Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

OPPERVLAKKIG, SCHULDIG SCHRIJVEN.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

OPPERVLAKKIG, SCHULDIG SCHRIJVEN.

24 minuten leestijd

In „Gereformeerd Kerkblad voor Drente en Overijsel" van 16 Aug. 1947 schrijft M. (ds J. H. Meuleman? ): ,

„Ja, o raadselachtig gebeuren, , zelfs in de kring der Vrije Evangelische Gemeente is men aan een vrijmaking niet ontkomen. Het zal U bekend wezen, hoe de predikant der Vrije Evangelische Gemeente te 's-Gravenhage zich heeft - vrijgemaakt (!) en ondertussen een bereidwillig aangeboden onderdak heeft gevonden bij de broeders, die er een eigen opvatting van Art. 31 der Kerkorde op na houden. Wie nu weet, hoe - vrij de predikanten in de Vrije Evangelische Gemeente zijn in hun prediking, in de liturgie enz., kan hier slechts met verbazing toezien. We kunnen over de gang van zaten vele vragen stellen, die wel geen besmtwoording zullen vinden".

We kunnen hier inderdaad allerlei vragen stellen, maar dan aan ds Meuleman. Weet ds Meuleman hoe ds Verhey preekt, n.l. Grereformeerd, naar Goda Woord, of niet? Weet hij, dat ds Verhey niet Gereformeerd is in zijn geloof aangaande de kerk, noch Gereformeerd in zijn opvatting van het kerkrechtj Acht hij, dat, wanneer men maar zelf vrij is om te preeken wat men voor recht houdt, en in de liturgie te handelen naar verkiezen, men ook de kerkelijke gemeenschap wel aanhouden mag en moet, met hen, die ook zoo vrij zijn, en wellicht preeken en liturgisch handelen geheel in strijd met wat men zelf meerit dat naar den eisch van Gods Woord is? Kan men bij zulk eene beschouwing eigenlijk zich ook wel niet voegen bij de Hervormde Kerk? Hebben onze Vaderen dan in 1834 en 1886 niet zeer verkeerd gedaan? Of waren die niet vrij in hunne prediking? En niét eveneens voor een groot deel vrij in de liturgie?

Bij deze vragen nog een positieve uitspraak. Ds Meuleman schrijft van „broeders, die er een eigen opvatting inzake Art. 31 der Kerkenorde op na houden". BlijkMis het verband bedoelt hij daar ons, van de vrijgemaakte kerken mee. Laat dan hier de verklaring staan, dat onze opvatting van Art. 31 K.O. niet een „eigen" opvatting is, maar eenvoudig de natuurlijke zin van dat artikel. De voorstelling van dat artikel door prof. dr J. Ridderbos, prof. dr D. Nauta, de Synodes van 1942 e.v.j. maken er niets anders dan onzin vaji; dat is slechts knoeierij ter wille van de gelegenheid uitgedacht, maar geen oogenblik houdbaar voor Schriftuurlijk en Confessioneel denken.

S. GREIJDANUS.

WIJZE VAN ARGUMENTEEREN DOOR SYNODALE PRAEADVISEURS TER TUCHTOEFENING.

Ds T. H. Meedendorp spreekt in „Ons Kerkblad" van de Geref. Kerk te Ureterp er over, hoe sommige menschen redeneeren, dat „waar zooveel afgevaardigden van kerken bijeen zijn, en door zulke geloovige, Schriftgeleerde, ervaren menschen (vooral op een Generale Synode) ondof aanroeping van den Naam des HEEREN nog wel, daar kunnen toch eigenlijk geen ongerechtigheden gebeuren, als waarvan die „vrijgemaakten" hen beschuldigen".

Hij deelt daji mede wat in Ureterp geschied is.

„Op 12 April '46 heeft de meerderheid van de Kerkeraad te Ureterp verworpen de zondige leerbesluiten en tuchtmaatregelen der laatste Synodes. Op 7 Mei '46 vergadert de classis Drachten der „Geref. Kerken in Nederland". Natuurlijk werd ook daar gesproken over het voorgevallene te Ureterp. En daar is op die classicale tafel ook aanwezig een advies van twee professoren (Synod, praeadviseurs). Dit advies luidde om ds Meedendorp en zijn mede ambtsdragers alsnog te schorsen. Waarom? ! Met het oog op een eventueel proces over de kerkelijke goederen van de Geref. Kerk te Ure terp, ziet U.

Daar adviseerden dus menschen, die een vooraanstaande plaats innemen in het Kerkelijk leven en op de Synodes. Menschen, die goed thuis zijn in de Schrift en in het kerkrecht. Menschen, tegen wie wij dus vanwege hun ambt en gaven zouden moeten op: ^zien.

En zulke menschen, „vertrouwensmenschen" van de Synode, adviseeren om ambtsdragers te schorsen. Omdat die ambtsdragers valsche leeraars zijn? Omdat zij een zonde hebben gedaan, die hen voor de wereld eerloos maakt en die der kerk schandelijk is ? Omdat zij zóó zwaar hebben gezondigd, dat dit in een gewoon lid der kerk afsnijdenswaardig gerekend moet worden?

Wel neen! aan zulke geestelijke motieven komen deze professorale praeadviseurs niet eens meer toe. Maar zij voorzien reeds, dat daar in Ureterp straks zal worden geprocedeerd voor de wereldlijke rechtbank. En wanneer dan alsnog die ds M. en zijn medeambtsdragers zijn gesehorst door de classis, dan staan

zij in mindere positie; dan staan zij zwakker om aanspraak te kimnen maken op de Éerkelijke stoffelijke goederen.

Daarom, classis Drachten, ga over tot schorsing! In den Naam des Heeren! Als voor , Grods aangezicht! Dan helpt ge Ureterp's kerk het profijtelijkst, daar vaart zij straks voor de rechtbank wèl bij.

Natuurlijk schuift men van „Synodale" zijde onder deze beweegreden van de adviseerende professoren ook weer een geestelijk fundament: wij hebben toch recht en roeping om op te komen ook voor de stoffelijke goederen van Christus' kerk?

Maar ik aarzel niet, om, wanneer men bij advies tot schorsing van ambtsdragers in Gods kerk, met zulke stoffelijke motieven gaat werken als: 't is makkelijker en voordeeliger straks eventueel tegen geschorste dan tegen niet geschorste ambtsdragers te pleiten voor den rechter — ik aarzel niet om rustig neer te schrijven: hier is verwording van de kerkelijke tucht bij zulke hooge leidslieden, hier is misbruik willen maken van de tucht, die geestelijk is, door te benadrukken: kerkgebouw enz. die stoffelijk zijn. Hier is een breuk, een scheiding, wat prof.'Holwerda noemt, bij de normen.

En wanneer men van ons dan tóch eischt, dat wij zulk een leiding zullen vertrouwen, zonder reserve, dan is ons antwoord in den Naam des Heeren: onttrek u zoo spoedig mogelijk aan zulk een leiding van verblinde leidslieden, eer ge zélf met hen in de gracht valt, ter wille van het recht en de waarheid Gods. En om uwer zielen zaligheid. Ja, die beiden".

Uit dergelijke sirgumenteering kunnen we de denkwijzen en de handelwijzen dezer Heeren leeren kennen.

S. GREIJDANUS.

DE CENSUUR DER PROFESSOREN.

Volgens besluit van deputaten, door onze synode benoemd voor eventueele samenspreking, hebben wij in de afgeloopen weken een begin gemaakt met de publicatie van een reeks gegevens over de schandelijke wijze, waarop na'^1942 een aantal trouwe geloovigen op tyrannieke manier van de tafel des Heeren zijn geweerd.

Dat was echter nog maar een begin van het ontstellend relaas der feiten. Immers, de ontaarde tuchtoefening keerde zich vooral tegen de voorgangers, de dragers van het bizondere ambt in de gemeente (en tegen de candidaten voor den dienst des Woords op een speciale manier). Het blijkt ook hier noodig, de „resultaten" van deze kerkverwoestende methode te registreeren voor het heden en de toekomst.

Natuurlijk kan er ook in dit geval niet aan gedacht worden, een volledig overzicht te geven van den gang der gebeurtenissen in hun samenhang. Die taak blijft wachten op samenvattende publicaties van kerkhistorici. We herhalen daarom ook niet meer de verschillende bindingsbesluiten en dreigementen, die van-_ wege de generale synoden sinds 1942 de kerken zijn ingezonden (we verwijzen daarvoor naar de diverse geschriften der laatste jaren). Eveneens herinneren we slechts terloops aan de wegzending van enkele afgevaardigden uit 'de generale synode (de predikanten Van Dijk en B. A. Bos). Onze taak zal zich moeten beperken tot de zoo beknopt mogelijke letterlijke weergave van de taal der gestreken vonnissSh. , Daarbij zullen we ook de wering van de candidaten en de uitsluiting van geheele kerken niet voorbijzien.

Hoewel de procedure betreffende prof. Schilder in haar bizondlerheden bekend genoeg heeten mag (althans bij de werkelijk meelevende gemeenteleden), nemen wij volledigheidshalve den tekst van het over hem gevelde schorsingsbesluit hier nog eens over. Men herinnert zich, hoe op 6 October 1942 (toen al!) door de synode ten aanzien van prof. Greijdanus en prof. Schilder het volgende besluit genomen werd: „De synode, ...... eischt van beide hoogleeraren de categorische verklaring — en dit schriftelijk vóór 15 November a.s. — dat zij zich de facto conformeeren aan de besluiten der synode en aan de uitvoering daarvan op Iqyale wijze hun medewerking zullen verleenen".

In hun antwoord schreven de beide hoogleeraren, dat zij meenden aan de synode „alle recht te moeten ontzeggen, om ons een eisch te stellen van zoodanigen inhoud en op zoodanige wijze, als in Uw brief is geschied". De verdere historie van dien „eisch" is vermeld in prof. Schilders apologie: „De waarheid luistert nauw".

Op 25 Febr. 1944 werden aan prof. Schilder de volgende ultimatieve vragen voorgelegd (nadat op dienzelfden datum de synode reeds had uitgesproken, „dat hij zich aldus schuldig gemaakt heeft aan de in art. 80 ILO. genoemde zonde van scheurmaking"):

1. Of gij hartelijk leedwezen uitspreekt over de , door U aangenomen houding tegenover de Synode?

2. Of gij U conformeert aan de besluiten van de Synode Sneek-Utrecht in haar voortgezette zittingen sedert September 1942 genomen?

3. Of gij erkent, dat Uw adviezen, aan de Kerk van Kampen in Uw schrijven van October 1942 gegeven, hadden moeten zijn nagelaten?

4. Of gij belooft, niets te zullen leeren, wat met de leeruitspraken van de Synode van Sneek-Utrecht niet ten volle in overeenstemming is?

5. Of gij belooft, dat gij op geenerlei wijze tegen die leeruitspraken in de kerken actie zult voeren? Deze vragen spreken voor zichzelf; vooral nu, na enkele jaren. De leugen-bewering, dat feitelijk niemand om de leer werd bemoeilijkt, is hierdoor al'

afdoende weerlegd. Zooals bekend, beantwoordde prof. Schilder deze vragen, na een korte toelichting, telkens met „neen". Op 23 Maart 1944 volgde zijn schorsing met het volgende vonnis:

„De Generale Synode , overwegende:

Ie. dat prof. Schilder in een schrijven van Oct. '42 aan den kerkeraad van Kampen o.m. geadviseerd heeft, dat deze het door die Synode beslotene overeenkomstig art. 31 K.O., niet voor vast en bondig besluit zou houden;

2e. dat hij niet voldaan heeft aan de door de Synode van Utrecht uitgesproken verwachting, te erkennen, dat zijn adviezen aan de kerk van Kampen hadden moeten v/orden nagelaten;

3e. dat hij zich, ook zelfs na herhaalde oproeping, onttrokken heeft aan de behandeling van de dusgenaamde meeningsversohillen in de zittingen van de Synode van Sneek-Utrecht, in Mei-Juni 1942;

4e. dat hij tegen de leeruitspraken dier Synode geen gravamen of andere bezwaren bij deze Synode mgediend heeft, en thans deze leeruitspraken, hoewel de Synode die tegen door anderen ingebrachte gravamina bevestigd en gehandhaafd heeft, openlijk bestrijdt;

5e. dat hij de kerken opwekt de binding aan die leeruitspraken niet te aanvaarden, als ook in strijd met de beslissing, van de Synode van Sneek-Utrecht, dat de classes zich bij de examina vergewissen moeten van de instemming der candidaten met die leeruitspraken, te handelen;

6e. dat hij geweigerd heeft zijn leedwezen over de door hem aangenomen houding uit te spreken, te erkennen dat zijn adviezen aan de kerk van Kampen in zijn schrijven van Oct. '42 gegeven, hadden moeten zijn nagelaten, te beloven niets te zullen leeren wat met de leeruitspraken van de Synode van Sneek-Utrecht niet ten volle in overeenstemming is en te verklaren, dat hij op geenerlei wijze tegen die leeruitspraken in de kerken actie zal voeren; en dat hij alzoo volhardt in de door hem aangenomen houding tegenover de Synode als wettige vergadering van de Gereformeerde Kerken;

spreekt uit, dat hij zich aldus schuldig gemaakt heeft aan de in art. 80 K.O. genoemde zonde van scheurmaking, en besluit:

