licht" en dus van de „gemeene gratie" verbonden. Van „het natuurlijk licht", zeiden we; en we herinnerden reeds eraan, dat de Dordtsche Leerregels zelf erkennen, dat dit volgens de Remonstranten een probleem der „gemeene gratie" is. Inderdaad is tegen de opvatting, die dr Hepp voordroeg, het bezwaar ingebracht, dat zij den onontbeerhjken schriftuurlijken grondslag miste; dat zij den onwedergeboren mensch een zekerheid en ook een zekerheidsgrond toedacht, welke de Schrift en de beUj denis inzake de houding van den natuiurlijken mensch tegenover alle werkelijke licht hem ontzeggen; en dat zij zich langzaam maar zeker in haar consequenties verwijdert van de Dordtsche Leerregels.

•Vvaren we van meening, dat de Amsterdamsche synode aan deze betrekkelijk nieuwere opvatting gedacht had, dan zouden we zeker op dit stuk breed dienen in te gaan. Uit wat door ons geschreven is, kan bekend zijn, dat wij meenen, de betwiste opinie te moeten verwerpen.

Wij meenen evenwel dat de Amsterdamsche synode niet aan deze meening heeft gedacht, wijl we in den tekst van haar besluit lezen, dat het gaat over opvattingen, die worden voorgedragen. Dat moet dus het geval geweest zijn omstreeks 1936. Het boek evenwel, waarin de auteur de door ons persoonlijk gewraakte opvatting neerlegde, is reeds geruimen tijd vóór 1936 verschenen. Wel is het sinds bestreden, en dit door meer dan één, maar de auteur heeft. die bestrijding niet beantwoord; men moet het dus eigenlijk zóó zeggen, dat de tegenovergestelde meening (waarmee we in groote trekken het eens zijn) voorgedragen werd, ook nog in de aan 1936 voorafgaande periode, maar juist de in geding zijnde opvatting zélf werd niet verder voorgedragen. In dezen wachten we nog op een toegezegde vervolgstudie.

Wij laten derhalve dit punt hier rusten. Echter niet, zonder als onze meening uit te spreken, dat bedoelde opinie in een breedere bespreking van het gemeene-gratie-probleem zéker aan de orde zou moeten komen, en dat het onmogelijk zou zijn, de nieuwere opvattingen van vóór 1936 te behandelen, zonder tevens óók haar te bespreken, en te toetsen aan Schrift en belijdenis. Hetzelfde geldt van na 1936, en dan weer uit denzelfden kring, voorgedragen theorieën over het ., geweten" en annexe vraagpunten.

Voorts zijn ons geen van gangbare leeringen afwijkende opvattingen bekend. Wel weten we, dat met betrekking tot Christus' middelaarspositie in haar beteekenis voor het wereldleven, vóór en na 1936 sterke meeningsgeschillen aan den dag getreden zijn. Maar juist die geschillen bewezen de 9ntstentenis van gangbare leeringen.

Ook is ons bekend, dat met betrekking tot de verhouding van natuur en genade verschil rees; de vraag is gesteld, of van natuur en genade, dan wel van genade en natuur te spreken zou zijn. Op deze vraag kan evenwel een antwoord eerst dan gegeven worden, en eventueel een „ja" tegen een „neen" komen overstaan, als vooraf het begrip van genade scherp is gesteld. Juist daaraan schort het evenwel, gelijk we zeiden; er moge voor wat betreft Christus' veflossingswerk, gelijk het aan uitverkorenen en geloovigen wordt verheerlijkt, een vrij duidelijk begrip van genade aanwezig zijn, gangbaar in groote trekken, maar juist in betrekking tot het punt der „gemeene gratie" ontbreekt tot nog toe elke gangbare meening. Hetgeen ook begrijpelijk is, gezien de chaotische verwarring op dit punt. Er zijn opvattingen van „genade" mogelijk, waarbij de volgorde van genade-natuur te verdedigen zou zijn. Een discussie daarover kan evenwel eerst dan kerkelijke aandacht hebben, indien een weten schappelijk ondersteund en geformuleerd genade-begrip zou zijn genomen tot basis voor meeningen, welke zelf met een coniessioneele uitspraak, of haar totaal, in strijd zouden komen, of deze zouden ondermijnen, of ook — geüjk we hoorden constateeren met betrekking tot het gememoreerde gevoelen inzake het algemeen Geestesgetuigenis — zich langzaam maar zeker daarvan zouden verwijderen. En daarvan is ons niets gebleken. Als de één , .genade" opvat als ., gunst!', een ander als „verbeurde gunst", een derde als „niet-verdiende gunst" dan kaVi men daarover zeer zeker disussies voeren, waarvan het belang door ons erkend wordt. • I

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 januari 1946

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 januari 1946

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken