Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een „Nieuw-Testamentisch Purimfeest

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een „Nieuw-Testamentisch Purimfeest"

43 minuten leestijd

„Geen plaats biedt ruimte poor 't getal, Waar Uw gelederen samenstroomen . , . IVIeer dan zevenduizend bezoekers. Aan aangeboden geschenken en collecten ƒ36663.50. „Kerk in de branding". „Levensgevaarlijk Apriorisme". „'s Heeren bede". „Sabbathsgebod en HoogeschooJ".

ER Gaat Wat BIZOndERS GEBEUREN!

Het was Woensdagmorgen al niet meer gewoon in Kampen! !Dat voelde iedere echte Kampenaar. Er was een zekere onrust neergedaald op het goede, oude stadje. Wat het precies worden zou, kon je nog niet direct uitvorschen. Maar er hing duidelgk merkbaar een ongewone sfeer, een sfeer van spanning, verwachting en onrust in de oude straten en rond deoude gebouwen. Kampen leek op een goede, vriendelijke, oude vrouw, tot wie gezegd was, dat ze een bizonderen dag zou beleven en die zich nu een beetje nerveus voorbereidt op een gebeurtenis, waarvan ze zelf nog niet goed weet wsinneer en hoe het groote komen zou en wat het precies zou brengen.

Er kwamen meer menschen „de brug" over dan gewoonlijk. Er waren veel dominé's bij — dat kon je zoo maar zien. Toch zag je ook veel „gewone" menschen. Sommigen stapten rustig en zelfverzekerd voort. Ze wisten waar ze waren en w£iar ze naar toe gingen. Maar je ontdekte ook veel nieuwelingen. Je zag het aan 'him zoekend rondkijken, hun soms even verwonderd stilstaan, gepakt door de schoonheid van het prachtige stadssilhouet, dat zich reeds eeuwen spiegelt in een blinkenden IJssel.

En de drukte nam steeds toe. En de spanning groeide. • Ja, je voelde het al meer en meer: er ging wat bizonders gebeuren.

inspdnnende vooRBeReibmqen

Binnenskamers was men reeds veel eerder in onrust en actie geweest.

Sinds den vorigen Schooldag leefde-algemeen de gedachte: de schooldag van 1947 zal vast en zeker ook weer druk bezocht worden. Wanneer je het land doorzwierf kreeg je overal enthousiaste en dankbare verhalen over wat men in het najaar van 1946 in Kampen had gehoord, gezien en genoten. Wat klonk je dikwijls de verzekering in de ooren: het volgende jaar, dit jaar, komen we bij leven en welzijn weer!

En daarom was de commissie van voorbereiding op haar qui vive, om, indien mogelijk, aan de komende honderden en duizenden een behoorlgke plaats te bieden. Met opzet werd door niemand „reclame" gemaakt voor den Schooldag. „De Reformatie" en vele andere bladen plaatsten nimmer één opwekking om toch vooral naar „Kampen" te komen. Indien 'aan één voorwaarde moet worden voldaan om een goeden, een écht-Geestelijken schooldag te mog^n verwachten en te kunnen beleven dan is het wel aan deze, dat iedere neiging, iedere poging om toch vooral iets groots en indrukwekkends te organiseeren en te beleven in de Idem moet worden gesmoord. Alle geforceerdheid en opschroeverij en wereldgelgkvonnigheid is doodelijk gevaarlijk in de WCTeld van de kerk.

Maar hoe meer eind September in het zicht kwam des te duidelijker bleek, dat de drom bezoekers inderdaad nog grooter zou worden dan het vorige jaar. Uit kerkbodes en door particuliere correspondentie merkte je, dat overal autobustochten werden voorbereid en al heel gauw kwamen de eerste verzoeken om „logies" binnen.

Terwijl het nu zekerheid werd, dat er meer vergaderruimte dan ooit beschikbaar moest zijn, kwam tegenslag na tegenslag de voorbereiding van 25 September moeilijker maken. Als een donderslag uit een helderen hemel kwam eerst het bericht, dat de Broerekerk, waaraan we sinds 1946 zulke dierbare 'herinneringen hadden, niet meer bschikbaar was. Wat 'toen? De commissie legde beslag op de beide vergaderzalen die Kampen rijk is: de Gehoorzaal en de Buiten-Sociëteit. Maar daarin konden in totaal slechts een 900 menschen geborgen worden. En wat beteekenen die op de groote massa? Wat is er toen gedelibereerd en gezocht. Er is aan gedacht een „deel" van den Schooldag in Zwolle te houden. Maar kan men een Schooldag eigenlijk wel splijten? En kan dat echt: een Schooldag houden buiten Kampen?

En toen, eindelijk, negen dagen voor het licht van den Schooldag rijzen zou, viel 't besluit: we huren een tent. Maar ook dit bleek makkelijker gezegd dan gedaan. Alle beschikbare groote tenten waren in gebruik op verschillende tentoonstellingen. Alleen in Leeuwarden stonden er 21. Als broeder A f m a n uit Haarlem niet geholpen had en heel het land had doorzocht, zou op 25 September waarschijnlijk geen tent zijn gespannen in Kampen. Maar nu, precies zes dagen voor den grooten dag, kwam het bericht: de tent komt, en een gróóte ! Zes en twintig meter breed en acht en veertig meter lang, en er kunnen wel tweeduizend menschen in! Maar toen we de tent eindelijk „hadden", wisten we óók, dat ze al weer te klein zou zijn. En daarom werd het forsche besluit genomen om én in de Nieuwe Kerk én in de tent in totaal vier vergaderingen te houden met elk èèn programma voor de morgen-en de middagvergaderingen.

Wat is er voor dit alles en nog veel meer geploeterd en gezwoegd. Met groote dankbaarheid noemen we de namen van de broeders Bos, De Jong en Schelten s, die bergen werk hebben verzet. Wie er niet mee annex is kan niet vermoeden wat voor arbeid aan een goede organisatie van zóó'n dag is verbonden. Denk U alleen maar eens in dat van de circa negen honderd gasten, die door de leden van de Kamper gemeente geherbergd waren en meer dan de helft door dit trio onder dak is gebracht.

Zoo kwam de enorme voorbereiding tot stand. De politie werkte prachtig mee. Studenten liepen overal en deden van alles. De Rijnsburgers kwamen met eeii nog veel vollere auto met bloemen. Wat hebben ze kerk en tent en school schitterend versierd! !De „dag", de groote dag kon beginnen. Kerk en tent wachtten.

de BIdStond

Maar bij den Schooldag hoort de avond-tevoren.

Bij den Schooldag hoort de Bidstond.

Dat moet ihderdaad een vaste inzetting blijven in Israël!

Als de bidstond wegvalt of niet meer bezocht wordt laat men zich dan goed realiseeren, dat de School i s ondergegaan al bloeit ze ook „naar de wereld" als een roos!

Zoo zijn we ook nu aan den vooravond van den eigenlijken grooten dag als gemeente van Kampen en m e t die gemeente samengekomen om den HEERE den Almachtige, Koning der gansche aarde, te smeeken om Zijn gunst over het komende jaar van de Hoogeschool.

Dat weegt ons allen op het^ hart, dat Hij de toevlucht is.

En naarmate wij uit Zijn Woord zien, dat wij den tijd beleven, waarin God Zijn oordeelen slingert over de aarde, klemmen wij ons te meer vast aan Zijn beloften, dat Hij Zijn Kerk ook in den allergrootsten nood nimmer zal verlaten, maar haar ellende zal aanzien met innig mededoogen, tot Hij haar uit den staat van gelooven op eenmaal zal verplaatsen in de ruime klaarte van het zien van Zijn uiteindelijke verlossing en zegepraal.

Prof. Holwerda kon, vanwege een lichte overspanning, in den dienst niet voorgaan. Prof. Veenhof nam zijn plaats in, ondanks de overbezette dagen, die voorafgingen. Wij behoefden ons niet te beklagen. In de overvolle Nieuwe Kerk werd een dienst gehouden, die ons allen van ontroering tot ontroering bracht, waarin ons de Schrift ontvouwd werd zoo, dat we ons in de felle realiteit van den strijd vereenigd wisten in Gods heilige tegenwoordigheid.

En wonderlijk scherp vertolkte hij in ons gemeenschappelijk gebed onzen nood voor Gods troon. En wij troosten ons in alle zorg om onze zonde in 's HEE-REN dienst. Hij die verhoort die Hem van ganscher harte zoeken.

Prof. Veenhof koos tot tekst voor de bediening van het Woord, die aan het gemeenschappelijk gebed voorafging: zra 7:27 en 28; 8:15a, 21—23, dat prof. Noordtzij aldus vertaalt:

Geloofd zij de Heere, de God onzer vaderen, die aldus den koning in het hart gaf om het huis van den HEERE, die in Jeruzalem (woont), te verfraaien, en mij in de gunst bracht bij den koning en zijne raadslieden en bij alle heldhafte vorsten des konings. En ik, naar de leiding van den HEERE mijn Godi over mij greep ik moed en verzamelde leiders uit Israël, opdat zij met mij zouden optrekken

Ik verzamelde hen bij de rivier, die naar Ahava loopt, en daar legerden wij ons drie dagen

Daar, aan de rivier Ahava, riep ik een vasten uit om ons te verootmoedigen voor het aangezicht van onzen God, ten einde voor ons en onze kinderen en voor onze geheele have een voorspoedige reis te vragen. Want ik schaamde mij ervoor om van den ko-* % ning een leger en ruiters te vragen tot onze hulp te-' 3 gen een vijand onderweg, want aldus hadden wij den koning gezegd: „De hand van onzen God is ten goede over allen, die Hem zoeken, doch zijn kracht en toorn over allen, die Hem verlaten". Zoo vastten wij dan en baden onzen God hierom, en Hij liet zich van ons verbidden.

Prof. Veenhof wees in een korte inleiding op zijn predicatie op het innig verband dat er is tusschen Kerk en School en vervolgde:

Welnu, waar de situatie zóó is, mag en móet het gebed voor de School van het begin tot het eind een gebed voor de kerk zij^. Het gebed voor de School zal niet anders mogen en kunnen wezen dan een zinsnee, een strophe uit het gebed voor Christus' kerk. Dat is zijn kern, zijn zwaarte, zijn heerlijkheid.

Om nu tot dit gebed te komen, om te vernemen hoe dit gebed mag en kan worden opgezonden tot onzen Vader, Die in de hemelen is, bedienen wij u het woord van onzen God zooals u dat in het voorgelezen Schriftgedeelte tegenklinkt.

Het spreekt ons over:

JEHOVAH ZIJN KERK LEIDEND NAAR DE HEERLIJKHEID DER THEOCRATIE.

En den tekst op den voet volgend willen we zien hoe de tocht naar de theocratie

Ie. bewerkt wordt door Gods alma chtige genade;

2e. aangevangen wordt in vasten en g e b e dl;

3e. volbracht wordt in het ver - trouwen op God alleen.

Spr. wees er op, dat de geschiedenis ons in het boek Ezra verhaalt het Woord van God en dat ook ONZE geschiedenis is.

Het is de tijd dat de kerk na harde ballingschap of g ij z e 11 n g mag terug keeren naar. de .Vaderlijke erve. smsés^^-mmi^'-^ •• •••: '-• Maar wat stelt dat terug gekeerde volk teleur! Behalve de fundamenten, die van de stad gelegd worden^ kon men maar niet tot energieken opbouw komen.

Eindelijk, nadat God twee profeten met kracht had laten getuigen, dat de tempel komen móest, werd de tempel meer dan twintig jaar na den terugkeer voltooid. Maar ook dan iö het met het nieuwe Israël nog lang niet zooals het wezen moet. Het reformatorische vuur, dat branden gaat, wanneer Gods kinderen komen in den greep van Gods levend woord, laaide niet op! De waarachtige, heel het leven doordringende, bekeering van de zonde tot den levenden God kwam niet. Er was niet het binden van'de kerk in al haar doen en laten aan de heilige wet van God!

EEn meRkwaaRdiGe FIGuuR

Maar zie, dan, opeens, verschijnt in het volle licht de merkwaardige, boeiende figuur van Ezra. Hij is de priester naar den bloede. Maar met het specifieke priesterwerk in den tempel schijnt hij zich niet in te laten. Een hoog staatsambt bekleedt hij evenmin. Hij is niets anders, niets meer dan „s c h r ij v e r". Dat lijkt niet veel bizonders. Wij denken bij het hooren van dat woord aaa een of anderen kantoorklerk. Maar — vergis U niet. Wat met dien titel bedoeld wordt is al heel gauw duidelijk! Ezra is een man die leeft in en uit en voordewet, hetwoord, van Israels God. Hij heeft dat woord opgegeten. Het is hem meer dan brood en water. O neen, hij is niet de letterzifter, de krententeller, de droge peuteraar, waarvoor men hem dikwijls uitschold. Hij heeft ook niets van den lateren farizeeschen schriftgeleerde, den systeemmaniak die leeft, of, beter gezegd, ' dood gaat in een kille wetsanalyse, in een goddelooze vivisectie op het heilige woord van God. Er is ook niqts in hem van den bekrompen, onverdraagzamen fanaticus, den inquisiteur van aanleg, die doodvalt op een letter en alleen maar in wetsparagrafen en — artikelen denken kan!

Neen, Ezra wordt verteerd, in den letterlijken zin van het woord, door een al zijn kraoht en energie opjagend verlangen. Hij wil het woord des HEEREN leeren kennen naar zijn diepen, geestelijken inhoud, zóó, dat hij er in hoort den harteklop van zijn Vader. Hij wil uit en naar en door dat woord leven, zóó, dat het wordt het fundament van zijn bestaan, het licht van zijn oogen, de lucht waar hij in ademt, de vreugde en de kracht van zijn hart! En dan, en zóó wil hij, met den inzet van al wat hij is en heeft, al wat God hem gaf aan kracht, talent en invloed, 'werken, zwoegen, strijden en desnoods ondergaan om dat woord tot heerschappij te brengen in het leven van gansch het volk!

Zóó alleen wordt Jehovah verheerlijkt.

Maar dit alles kon toen, naar Gods heiligen wil, alleen verwerkelijkt en ervaren worden in en om Jeruzalem. Naar de orde van Gods heilshistorie was het leven in het verbond en dus de genadeheerschappij van den Heilige Israels toen nog steeds gebonden aan den tempel met zijn priesteröffers en gebeden. En daarom spitst heel Ezra's levensworsteling zich toe op den terugkeer naar en den bloei van Jeruzalems ouden, heerlijken tempeldienst met zijn offers van bloed en wierook in voorhof en tempel.

Op voor ons onverklaarbare wijze komt deze Ezra nu in contact met den gebieder van Perzië, den , , k0r ning der koningen" Artahsasta. En wat nog wonderlijker is: Artahsasta wordt op een of andere wijze zoo beïnvloed, dat hij alles doet wat in zijn vermogen is om de verwerkelijking van Ezra's „idealen" mogelijk te maken.

We lezen namelijk, dat Ezra's plannen door den koning en zijn hoogen staatsraad zorgvuldig worden overwogen en dat als resultaat van die overweging een keizerlijk decreet wordt uitgevaardigd, van welks inhoud we alleen met de hoogste verbazing kennis kunnen nemen.

Verbeeld u: in dat decreet wordt vooreerst Ezra gemachtigd zich aan het hoofd te stellen van gelijkgezinde volksgenooten, die bereid zijn met hem naar het land der vaderen terug te keeren. Artahsasta geeft dus verlof voor een nieuwen grooten uittocht der Joden uit Babel en Perzië, tachtig jaar nadat de eerste ondei; Sesbazzar had plaats gevonden.

Maar dit is nog slechts het kleine begin.

Als Ezra in Jeruzalem is aangekomen, mag hij een onderzoek instellen naar het leven, het gedrag, kort­ om naar heel de samenleving van de daar wonende Israëlieten. En dat mag hij doen aan de hand van de wet Gods, die in Ezra's bezit is. Natuurlijk wordt hiermee niet bedoeld, d^t Ezra zich .daarvan op de hoogte mag stellen b.v. met het doel daaromtrent" een rapport óp te stellen. Geen sprake van! Ezra mag, met koninklijk verlof, met alle kracht streven naar een omzetting, een reformatie van het joodsche leven in en om Jeruzalem, opdat het weer zou beantwoorden aan de oude heilige wet des HEEREN.

En nog verder gaat de koning! Aan Ezra wordt een kolossaal geschenk van zilver en van'goud uit de schatkamers van den koning ter hand gesteld als wij­ ' geschenk voor den God der raderen. Ezra moet het meenemen naar Jeruzalem en voegen bij de tempelschatten die bij den eersten terugkeer door Zerubbabel naar Jeruzalem waren gebracht. Bovendien mag Ezra ook nog een groote collecte organiseeren door de geheele provincie Babel ten bate van den tempeldienst.

En nog is het einde niet. De koning geeft bevel aan den Stadhouder van de provincie „Over de rivier", waarin Jeruzalem is gelegen, dat alle dagelijksche benoodigdheden voor den eeredienst uit ^e staatskas bekostigd moeten worden. En tegelijk ontvangen priesters, levieten en allen, die in den dienst des tempels bezig, zijn, algeheelen vrijdom van belastingen.

En ten slotte - en dat is inderdaad de kroon op alles - ontvangt Ezra nog een speciale en uitzonderlijke volmacht. Hij mag namelijk in het joodsche land in en om Jeruzalem regeerders en rechters aanstellen, die recht mogen spreken over al het volk aan de hand van de wet des HEEREN den God van Israël. In volkomen vrijheid mogen deze machthebbers de overtredingen van die wet zelfs straffen met dood, verbanning, geldboete en gevangenisstraf.

Inderdaad, alleen in stomme verbazing kan laen van deze keizerlijke ordonnantie kennis nemen. Letterlijk alles wat een wereldlijk vorst voor Christus' kerk doen kan, wordt door Artahsasta verricht en geschonken. De oudtestamentische kerk ontving van dezeiï> volop heidenschen imperator volledige levens-en bewegingsvrijheid. Ze zal, wat dit betreft, zich in alle richtingen en ten volle kunnen ontplooien zooals Jahweh dat zélf van haar vroeg.

Om het werelds te zeggen: Ezra behaalt een daverend succes!

EZRa ZIEt dEN GOd van ISRaËL

Maar nu moet ge eens aandachtig zien op welke wijze Ezra dit onbegrijpelijke en voor Israël zoo wonderlijk mooie decreet ontvangt.

In gedachten zie ik hem staan. De pas uitgevaar-, - digde kerkelijke wet houdt hij in zijn handen. Met ontroering kijkt hij ernaar. Dit is schooner en rijker dan hij in zijn stoutste droomen durfde hopen!

Maar dan opeens heft hij het hoofd omhoog! O ja, hij weet precies hoe het zoover gekomen is. Alle menschen, die aan de totstandkoming van dit keizerlijk besluit medewerkten, kent hij persoonlijk en met hun overleggingen is hij geheel op de hoogte. Maar alle menschen en hun gedachten wijken thans ver weg. Ze verdwijnen uit zijn gezichtsveld. H ij z i e t t e n-slotte niemand anders dan Jehovah, den trouwen God van Zijn zondige volk. Jehovah, Hij alléén heeft dit groote wonder verricht! Hij heerschte spuverein over alle menschen en omstandigheden. En in zijn wonderlijk welbehagen gebruikte hij een grillig en wispeltiuig oostersch despoot om zijn volk, zijn ontrouwe en hardnekkige volk, alle vrijheid te verleejien welke noodig was om Hem in héél het leven en mêt den' voUedigen eeredienst te dienen en te loven.

En daarom breekt Ezra los in dien diepen, geloovigen, ontroerenden lofzang: Geloofd zij de Heere, de God onzer vaderen, die aldus den koning in het ha'rt gaf om het huis van den HEBRE, die in Jeruzalem (woont), te verfraaien, en mij in gunst bracht bij den koning en bij alle, heldhaftige vorsten des konings. Wat zijn deze woorden heerlijk!

O ja, Ezra weet precies welk politiek spel achter zijn mooie verordening schuilt. Artahsasta is een wispelturig en onbetrouwbaar sujet. Hij is een verpolitiekt en immoreel individu, een speelbal van hofkliek en harem. Ezra weet, dat geen enkel nobel motief den perzischen heerscher bewoog om zoo welwillend en vrijgevig tegen de Joden te zijn. Neen, Perzië had pas geweldige klappen gekregen. De dappere Grieken hadden een reusachtig perzisch leger vernietigd. En Egypte had zich vrijgevochten uit de gehate Perzische overheersching. Nu was het land Juda het laatste groote bolwerk van het rijk tegenover het gevaarlijke opstandige Egypte. Was het niet volkomen begrijpelijk, was het geen eisch van handige politiek om de Joden zoo gunstig mogelijk te stemmen vóór en zoo stevig mogelijk te binden aan koning en rijk?

En bij dit nuchtere, zakelijke, p.olitièke motief onl de Joden te. paaien, kwam nog een ander, een r a 1 i g i e u s motief. Artahsasta was een verstokte polytheïst. Hij geloofde in het bestaan en de macht van vele goden. En van al die goden moest men, vooral de goden van overwonnen volken, in de gaten houden! Die waren vernederd en beleedigd. Ze lagen altijd op den loer om zich te wreken. Ze vormden een permanente bedreiging voor het groote rijk en zijn almachtigen Heerscher. Was het daarom weer niet een eisch van voorzichtig en verstandig staatsbeleid dien goden zooveel mogelijk hun zin te geven, zooveel mogelijk hun ouden glans en éere terug te schenken? Zóó althans dacht Artahsasta er over. Hij zegt het heel eerlijk. Want als hg in zijn keizerlijk besluit opsomt wat hij de Joden zal doen en geven, voegt hij er openhartig aan toe: want waartoe ZOUT de er groote toorn (van den God der Jo-

den wel te verstaan) zijn over het koninkrijk des konings en zijner kinderen!

Zie, al deze overleggingen kent Ezra. Met «de bittere en vroolijke wetenschap des geloofs doorziet hij alle knepen en grepen van de egoïstische, immoreele politiek van de gewetenlooze machthebta'ers der wereld. Maar — dat is niet het einde van zijn weten. In zijn blikveld zijn wereldheerschers ten slotte zoo onzegbaar klein! Hij ontwaart in alle gebeurtenissen, en boven alle menschen en aan de spits van alle volken den grqoten God van Israël'; den God van Abraham, Izak en Jacob; den genadigen God, Die zijn kleine, ellendige, hardnekkige volk nooit loslaat.

Ja, dit alles heeft Jehovah gedaan.

En nog zelfs oneindig veel meer dan Ezra ontdekte! Want wat Ezra zeker niet zal hebben bedacht, wat in zijn hart niet zal zijn opgeklommen, dat zien en zeggen wij: Het was de groot e, trouwe God van Israël, die een man als Ezra juist in die dagen verwekte en aan zijn volk schonk. Ezra, in wien de komende Christus zijn volk terugleidde onder Gods zalige heerse h a p p g.

hEt Rijk vAn aRtahsasta ook nu

Zie, gemeente, dit woord Gods over Ezra, deze boodschap des HEEREN omtrent dat wat Hij in Ezra's dagen aan Israël, aan zijn kerk, waartoe óók wij mogen behooren, heeft gedaan, komt nu als een lichtende troost ons leven binnendringen! Het werpt zijn breede lichtbundels ook in dezen donkeren avondstond der wereld.

Want we weten het toch wel: het rijk van Artahsasta is gebleven alle eeuwen door! O ja, ik weet het ook wel: het nam telkens een andere gedaante aan, het kreeg telkens een anderen naam. Het was éérst het rijk van Babel, werd toen een rijk der Perzen, ging daarna over in het grieksche wereldrijk en vertoonde zich nog weer later als Imperium Romanum. In ons leven kwam het als Hitlers „Derde Rijk"-en het staat nu voor ons en komt op ons af in de gestalte van de geweldige wereldmachten onzer dagen. Maar'laten we het nooit vergeten: in het wezen der zaak zijn al die rijken een voorzetting van wat in Artahsasta's rijk eenmaal werkelijkheid was. Al die rijken zijn niets dan vormen, openbaringen, gestalten van dat oude perzische wereldrijk. Als een kameleon blijft het in steeds wisselende gestalte en kleur toch altijd aan zichzelf gelijk. Want eenzelfde begeeren schroeit in alle: de totale heerschappij over alle volken en individuen. * Eenzelfde kracht drijft alle voort: de matelooze' satanische haat tegen den levenden God!

Maar zie nu het wonder. Midden in die wereldrijken, midden in hun woelen en wroeten maakt en houdt Gród een plaats open voor zijn kerk. Een plaats waar zij leven, werken, strijden en, als dat moet, ook Ujden kan! Dwars door de kronkelingen, het doorngewas, de moerassen der goddelooze wereldmachten baant God een weg vóór en naar zijn theocratie. Hij geeft plaats voor de prediking, voor den eeredienst, voor de apostolische taak van de kerk, die Hij kocht met zijn bloed.

En dat alles staat nu nog klaarder en scherper en nadrukkeUjker voor onze oogen als wij zien naar onzen Heer Jezus ChristuS. Hij heeft waarlijk alle zonde verzoend. Hij heeft waarhjk alle schuld behaald. Hij heeft het werkelijk en ten volle goed gemaakt tusschen zijn kerk en zijn Vader. En toen heeft Hij van den eeuwigen, almachtigen God ontvangen alle macht in hemel en op aarde. Hoort ge dat goed, broeders en zusters? Jezus Christus, die zich niet schaamt ons, nietige menschjes, uit het stof getogen, zijn broeders te noemen, en die nu zit aan 's Vadera rechterhand in Diens eeuwig paradijs, heeft alle macht, alle bevoegdheid, alle volmacht in hemel en op aarde. Hij is kortweg gezegd baas over alle, alle machten, staten, volken, overheden op heel den wereldbol. Hij houdt ze in zijn sterken greep onwrikbaar vast. Geen stap doen ze, geen woord zeggen ze of Hij leidt ze en drijft ze op. Hij bedient er zich majestueus en mysterieus van om zijn verlos-•singsplan te voltooien en de zijnen door nacht en stormgebruis te leiden haar 's Vaders eeuwig, heerlijk rijk.

En zie, gemeente, in dat gelóóf aan de onoverwinnelijke heerschappij van Jezus Christus en de onoverwinnelijke kracht van zijn kerk gaan we straks bidden. Bidden om de groote genade, dat wij'tot die kerk mogen blijven behooren en in haar gelederen mogen blijven strijden. We zullen vragen of ook in ons land 'sHeeren kerk moge blijven in volle kracht en trouw tot Jezus weerkomt op de wolken. We willen smeeken of God ook in ons Nederland een plaats, een ruimte wil geven voor zijn kerk, opdat zei ook hier kan leven, getuigen en.strijden. We zullen smeeken of ook de kerken, die God zoo wonderbaarlijk vrijmaakte, mèt haar school, verwaardigd mogen worden tot-den laatsten strijd, de laatste trouw, de laatste beproeving, de laatste verschrikking, opdat ze ook deel moge hebben aan Christus' laatste, hoogste en definitieve glorie, die de aanvang is van Gods eeuwige, storelooze, zalige theocratie.

aanGEVanGEn woRdt in vasten en GeBed

II. Wanneer Ezra het wonderlijke, keizerlijke decreet, dat voor hem glanst in het licht van Gods genade, heeft ontvangen; wanneer hij daarvoor den HEERE, den God der vaderen looft en prijst met den hoogen jubel van een hart, dat God" werkelijk heeft gezien en gehoord, ontplooit hij onmiddellijk daarna een geweldige activiteit.

„En ik — zoo hooren we het in zijn kinderlijk vrome taal — en ik, naar de leiding van den HEERE mijn God over mij, greep moed en verzamelde leiders ujjt Israël, opdat zij met mij zouden optrekken... En ik verzamelde hen bij de rivier, die naar Ahava loopt en daar legerden wij ons drie dagen."