Ie. met diep leedwezen hem, op grond van artt. 79 en 80 K.O. en op grond van de „Regelen betreffende de beëindiging van de schorsing in, en het verleenen van verlof uit den dienst van hen, die aan de Theologische Hoogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland in vasten dienst onderwijs geven" in zijn ambtelijke bediening als hoogleeraar aan de Theologische Hoogeschool, en als Emeritus-Dienaar des Woords van de Gereformeerde Kerk van Rotterdam-Delfshaven te schorsen voor den tijd van drie maanden, teneinde hem gelegenheid te bieden zijn afdwaling te belijden en alsnog zich nader te verklaren met betrekking tot de hem voorgelegde vragen, waartoe de Synode hem met allen aandrang opwekt en waartoe zij van den Heere bidt, dat Hij hem geve alles wat hij in dezen weg behoeft " (het slot spreekt alleen over de adressen voor kennisgeving van dit vonnis).

Het moderamen van die synode liet op het vonnis deze zinsnede volgen: „Met groote droefheid heeft de Synode deze beslissing genomen, doch na de pertinent-ontkennende antwoorden van prof. SchilderiDleef haar geen andere weg open".^ („Toelichting", pag. 49).

Op 26 Juli 1944 werd prof. dr S. Greijdanus in zijn ambten gesehorst. Zijn vonnis luidde:

„De Generale Synode overwegende:

1. dat prof. Greijdanus niet bereid is zich gewillig te onderwerpen aan de uitspraak der Synode over zijn gravamina;

2. dat hij zich opzettelijk en welbewust keert tegen het besluit der Synode van 16 Dec. '43, dat in onze Kerken niets mag worden geleerd, dat met de leeruitspraken van 1942 niet ten volle in overeenstemming is;

3. dat hij blijkens meerdere publicaties zijn afwijkend gevoelen blijft propageeren en daarin de kerken opwekt de bindendverklaring, inzake het door hem betwiste pimt niet te aanvaarden, waardoor groöte onrust, verwarring en tweedracht in onze Kerken werd aangericht;

4. dat hij, vermaand over dit optreden naar aanleiding van het geschrift: De verklaring der Sjmode van 1905 enz., geweigerd heeft te erkennen den goeden kerkelijken weg verlaten te hebben en evenmin heeft willen beloven zich voor herhading te zullen wachten; ...

5. dat hij bij herhaling, zoowel in brieven aan de Synode als in publieke geschriften, door niet deugdelijk bewezen, zelfs onbewijsbare beschuldigingen en verdachtmakingen den goeden naam en eer der Synodes van 1905, 1939/43 en 1943/44 heeft aangetast en daardoor tegen 't vijfde en het negende gebod van de Wet des Heeren, naar de uitlegging van den Heidelb. Catechismus, is ingegaan;

6. dat hij over dergelijke uitlatingen reeds door de Synode van 1939/43 in haar schrijven van 29 April 1943 en daarna namens de thans zittende Synode in de samenspreking van 12 April 1944 vermaand is geworden en niettemin geen enkele beschuldiging of verdachtmaking heeft willen terugnemen en daarover zijn leedwezen heeft willen uitspreken, zoodat hij de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt; spreekt uit,

dat hij zich aldus heeft schuldig gemaakt aan bestrijding van de leeruitspraken na de beslissing over zijn gravamina, aan voortgaande onwilligheid om zich aan het oordeel der meeste kerkelijke vergadering te onderwerpen, aan het aanrichten van scheuring en tweedracht in de Kerken, en aan herhaalde overtreding van het 5e en 9e gebodi;

en besluit met diep leedwezen prof. dr S. Greijdanus ingaande heden, 26 Juli 1944, op grond van het Onderteekeningsformulier, zoowel voor de Dienaren des Woords, als voor^de Hoogleeraren der Theologische Hoogeschool en volgens art. 79 en 80 der Kerkenordening, èn in zijn rechten als Emeritus Hoogleeraar aan de Theologische Hoogeschool, behoudens zijn finaneiëele rechten, èn als Emeritus Dienaar des Woords van de Gereformeerde Kerk van Paesens ca. te schorsen voor den tijd van drie maanden, teneinde hem gelegenheid tf^geven tot verootmoediging te komen en van deze dwaalwegen terug te keeren, waartoe de Heere hem genadig verleene alles wat hij in ' dezen weg van noode heeft" (het slot handelt over de wijze van publicatie).

