Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

dE REdE Van PROF. dEddEns

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

dE REdE Van PROF. dEddEns

39 minuten leestijd

aldus: Ik zal den Naam des Heeren uitroepen: eeft onzen God grootheid. Deut. 32 : 3.

U, die hier saamgekomen zijt van heinde en ver, uit alle deelen van ons land, 't zij de afstand hierheen voor U maar kort was, 't zij U de reis aanvaard hebt uren vóór het aanbreken van den dag — U allen roep ik een hartelijk welkom toe. Uw presentie aan dezeplaats getuigt van Uw meeleven en Uw liefde, ze kroont opnieuw onzen Schooldag als een hoogtepunt in ons kerkelijk gemeenschapsleven, 't Is of de vreugdevolle dankbaarheid, voor het verleden zich met onze verwachting voor de toekomst in dezen dag samentrekt, waarop wij één van zin, wijl één in diepe erkentelijkheid en afhankelijkheid ons scharen rondom onze Theologische Hoogeschool.

Rondom haar?

Neen, eerst en bovenal om den Troon der genade. Immers, deze School is niet in de eerste plaats onze School, maar de School des Heeren, een planting van Z ij n hand. Ware dat niet zoo, ze 'mare reeds lang vergaan.

Ziet op haar instandhouding: k heb U maar enkele jaartallen te noemen, en voor Uw herinnering herleven de tijden, waarin haar lot aJs Opleidingsschool der Kerken bezegeld scheen:1893, 1899, 1902, 1944—45; zij was sinds lang ondergegaan, tenware de Heer e

Ziet op haar stoffel ij k bestaan: ze heeft tot hiertoe niet geleefd uit rijke fondsen of legaten van tonnen gouds, maar uit de hand des Heeren, die de harten van Zijn volk bewoog, en bij het slinken van het getal menschelijke gevers, heeft Hij Zijn hand wijder geopend: thans een getal onderwijskrachten, grooter dan dit te voren, en waar wederrechtelijk onze gebouwen ons onthouden zijn, een huisvesting, als we ons niet hadden durven droomen.

Ziet op haar arbeid: ze werkte haar taak'af door ae gaven, de toewijding van de Curatoren, Hoogleerarén, Lectoren, Studenten, leden van het Stichtingsbestuur, die de God der geesten ons gaf.

Ziet op den wortel van haar leven: ze trok haar sappen en kweekte haar vruchten niet uit den bodem van menschelijke wijsheid, maar alleen uit den grond der Openbaring van den Alwijzen, Getrouwen, - Levenden God der Schriften.

Daarom: Ik zal den Na am des Heeren uitroepen: geeft onaen God grootheid!

De Naam des Heeren, de deugden van den God des Verbonds, den Onveranderlijke in liefde, trouw en genade, die blijft, die Hij is, omdat Hij eeuwig Zichzelf is!

Het heeft Hem behaag, te bewaren Zijn School, want het heeft Hem behaagd, te bewaren Zijn Kerken bij Zijn waarheid.

Tegen de waarheid Gods bruist altijd weer in de hoogmoed van den mensch. Onwillig om alle gedachten gevangen te leiden onder de gehoorzaamheid van Jezus Christus, wil men Christus' Kerk gevaagen leiden onder eigen gedachten. Die hoogmoed wijkt voor niets. Hard als steen is ze tegenover alle protest en request, tegenover bezwaar en klacht, tegenover waarschuwing en vermaan, tegenover woorden van smartelijke verbazing en billijke verontwaardiging. De eisch is: buigen of breken. In trotsche zelf handhaving breekt men liever de Kerken en scheurt die uiteen, dan schuld te belijden en terug te keeren tot de gehoorzaamheid des Woords — we hebben het pas in de jongste kerkelijke crisis ervaren —

men wijzigt de wet, maar handhaaft het vonnis; men verzaakt vandaag, wat men gisteren als Goddelijke waarheid uitveilde;

waarvoor men gisteren de ambtsdragers plaatste buiten het Rijk van Jezus Christus/ dasirvoor sluit men vandaag de oogen;

men werpt ons tegen Goddelijk en kerkelijk recht in uit onze kerkgebouwen en pastorieën, onder het handhaven van den broedemaam;

men vraagt van den wereldlijken rechter ons te veroordeelen op gronden, die de Vaderen van deze eischers een halve eeuw geleden verfoeiden, . en waarover ze klaagden bij God;

en haastig, eer het kerkvolk tot bezinning kan komen, drukt men zijn eigen naam ons als een brandmerk op het voorhoofd: verscheurders van het lichaam van Christus.