Wij kunnen ons moeilijk voorstellen welk een ontzaggelijken arbeid met deze simpele zinnetjes wordt aangeduid. Ezra is het land doorgetrokken. Honderden en honderden kilometers heeft hij gereisd; Hij heeft gesproken, betufgd, bezworen, gepredikt, gelokt, gedreigd. Want Israël mocht Gods groote genade nu niet versmaden! En onderwijl moest ook de aanstaande groote uittocht worden voorbereid. Bovendien moest de toegezegde collecte worden georganiseerd en gehouden. Maar let er nu op: over dat alles spreekt Ezra niet! Hij rept er net zoo min over als over alles wat hij geduldig en moeizaam heeft moeten doen om eindelijk den koning zoover te brengen, dat hij het wonderlijke besluit teekende en verzegelde. Wat beteekent Ezra's werk! Als de HEERE maar wordt gekend en gediend!

En wat is dan het resultaat van al Ezra's bemoeiingen? Wat is de bekroning van zijn zwoegen in de tweede phase van zijn worsteling om het heilige volk weer terug te leiden onder de volle genadeheerschappij van Israels God üi Jeruzalem? Het is in één woord ontstellend!

Niet meer dan zeventienhonderd mannen maken zich gereed om naar het oude land te gaan!

Met vrouwen, kinderen en knechten schat men het terugkeerende volksdeel op tienduizend! Dat is alles.

Is het niet om te sidderen? •

Want er woonden in de wijde landen van Babel en Perzië nog duizenden en duizenden kinderen Israels. En ze waren heelemaal niet ongodsdienstig. Ze hielden de joodsche traditie, vooral de religieuse traditie in hooge eere. Ze waren zich er immers terdege van bewust het uitverkoren volk, het superieure ras te zijn. Met intense belangstelling volgden ze de worsteling van Zerubbabel en Ezra om „'t nationale leven" weer te „organiseeren" in het oude land. Ze steunden het grif met hun goud en goed. Maar zelf meegaan? Zelf den langen tocht door de barre woestijn maken? Eigen huizen, bedrijven, rust en vooral de zachte weelde en de fijne cultuur opgeven voor het harde leven van een pionier — neen, dat ging niet! Daar konden ze nipt toe komen! De wegtrekkenden kregen een vollen geldbuidel en een hartelijken uitgesproken zegen mee. Maar dat was ook alles!

En zoo komen niet meer dan zeventienhonderd mannen onder Ezra's vrome leiding aan de rivier Ahava bijeen.

En wat zullen ze nu gaan doen?

Zou het niet volkomen verantwoord, ja, zou het niet geheel in den stijl van het volk des HEEREN zijn geweest als in het legerkamp aan de Ahava de feesttrompetten waren gestoken, de klank van juichende liederen de lucht had gescheurd en de voeten zich op de maat van trommels en tamboerijnen hadden gerept in luchtigen, vroolijken dans? Hield God soms niet van feesten? Heeft Hij het juichende, zingende volk soms niet lief?

En toch — Ezra roept niet op tot een feest! Wordt dan misschien een wél stemmige, maar desalniettemin toch blijde, dankdienst georganiseerd? Daar zou toch zeker alle reden voor zijn! Dat is toch zeker wel het minste van wat men toch kon en moest doen!

En tóch — Ezra roept het volk óók niet tot een dankdienst samen.

Wat er dan wel gebeurt? Wat Ezra wel doet? Luister: Ik — zoo lezen we van Ezra — ik riep een vasten uit om ons te verootmoedigen voor het aangezicht van onzen God!

Ja, het staat er! Als Ezra alles, alles heeft ontvangen van wat hij zich in zijn stoutste droomen als Israels toekomst voorsteDen dorst — dan roept hij het volkj op tot vasten, tot rouwklacht en geween, tot verootmoediging voor God.

VIndt u dat VREEmd, GEmEEnte?

Als ge het vreemd, dwaas vindt, dan roepen we U in Gods naam toe: zie toch wat gebeurd is, zie toch wat^ geschiedt! Israël was weggezonken, reeds sinds eeuwen, in den modder van alle mogelijke zonden. Toen had God het uit het land gezweept de ballingschap, de gijzeling in. En daar vond het overgroote deel van het volk het nu, nota bene, prachtig! En ze bleven er liever dan dat ze naar Gods stad, naar Gods tempel, naar de plaats waar de Heere alléén woonde, terugkeerden. Was dat niet verschrikkelijk?

En denk U bovendien ook nog eens in hoe het die menschen aan de Ahava zelf te moede is! Ja ze hebben Gods wonderlijke genade ontvangen, ze zien die, ze staan er nu middenin! Maar zie: nü, juist, nu, nü pas, zien ze hoe verschrikkelijk diepze gezoaken waren ! Nu, juist nu, nü pas, zien ze de ontzaglijke zonde van het volk in haar volle verschrikking. Wanneer van een schemerdonkere kamer opeens de luiken en ramen worden opengesloten en het heldere zonnelicht dringt overdadig de grijze ruimte binnen, dan, plotseling, wordt het vuil, dat vloer en wand en zolder bedekt, helder zichtbaar, dan opeens ziet men het stof, dat daar overal zweeft! Zie, zóó was het Ezra en zijn mannen te moede. Ja, ze stonden in het licht. Gods genadezon was vroolijk over hen opgegaan. En dat was wonderlijk en heerlijk. Ze konden het bijna niet of liever: heelemaal niet, aan. Maar juist nu springt het kwaad, dat zij en al het volk bedreven, op hen af. Het valt als een verpletterende last op hen. O God, wat hebben wij gedaan, wat hebben wij gedaan, kermen ze! Ze kregen een walging van zichzelf. O neen ze praatten daar niet veel over. Ze waren alleen maar stil van ontzetting, "omdat ze hun Vader, Die hen zoo wonderlijk lief had en hen zoo angstig rijk zegende, zoo ontzaglijk veel verdriet hadden gedaan. Het werd hun een verschrikking in eigen leven rond te zien. Het was alsof de zonden nu overal opdoken! Uit alle hoeken en gaten grijnsde de ongerechtigheid hen aan. En toen konden ze niet anders! Toen legden ze het boetekleed om. Toen schoven ziJ den maaltijd weg. Toen bogen ze zich 'neer op den grond. Toen zuchtten ze alleen maar, staande midden in het zonnelicht van Gods zegenende liefde: O God, ga uit want ik ben een, zondig mensch.