We constateeren weer (zie het begin van het vonnis) : de binding aan me leer van 1942 geeft hier ^ grond voor schorsing. Andere opmerkingen houden we op dit oogenblik maar terug. L. DOBKES.

L. DOEKES.

DE WAARHEID!

Dr H. N. Ridderbos heeft in „De Strijdende Kerk" in een artikel, getiteld: „Waarom niet de waarheid gezegd? " aanmerkingen gemaakt op een schrijven dat door de deputaten onzer Kerken voor de (oud) Gereformeerde Kerken in Duitschland aan de kerkeraden van die Kerken was gezonden.

Hij neemt dat stuk. over, dat wij hier ook laten volgen, opdat elk der lezers kan zien, waarop dr Ridderbos critiek meent te moeten uitoefenen.

DEPUTATEN VAN DE GENERALE SYNODE DER GEREFORMEERDE KERKEN IN NEDERLAND VOOR DE (OUD)GEREFORMEERDE KERKEN IN DUITSCHLAND.

Aan de Kerkeraad der (Oud)Gereformeerde Kerk te

Weleerwaarde en Eerwaarde Broeders!

Deputaten der Generale Synode der Gereformeerde Kerken in Nederland voor de (Oud)Gereformeerde Kerken in Duitschland-brengen het volgende onder Uwe aandacht.

a. De Generale Synode van 1939 en daarna heeft met betrekking tot de leer der Sacramenten uitgesproken, dat de Sacramenten, zullen ze waarlijk ^Sacramenten zijn, verzegeling zijn van geschonken inwendige genade. Deze uitspraak is tot bindende leer verheven, en, hoewel eene verbreking van het accoord van 1905 en in strijd met de Drie Formulieren van Eenigheid, in 1943 en 1946 ondanks ingebrachte bezwaren, gehandhaafd. N

b. Dezelfde Generale Synode heeft, in strijd met de artikelen 31 en 79 van de Kerkenordening, Hoogleeraren en Predikanten geschorst en afgezet, terwijl door dezen niet anders was gedaan, dan handelen naar den eisch van art. 31 der Kerkenordening.

c. Ons is ter oore gekomen, dat door de Particuliere Synode der (Oud)Gereformeerde Kerken in Duitschland afgevaardigden zijn benoemd naar de Generale synode der „Gereformeerde Kerken", die bovenstaande besluiten hebben genomen, en dat zij deze synode voor de wettige Synode van de Gereformeerde Kerken houden.

Om deze reden doen voornoemde Deputaten een dringend beroep op U om een ernstig onderzoek te v/illen instellen naar den inhoud en de beteekenis van de gedane leeruitspraken en de rechtmatigheid van de schorsingen en afzettingen, en naar de v/ettigheid van deze synode, en verzoeken U ons te willen ontvangen voor het geven en doen geven van voorlichting.

d. Wij verzoeken U vriendelijk en dringend op dit schrijven zoo spoedig mogelijk te willen antwoorden, opdat wij in staat zijn voor de personen, die U zullen bezoeken, de benoodigde vergunningen aan te vragen voor het overschrijden van de grens.

e. Wij richten ons tot U in de heilige overtuiging, dat de tijdelijke inwoning Uwer Kerken in het verband der Gereformeerde Kerken in Nederland inhoudt, dat U gemeenschap onderhoudt met de Gereformeerde Kerken in Nederland, die zich hebben vrijgemaakt van bovengenoemde zondige synodebesluiten.

Met heilbede en broedergroeten.

Namens Deputaten,

G. VISéE, Praeses.

J. VAN RAALTE, Scriba.

Dr Ridderbos is over dat schrijven nog al gebelgd.

Hij richt aan het adres van Deputaten-het verwijt van leugenachtigheid.

Zijn critiek komt hierop neer:

Ie. Deze deputaten hebben zich in dat schrijven bediend van eenen naam, die hun niet toekomt, en die misleidend was, zoodat de kerkeraden ginds genoodzaakt waren het stuk op „echtheid" te onderzoeken.

2e. Die deputaten wekken de valsche voorstelling, dat er sinds 1939 maar ééne „synode" heeft vergaderd.

3e. Die deputaten dienen hunne Kerken aan als de wachters van 1905, terwijl die het accoord" van 1905 juist hebben losgelaten, maar de „synode" (ik wil dr Ridderbos ook best het genoegen doen „synodeS" te zeggen) heeft 1905 juist vastgehouden.

4e. Die deputaten hebben niet de besluiten der „synodes" letterlijk aan die Kerken doorgegeven, maar deelen die in hunne eigen woorden mee.

5e. Die deputaten geven van die besluiten der „synodes" eene valsche voorstelling.

Wij veroorloven ons enkele opmerkingen tegen dit schrijven van dr Ridderbos.

1. Wanneer hij aanmerking maakt op het feit, dat wij den naam GEREFORMEERDE KERKEN IN NEDERLAND gebruiken, en deputaten in dat schrijven zulks ook doen, is daarin voor die kerken, niets misleidends geweest: die wisten uitnemend goed, van wie 't bedoelde stuk kwam, want de namen der twee onderteekenaars zijn daar niet onbekend; evemnin waren zij er onkundig van, dat er in Nederland in de Gereformeerde Kerken eene scheuring is gekomen; zij waren er ook mede op de hoogte, bij welk deel van die gescheurde Kerken de ondergeteekenden behoorden.

Daarom is het dan ook onwaar, dat dr Ridderbos zegt, dat de kerken in Duitschland in de noodzaak hebben verkeerd om deze brieven-op hunne echtheid te onderzoeken.

Trouwens, die kerken hebben dat ook heelemaal niet gedaan, en daarom is die opmerking van dr Ridderbos een klein stukje nonsens. Misschien zeg ik met dat laatste woord iets te veel, want heelemaal nonsens is het ook weer niet, daar dr Ridderbos met zijn schrijven wel eene bedoeling heeft: „De Strijdende Kerk" is immers het blad van „das Propaganda-Ministerium".

Maar dat die kerkeraden van over de grens geen onderzoek hebben ingesteld naar de echtheid van den in dat stuk gebruikten naam GEREFORMEERDE KERKEN IN NEDERLAND, is duidelijk.

Want hadden zij dat gedaan, dan zouden ze twee dingen gedaan hebben: dein waren zij (ik noem hem nu maar) naar dr Ridderbos gegaan en hadden hem gevraagd: „V/ij hebben dat stuk gekregen, wilt U ons eens inlichten hoe het daarmede staat", en dan waren zij ook naar ds Visée gegaan (ik noem dien nu maar) «n hadden hem ook eene soortgelijke vraag gesteld: „U hebt ons dat stuk gestuurd; wilt U ons eens inlichten, hoe het daarmede staat? Gij gebruikt den naam „Gereformeerde Kerken" en er zijn ook anderen die den naam „Gereformeerde Kerken" gebruiken; wij willen graag van weerszijden inlichtingen hebben, opdat wij objectief kunnen beoordeelen, wie dien naam terecht, en wie hem ten onrechte gebruikt; want wij willen weten, welke van die twee de voortzetting zijn van wat voorheen de „Gereformeerde Kerken in Nederland" jvaren!"

En dat hebben die Kerken niet gedaan.

Het stuk van dr Ridderbos wekt de voorstelling, dat de kerkeraad van Bentheim heel verlegen bij hem is gekomen om te vragen: Waar komt dat stuk toch vandaan ?

Dr Ridderbos kan dat misschien de lezers van „De Strijdende Kerk" wijs maken ten behoeve van „dSfe Propaganda-Ministerium", maar hijzelf weet wel anders !

De beschuldiging van misleiding wijs ik dan ook af, want in ons stuk is duidelijk sprake van tweeerlei Gereformeerde Kerken, n.l. van die, welke in „synode" vergaderd, de bekende besluiten namen en naar wier „synode" de (oud)Gereformeerde kerken afgevaardigden benoemden, en van die, welke zich van dezelfde besluiten vrijmaakten. Wil dr Ridderbos de lezers van „De Strijdende Kerk" de broeders in Duitschland soms voorstellen als onnoozele halzen, die het nog niet eens door hadden, dat de „synode" der „Gereformeerde kerken", die de bekende besluiten namen hen toch zeker niet zou opwekken tot vrijmaking?

Maar het gaat er om, wie inderdaad recht hebben op dien ouden naam: GEREFORMEERDE KER­ KEN. En dat hangt samen met de vraag, waar het nieuwe is gekomen: eene nieuwe leer, en een nieuw kerkrecht. Ik geloof niet, dat wij hët daarover met dr Ridderbos eens worden, maar dat die „synodes" van hem hebben gedaan, wat door die deputaten is gesignaleerd, probeert hij wel te weerleggen, maar hij kan die feiten niet loochenen. We liggen er.

2. Die opmerking over die ééne „synode" kunnen we gevoeglijk laten rusten. Ook ten aanzien van de duitsche kerken ligt daarin niets misleidends, omdat die daarmede wel op de hoogte zijn.