Nog eens, gemeente, ik hoop niet, dat ge dat 'vreemd vindt. Dat zou verschrikkeUjk zijn. Want dan zoudt ge niet verstaan hoe Petrus, toen hij de volle messiaansche heerlijkheid van Jezus Christus openbaar zag worden in de wonderbare vischvangst, naakt en nat en bedekt met schubben in zijn schuit met spartelende visch op de knieën neerzinkt en dan, juist dan "uitroept: Heer ga uit, want ik ben een zondig mensch!

samenGekomEn om te BiddEn

Gemeente, we zijn nu samen gekomen als gemeente van Jezus Christus om te bidden. En we zijn daartoe samengekomen in een tijd waarin God tot onze steeds groeiende verbazing de groote schatten van zijn woord, zijn sacrament, zijn kerk weer voor ons doet leven in nieuwe kracht en gloed. Ik weet het hoe voor duizenden het woord Gods, het woord van zijn genade, het woord waarin Hij alle schatten van zijn genade weer naar ons tóe draagt een schat is geworden zoo groot en heerlijk dat ze het niet aan kunnen. Ik weet dat duizenden door Gods genade weer iets mogen kennen wat het beteekent te leven uit Gods belofte als uit de fontein van alle heil. Ik weet, dat duizenden Gods sacramenten in hun leven hebben zien oplichten tot een glans en rijkdom als nooit te voren. Ik weet, dat door de goede gunst Gods over ons duizenden weer iets mogen ervaren van wat de kerk van onzen Heere Jezus is, de kerk waarin niet alleen over de rust wordt gesproken, maar waar ze waarachtig wordt geschonken, de kerk waarin het vette van Gods huis, neen niet maar wordt genoemd en geteekend, maar in diepe verrukking wordt gesmaakt; de kerk, in één woord waarbinnen al Gods fonteinen z ijjn !

Maar als dat werkelijk zoo is, dan zitten we hier verlegen en verbaiasd. Hoe is liet mogeUjk, zullen we zuchten, dat wij, ellendelingen, goddeloozen, zondaren dat alles ontvingen? O God, het is te véél! zuUen we uitroepen! We hebben dan de Zonnë der gerechtigheid zien opgaan, ja, maar over de zonde-moerassen in de kerk en in ons eigen hart. En zóó zullen we dan bidden ! Zoo mogen we dan bidden! Voor kerk en school. We zullen' smeeken om Gods genade, dat we eiken dag in de kerk als g o d d e 1 o oz e n gerechtvaardigd mogen worden en als zondaren worden verlost. En we zullen die school zóó in ons gebed bevend aannemen, als een volkomen verbeurd geschenk, om haar tegelijk weer over te geven in de handen van Hem, Die ze ons gaf, de handen waarin ze alleen en blijvend veilig is.

voLBRacht woRdt in hEt veRtRouwen OP God aLLEEn

III. Het is U bij de lezing van den tekst misschien reeds opgevallen, broeders en zusters, dat het vasten van Ezra meer was dan de daad, de kreet van een man, die in het licht van Gods genade eigen zonde en die van de kerk als één, neen als dé benauwende realiteit van zijh leven, ontdekte. Hij roept immers het vasten óók uit om zich voor het aangezicht Gods te verootmoedigen „ten einde — zoo zegt hij — voor ons en onze kinderen en voor onze geheele have een voorspoedige reis te vragen".

Om de geweldige spanning, waarin dat. gebed wordt opgezonden, te verstaan, moet U zich even de situatie voorstellen van de vergadering, welke onder Ezra's leiding bij de Ahava bivakkeert.

Ezra verzamelde ongeveer tienduizend menschen om zich heen. Het overgroote deel van hen bestaat uit •vrouwen en kinderen. Bovendien heeft Ezra onder zijn beheer een schat van zilveren en gouden vaten en een hoeveelheid van baar goud en zilver, ter waarde van, naar men. schat, ongeveer drie millioen gulden! Met deze menschen moet hij een weg afleggen van ongeveer vijtienhonderd kilometer. Dwars door woestijnen, bergen en in een gebied, dat wemelt van roofbenden. Wat moet Ezra nu doen?

Is het — ik spreek in vollen ernst — geen krankzinnigenwerk om met zoo'n geweldigen schat en met zoo'n uiterst kwetsbare en practisch machtelooze karavaan zich aan alle gevaren van een reis door de woestijnen bloot te stellen?

Nu was het evenwel voor Ezra in het minst niet noodig al deze gevaren te trotseeren. Hij stond in blakende gunst bij den koning. En het sprak vanzelf, dat deze, als Ezra er maar even over kikte, hem een afdoende bescherming op zijn reis zou meegeven. Maar nu moet U eens op Ezra letten!

Hij raakt in een moeilijke, pijnlijke situatie.

Met die zeldzaam aantrekkelijke argeloosheid en zuiverheid, die we altijd bij Ezra opmerken, vertelt hij er heel openhartig van.

In een van de gesprekken, welke Ezra met Artahsasta voerde, had hij een woord gesproken, dat hem juist nu met vlammende letters in zijn herinnering staat. Het was een woord waarin hij zuiver en krachtig zijn vast vertrouwen in den heiligen God van Israël had beleden. In welke situatie dat geschiedde, weten we niet. Misschien wel in een onderhoud juist over den uiterst gevaarlijken weg, welken de terugkeerende Joden zouden moeten afleggen als ze naar Kanaan zouden terugkeeren. Hoe dit ook zij •— Ezra had tot den koning gezegd: „De hand van onzen God is ten goede over allen, die Hem zoeken, doch zijn kracht en toorn over allen, die Hem verlaten".

Verstaat gij, gemeente, dat dit woord voor Ezra een ijzeren slagboom werd op zijn tocht naar den koning om hulp te verzoeken?

Denk U maar eens in hoe het zou zijn gegaan als Ezra waarlijk bij den koning was gekomen met de in zijn hart altijd weer opduikende vraag!

Ezra ziet zich in zijn fantasie reeds voor den troon staan. Hij doet zijn verzoek. En dan gebeurt het! Een fijn spotlichtje begint in het oog van den machtigen heerscher te schitteren. Een bijna onmerkbaar ironisch lachje speelt om zijn mond. En Ezra hoort al de o zoo vriendelijke, maar in den grond der zaak, doodelijk wondende vraag van den „koning aller koningen": „Waagt ge het toch niet heelemaal met uw God, Ezra? Durft ge het met Hem alleen toch niet goed aan? Moeten mijn paarden en wagens en soldaten Hem een klein beetje helpen, bij het moeilijke karwei? " Of die andere, ook heel goed denkbare vraag: „Is u misschien van oordeel, Ezra, dat het met uw zaak toch niet heelemaal zuiver staat in de oogen van uw God? Vreest ge, dat ge toch niet behoort tot hen, die uw God vreezen en over wie zijn hand ten goede is uitgestoken? Wilt ge daarom, voor alle zekerheid, nu ook nog wat van mijn soldaten Ezra? "

O, Ezra weet het: als hij bij den koning komt, zal zoo iets misschien door hem worden gevraagd, zeer w a a r s c h ij n 1 ij k in zijn oogen en op zijn gezicht te lezen staan en vast en zeker in zijn hart Ie V e n. Hij kent de koningen van Perzië, hun aard en hun goden.

En zie, dat is onverdraaglijk voor Ezra. Wat er ook gebeure, hij kan, hij mag, hij zal zijn trouwen God, den heiligen God van Israël niet uitleveren aan den spot van een heidenschen koning. Hij zal den God van Abraham, Izaak en Jakob niet beleedigen door hem klein en miserabel te maken ten aanschouwe van een karakterlooze Artahsasta.