3. Van meer beteekenis is de opmerking, dat wij ons ten onrechte hebben aangediend als, de wachters van 1905, maar. dat zijne „synodes" het accoord van 1905 juist hebben gehandhaafd, en dus die kerken, die het met deze „synodes" houden.

Hier zegt dr Ridderbos eene onwaarheid van zijne „kerken" en van zijne „synodes".

Want dat rust op de stelling, dat-het besluit van 1942 hetzelfde is als dat van 1905, en dat is niet waar, en dr Ridderbos kan dat ook weten.

Op de Synode van 1905 is dadelijk na die gevallen beslissing een bezwaarschrift van prof. L. Lindeboom tegen dr A. Kuyper Jr (feitelijk tegen eene uitspraak van de Prov. Synode van Friesland, maar het ging over eene uitdrukking van dr A. Kuyper Jr) behandeld over het wedergeboren zijn van Paulus; daar is toeri'uitgesproken dat deze zaak op grond van de Belijdenis niet tot beslissing kan worden gebracht", en verder: „dat de Synode de betrokken broeders opwekt om elkander in dit verschil" in liefde te dragen; en dat zij den wensch te kennen geeft, dat ieder zich in zulke teedere en onzekere zaken met alle voorzichtigheid en bescheidenheid uitlate".

Dr Ridderbos zal zeggen: Maar daar ging het niet over de pas genomen besluiten, doch over eene concrete zaak!

Ik wil antwoorden: Dat was een concreet geval met betrekking tot het genomen besluit.

En daarvan heeft, de Synode van 1905 gezegd (ik geef het nu met eigen woorden weer): Er is tweeerlei meening: die van Kuyper en van Lindeboom; de eerste zegt, dat de Doop eene inwendige aanwezige genade verzegelt, de tweede, dat hij uitsluitend een zegel is van de belofte Gods; zij mogen elk himne meening leerep, de eene zoowel als de andere, maar zij mpeten elkaar alsjeblieft niet al te hard te lijf gaan.

Maar de „synode" van 1942 heeft gezegd: Er is maar ééne meening, en „Elke propaganda, met name door ambtsdragers tegen deze aangenomen leer dient te worden nagelaten en geweerd".

Dat waa in 1943 en zoo werd toen officieel namens de „synode" aan de Kerkeraden geschreven. '

Daar werd het „accoord van 1905" tot bindende leer gemaakt met bovendien eene é é n z ij - dig e (1905 kent twee gelijkwaardige zijden!) interpretatie. —

Zoo hebben de „synodes" de wacht betrokken bij 1905!

„Elr is niets veranderd!"; „er is iets ouds gehandhaafd!", heeft dr Ridderbos eens gezegd (ik heb het hem zelf hooren zeggen) en vele synodale broeders zeggen het met hem.

Als ik dat hoor, moet ik weer denken aan „das Propaganda-Ministerium" van eenen anderen Doctor en diens terminologie, die precies dezelfde was, als die wij voordien gewoon waren te gebruiken, zooals b.v. het begrip „Freiheit"; maar wat hij dasirmede bedoelde, gaven wij vroeger eenen anderen naam!

4. I> r Ridderbos klaagt ook, dat die deputaten niet den eigenlijken tekst van de besluiten der „synode" aan de duitsche kerkeraden hebben meegedeeld.

Ik wil alleen opmerken, dat de door de deputaten gegeven voorstelling van zaken niet onjuist is, en dat het juist de bedoeling was om die kerkeraden daarvan volledig op de hoogte te stellen; dat die daputaten dat ook uitdrukkelijk in hun schrijven hebben laten uitkomen, EN DIE KERKERADEN OP­ WEKKEN OM ER KENNIS VAN TE NEMEN.

Daarom is deze opmerking van dr Ridderbos onwaardig.

5. Ik kom thans tot de hoofdzaak.

Dr Ridderbos beweert, dat geen enkele „synode" heeft geleerd dat de sacramenten inwendige aanwezige genade verzegelen en dat als bindende leer is. voorgeschreven, zooals door die deputaten is voorgesteld.

Hier spreekt dr Ridderbos tegen beter weten in.

Of is het soms niet waar, dat de „synode" „Deputaten voor zwarigheden" benoemde, die o.a. met cand. Schilder samenspraken, en dat die Deputaten van dien candidaat ter „synode" ook hebben geklaagd, dat hij niet wou aanvaarden, dat de Sacramenten i n - wendige aanwezig.e genade verzegelen?