O, die reis, die reis. Wat een gevaar, wat een zorg, wat een angst! Maar wat er ook gebeure: hij kan zijn God niet loslaten. Als hij aan den schamperen spot van koning Artahsasta denkt, huivert hij terug én loopt hij in een vaart het koninklijk paleis voorbij. Hij wil, hij kan niet ongeloovig zijn.

O neen geloof is geen durf, geen lef, geen bravoure, geen: ik zal wel eens even!

Niets van dat alles.

Gelooven is: God niet durven bedroeven en beleedigen ! Gelooven is te midden van allen angst en zorg en nood het ten slotte toch alléén, toch geheel met God alléén wagen! Gelooven is het niet wagen ongeloovig-zijn! Gelooven is zien en weten, dat ge niets kunt en niets weet, dat ge een lafaard, een ellendeling zijt om u dan en zoo in Gods armen te werpen.

En Erza schaamde zich er voor een leger en ruiters te vragen! Hij vastte voor het aangezicht des Heeren en hij verootmoedigde zich.

Inderdaad gemeente, Ezra verootmoedigde zich. Zie maar: als hij gevast en gebeden heeft staat hij op met zijn groote karavaan en gaat op weg. Een aantal sterke mannen dragen den kostbaren, zwaren schat. Zoo gaan ze eiken dag verder, met vrouwen en kinderen. Straks trekken ze de woestijn in. Dag in dag uit in een huilende wildernis. En zonder soldaat, zonder wapen.

En zoo zegt Ezra die diep-eerlijke en verrukkelijke argelooze woorden: Want ik schaamde mij er voor om van den koning een leger en ruiters te vragen tot onze hulp tegen eenv ij andonderweg!

Zie gemeente dit is nu geloof!

Ja, dit IS vEROOtmoEdiGinG!

Zie in deze verootmoediging is Ezra de woestijn doorgetrokken. In den korten tijd van nog geen vier maanden bereikte Iiij Jeruzalem. We weten het: in extatische vreugde hebben ze de heilige stad aanschouwd en begroet. Want daar was God koning. Daar woonde Hij. Daar leefde ieder in de glans, het licht, de rust en de vreugde van Gods genadeheerschappij, de zalige theocratie.

Als Ezra later zijn gedenkschrift schrijft en hij beleeft deze groote en wonderlijke dingen nog weer eens in al hun heerlijkheid, dan schrijft hij dat alles neer in het eene zinnetje: en Hij liet zich van ons verbidden.

En nu, gemeente, laten we het goed en scherp weten: met dit woord komt God in volle majesteit op ons af. Wij behboren tot de kerk van de laatste dagen op welkcthet einde der eeuwen is gekomen. Wij zijn op weg naar Gods voleinde theocratie, die in den vollen diepen zin van het woord aanlichten en doorbreken zal op den jongsten dag der oude, den eersten van de nieuwe, wereld.

En met voleinden ernst, met tot in 't diepst van ons leven doordringende kracht, roept God ons nu toe, dat we ons zullen schamen om vleesch te zetten tot onzen arm.

Ge weet het: de verzoeking voor de kerk om met de wapens, het instrumentarium der wereld haar taak te vervullen, haar dienst te doen, in het koninkrijk der hemelen is grooter dan ooit. We zien het overal om ons heen, hoe de angstig geworden kerk grijpt naar de machten der wereld. Ze zoekt het in „organisatie", „eenheid", „wetenschap", „macht", „schittering". Ze leunt op den staat. Ze werpt zich nerveus, bijna hysterisch, op de jeugd en tracht haar tot de kerk te lokken en bij de kerk te^ houden door club en sport, dans en tooneel, ontspanning en vermaak en ze ziet niet, de verdwaasde, de verbUnde, de verharde, dat ze met alle energie, die in haar is, juist door die middelen, de jeugd van de Kerk, van de werkelijke Kerk van Jezus Christus, vervreemdt en ze naar het verderf jaagt.

Broeders en zusters, laten we daarom met alles wat in ons is bezig zijn in den waren, trouwen dienst waartoe Christus zijn kerk roept en waardoor Hij haar bouwt. Laat de kerk nu maar één ding zoeken: kennen van het woord, leven uit het woord, uitdragen van het woord. Laat ze het leger en de ruiters der wereld schuwen als de dood. Laat ze vreezen den Heere, haar God te beleedigen en te verraden.

Ja, wij gaan ook de w o e s t ij n in. !De woestijn van^ de groote demo n i. si c h e wereldmachten, de woestijn van d e do oren door verdorven cultuur, de woestijn van moreel bederf en vooral de woestijn van de ondergaande wijl zich verhardend-e kerk!

Maar wij gaan door die woestijn naar de eeuwige theocratie. Naar het rijk waar God alles is in. allen. Naar het rijk waar enkel waarheid, recht, vrede, zaligheid heerschen zullen. En staande in onze woestijn en ons uitstrekkend naarshet eeuwig Jeruzalem, waar God eeuwig wonen zal, heffen we in onze gebeden kerk en school naar onzen hemelschen Vader en smeeken Hem: O God geef aan uw kerk, dat ze altijd ten volle uw kerk mag zijn. Geef, dat ze leven mag uit en naar en voor uw woord. Geef, dat ze zich schamen mag iets anders te zoeken dan U en Uw woord alleen. Laat haar alleen op U vertrouwen. Open haar oogen, opdat zij ontdekke iedere dreiging, ieder gevaar. Draag haar door nacht en stormgebruis. En houdt. Vader, in haar midden deze school vast. Bindt haar eiken dag aan U. Laat ze eerder ondergaan dan dat ze van U afvalle. En maak haar steeds meer tot-een instrument in den opbouw van Uw kerk en de doorbraak van Uw hemelsch rijk. Uw eeuwige, zalige theocratie.

' Als het Amen uitgesproken en Ps. 141 : 2 is gezongen, draagt de gemeente door den dienst van prof. Veenhof den lof, den dank en de aanbidding; den neod, den arbeid eh de toekomst van de Kerk en haar School naar. haar Hemelschen Vader, in wiens trouwe handen zij alléén maar ook volkómen veilig zijn.

Machtig klinkt, staande gezongen, dan het „lied van de kerk", Ps. 36:2. Ja we weten, we ervaren het: ier, in de kerk van Jezus Christus, wordt de rust geschonken ! Hier wordt het vette van Gods huis gesraaakt. Hier maakt een stroom van genade en zaligheid ons in liefde dronken !

de BeGRoEinGssamenkomst

Na den dienst is er in de kerk nog een gezellige ontmoetingssamenkomst. Ongedwongen zonder aan van hooger hand onschuldigen slachtoffers opgelegde, dikwijls wat al te opgevijzelde, onbekookte of afgekookte toespraakjes ten prooi te vallen, zoeken vrienden en magen, broeders en zusters elkaar op. De menigte maakte het onmogelijk deze ontmoeting in een lokaal te laten plaatsvinden. Maar geen nood! De blijdschap zooveel bekende gezichten weer te zien, maakt alles goed. En niet te vergeten: de thee met koek — een geschenk van de voortreffelijke gastvrouw, de kerk van Kampen! Niet al te laat gaat de menigte de donkere straten in. Er komt een groote, maar ook een zware dag.

de GROOte daG

Wonderlijk: de Woensdag was nat en koud — de Donderdag is een stralende dag met een helderblauwe lucht vol herfstzonnelicht en prikkelende frissche koelte.

Al vroeg is het druk.

Vóór achten beginnen de autobussen reeds de stad binnen te glijden. Eén ononderbroken' stroom. Straks zullen er op de Nieuwe Markt, de Burgwal en in IJsselmuiden honderd veertig geparkeerd staan. Ze komen uit Groningen, naar Douwe van Dijk's typeeren: „het land van het land". Ze komen ook uit het land van Axel. 's Morgens om twee uur al vertrokken de Axelaars en Zoutespuiers om over Antwerpen te gaan naar de stad, waarvan de oude ds Veltman eenmaal schreef: „Gelijk de Israëliet slechts één stad kende, één stad in 't harte droeg, n.l. Jeruzalem, als de stad des grooten Konings, zoo kende ik geen andere stad of stedeke zulk een voorrang toe als Kampen, de stad' der Theol. School".

De „vroegdiensten" beginnen al om acht uur. Maar dat is geen bezwaar voor de feesthoudende menigte. De Kampenaren gaan met hun gasten al om even over half acht de deur uit. En graag gehoor gevend aan een dringend verzoek komen ook de broeders en zusters uit de classis Zwolle en Noord Gelderland al heel vroeg de „profetenstad" binnen. De Nieuwe Kerk loopt nagenoeg vol, in de tent zijn er ook al een duizend bijeen als het carillon acht uur speelt. En aldoor dreunen meer bussen de brug over en de — onzichtbare — Veenepoort binnen. En als de vroege vergaderingen voorbij zijn, wachten weer duizenden. Stamp-en stampvol stroomt de Nieuwe Kerk. Tot de laatste plaats bezet is in de tent. En nog wachten honderden! Dan verheft de vorst der tentbewoners, ds van Dijk, zijn machtige stem en roept uit: „Mannenbroeders en zusters, we kunnen allen hier onmogelijk bergen. Laten zij, die buiten staan met Knoop en Veenhof meegaan naar de Gehoorzaal. Die zullen-probeeren jullie daar bezig te houden! Het is wel niet veel zaaks wat we meegeven. Maar we hopen, dat jullie het er mee zult willen doen!" En dan is in enkele minuten ook de Gehoorzaal opgepropt vol met een achthonderd feestgangers.

Wij wandelen mee onder de honderden.

En we weten het: een feest gaat beginnen, een echt, een vróóm feest.

Onbegrijpelijk, dat vroeger vrienden hiervoor alleen maar een cynisch lachje over hadden of spraken van een verfijnde afgoderij van de School. Zouden ze nu werkelijk niet verstaan, dat hier openbaar wordt de vreugde, de dank voor Geestelijke vrijmaking, voor het ontvangen van een nieuwen geloof sblik op Christus' kerk, voor het herstel van de gemeenschap der heiligen? Wat is door de vrijmaking toch alles, alles anders geworden. Zoo anders, dat z ij en w ij elkaar soms niet meer kunnen verstaan. Ze zullen ook vandaag en hier wel weer met hun psychologismen opereeren. U k^nt ze wel: „ledere nieuwe beweging heeft als kenmerk enz. enz ". Of: „ledere reactie heeft dit eigenaardig karakter enz. enz ". Maar zoo blijven ze volkomen vreemd aan wat in Kampen vandaag geschiedt. Ze bespeuren niet, dat daarin iets openbaar wordt van het leven der kerk — van de vrijheid, de vreugde, den dank en de aanbidding van de kerk, die Christus kocht met Zijn-bloed en. die Hij pas losscheurde uit de banden die haar verstikten! Ja, wie een niet onvermaard Prae-adviseur uit het sjoiodocratische kamp nog deze week heeft hooren betoogen en betuigen: „Het verschil tusschen Uw en mijn kerkgemeenschap is inderdaad een belijdenisverschil. We konden U om Uw belijdenis in onze kerken als ambtsdragers niet langer dulden" — die durft

ook zeggen, dat hier in Kampen de katholieke kerk openbaar wordt tegenover het kerkverwoestend sectarisme. ^9r'^^_

Zoo wandelen we dus naar de kerk. •> > -^*!*»> t

Temidden der broeders. Heel gewone menschen. Heelemaal geen eultuurzoekers. Ze zijn alleen maar kerkmenschen. De blijdschap straalt van hun gezichten. We kennen elkaar zoo langzamerhand. We weten imm'ers alles van eikaars strijd en smart, maar ook van eikaars dank en vreugde over Gods groote daden. Ja, we gaan samen naar het feest. \

En daar zitten ze: de oude getrouwen: prof. Greijdanus en ds Post, en vele anderen, hoe ook verschillend toch semper idem. Daar zitten ze: de trouwe strijders op eenzame posten. Met geringe kracht begonnen ze den strijd om de kerk in eigen kring. En inet de verbeten halsstarrigheid van het gevangen zijn door Gods woord, van het zien van Gods lichtende toekomst eh van de verlossing uit machteloosheid en doelloos protest tot de vrijheid van te mogen doen wat moet, hielden ze vol.

Ja, daar zitten ze en ze wachten op het feest.

In dE niEuWE kERk

De kerk is in feesttoöi.

Wat een bloemen. En wat zijn ze smaakvol geschikt. Eén kleurige weelde.

Aan officieel vertoon is —gelukkig — een ontstellende leemte. Geen groene tafel, omkranst met breede fauteuils, gevuld met deftige, zelfbewuste Curatoren." Vi^el zien we een paar veldpredikers in hun mooie pakje, de een wat slanker dan de andere. Alleen de Senaat der studenten komt plechtig binnen, verwelkomd door een eerbiedig van haar zetels verrijzende menigte, die, na den eersten regel, het Corpslied met afwisselend succes ten gehoore' tracht te brengen. Van de professoren, zit alleen prof. Greijdanus onder de menigte. Prof. Veenhof is naar de tent en prof. Deddens, getooid met den mooien rectorsketen beklimt den kansel.

We mogen zingen Ps. 150 : 1 en 2. Klaar en blij schalt de jubel door de kerk, geladen met de doorleefde dankbaarheid. In het gebed en het gekozen Schriftgedeelte — een deel van Deuteronomium 32 — wordt reeds dadelijk de aandacht gevestigd op Gods bemoeienis met Nederland. Dat is heerlijk. We weten het: ier is geen sectarisch 'bedrijf gaande. Neen, hier is een volk, dat zich tot eigen groote verbazing en in diepen ootmoed kerk van Jezus Christus weet i n Nederland en dat nu naar God, z ij n God, gaat voor het gansche Nederlandsche volk en Hem antwoordt op Diens woord en werk, dat Hg, aan Nederland spreekt en doet.

En dan komt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 oktober 1947

De Reformatie | 12 Pagina's

Een „Nieuw-Testamentisch Purimfeest

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 oktober 1947

De Reformatie | 12 Pagina's

PDF Bekijken