Dat niet alleen; maar ook dat hebben zij geklaagd!

Wisten die Deputaten soms niet, wat de bedoeling van de „synode" was? Hébben zij „misgetast", zooals „das Blatt des Propaganda-Ministeriums" „De Strijdende Kerk" het indertijd signaleerde?

"Kom, kom, dr Ridderbos was ook ter „synode", en weet dus ook wel, dat de „synode" zelf bij de behandeling van die zaak juist aan dat pimt van die klacht dier Deputaten heeft toegevoegd: „gelijk in de Nederlandsche Geloofsbelijdenis art. 33 geleerd wordt".

Dat was toch zeker wel - ^an de „synode".

Dr Ridderbos zal zeggen: „Maar de „synode" heeft dat teruggenomen!

Dat staat uitdrukkelijk in de Acta!"

„Ik antwoord: De „synode" heeft het NIET teruggenomen. Wij weten nu wel zoo langzamerhand, dat wij de uitspraken van die „synodes" op een goudschaaltje moeten wegen om precies te weten, wat ze wel, en wat ze niet wil zeggen.

Want inderdaad is gezegd, dat de „synode" het betreurt, dat de voorstelling is ingeslopen, dat cand. Schilder zóu zijn geweerd, omdat hij niet wilde aanvaarden, dat de Sacramenten inwendige aanwezige genade verzegelen.

Maar hoe sloop die voorstelling in?

Doordat de „synode" zelf onder" die klacht nog eens een extra streep zette.

Is dat nu een „synodale" uitspraak geweest, of niet?

Jawel!, maar de „synode" betreurt het, dat deze voorstelling is ingeslopen, en heeft dat dus teruggenomen!, beweert men.

Maar hier hebben wij het goudschaaltje noodig.

Want feit is, dat de samenspreking met cand. Schilder juist op dit punt is vastgeloopen. Die heeft aan deze Deputaten bericht, „dat ik Uw stelling, dat de Sacramenten het aanwezig geloof verzegelen onder geen beding kan aanvaarden".

Daarop hebben Deputaten ook die klacht ter „synode" gebracht, en de „synode" zegt: Wij zullen hem wel mores leeren, want hij komt daarmee in strijd met art. 33 van de Geloofsbelijdenis!

En als dan later de kerkleden de consequentie van zulk eene uitspraak trekken, dan is het ten onrechte ingeslopen.

Maar heeft de „synode" toen gezegd: „Wij hebben niet bedoeld, dat de Sacramenten inwendige aanwezige genade verzegelen!"?

Volstrekt niet. • Want dé "„synode" bedoelde dat wel!

Dat blijkt ook uit andere dingen.

Heeft niet de „synode" eene TOELICHTING, gegeven ter verduidelijking van die befaamde besluiten, die reeds deze leer voorzichtig naar voren brengt' Is daarop niet een PRABADVIES gevolgd, dat dit heel duidelijk heeft gedaan?

Ik hoor Ridderbos en „0e Strijdende Kerk" al weer zeggen, het uit den treure herhaalde: „Die Toelichting en dat Praeadvies zijn niet bindend!"

Laat ik daar tegenover vragen: Vertolken zij de meening van de „synode"? De „synode" heeft het noodig geacht om beide aan alle Kerkeraden toe te zenden.

Waarom?

OPDAT DIE GOED ZOUDEN WETEN, WAT DE BEDOELING VAN DE „SYNODE" WAS MET HET DOOR HAAR „HERHAALDE" 1905.

Heeft later soms ooit eene „synode" gezegd: „Die Toelichting en dat Praeadvies geven de bedoeling van de „synode" heelemaal averechts weer! Het was niet onze bedoeling om te zeggen, dat de Sacramenten inwendige aanwezige genade verzegelen, maar wij als „sjmode" bedoelden, dat zij een zegel zijn van de be-• lof te Gods alleen!"?

Mij is zooiets niet bekend.

Men heeft dat allemaal rustig laten staan, en is gaan camoufleeren, dr Ridderbos mee.

En daarom moeten menschen, die daar achter staan, niet komen met de opmerking: „Waarom niet de waarheid gezegd? "

En ik heb slechts eene vraag: „wanneer zullen wij den tijd beleven, dat enkel de waarheid genoegzaam geacht wordt als middel om zijn zaak te verdedigen? "

J. VAN RAALTE.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 27 september 1947

De Reformatie | 12 Pagina's

OPPERVLAKKIG, SCHULDIG SCHRIJVEN.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 27 september 1947

De Reformatie | 12 Pagina's

PDF Bekijken