Gij liet, Heere, door heerschzucht ons vertreden.

Gij gaaft ons over aan 't geweld, maar toen we in den nood riepen tot U, hebt G ij ons uitgeleid, G ij hebt ons verlost van menschendwang en tirannie, Gij hebt Uw Kerken bewaard bij Uw waarheid: de vrijmaking der Kerken is Uw werk, geheel en volkomen; ik zal den Naam des Heeren uitroepen, geeft onzen God grootheid. *

Aan die vrijgemaakte Kerken schonk de Heere nu Zijn vrijgemaakte School.

Nu niet meer een inrichting, die geduld werd, nu niet meer een instituut, slechts bestaande b ij d e gratie van de meerderheid. Nu niet meer een planting des Heeren, die in haar groei en ontwikkeling belemmerd wordt onder faveur van de leus, die het hart der quaestie in geen enkel opzicht raakte: kerk en wetenschap zijn twee. Nu geen hoog-' leeraren en curatoren die in meerderheid angstvallig uitkeken, of men wel bleef in 't zog, opgeworpen door het fregat, dat men trots alles wilde blijven volgen, zoodat de Kamper koers geregeld werd naar Amsterdamsch belang en beleid, met verzaking van het karakter der eigen inrichting. Maar toen de Kamper School verloren scheen en men zich van de z.g. „lastige elementen" ontdaan had, gaf de Heere aan de leden van de eerste meerdere vergadering van de vrijgemaakte Kerken in 't Noorden in 't hart, het onderwijs voort te zetten, en het stoffelijk onderhoud der School voor haar rekening te nemen. Weinig trouwl gebleven leden, zeer weinig Kerken toen, slechts, twee hoogleeraren en één lector — wat moest er van worden? Maar ^e Heere heeft Zich gewend tot het gebed dergenen, die gansch ontbloot waren. Hij heeft hun smeeking niet versmaad. Hij heeft de School uit haar gruis opnieuw doen verrijzen. — Ik zal - den Naam des Heeren uitroepen, geeft onzen God grootheid!

Dat was het werk des Heeren; is er grooter tegenstelling denkbaar dan tusschen Zijn werk en het onze ?

Wie spreekt over Gods werk, moet er aan toevoegen : Hij deed het, ondanks ons, ondanks o n s w e r k.

Waar de roep klinkt: geeft onzen God grootheid! — daar moet alle zelfverheffing breken, daar wil het stralende licht van Gods volkomen, onberispelijk doen ons verootmoedigen en beschamen.

Zullen we op dezen dag opzien naar menschen, den mensch prijzen en grootmaken? God beware ons er voor! Juist in den arbeid voor de komst van Gods Rijk en den bouw van Zijn Kerk gevoelen we het diepst ons gebrek en onze schuld. "Hoogleeraren, lectoren, curatoren, stichtingsbestuur, correspondenten onzer School, ja ieder van ons, hebben wij ten aanzien van onze Theologische School niet veel nagelaten, wat we hadden kunnen doen, niet veel verkeerd gedaan, zonder het te belijden of te verbeteren? Is er niet veel gedaan, wat beter had kunnen nagelaten ? Was het al heilig vuiu-, wat op het altaar van ons hart brandde ? Was het al ijver voor den Heere, die ons bewoog, ons aan Zija School te geven? Is er één werk aan ons, dat ook maar één oogenblik bestaan kan, zonder Gods vergevende genade? En als de stroom van Gods weldaden niet ophoudt, maar voortgaat, en Zijn goedertierenheid over •^< as!&amp; ^j? &amp; < as=&amp; < a; =^«5'5> < a; *o> < a*5> < a5^< 55=? > < a*5> «5'5> < a#e> 0 onze Hoogeschool eiken morgen nieuw is — elk uur van den dag — gevoelen we daartegenover niet te dieper onze schuld? Gods werk ondanks ons, en toch altijd weer voor onze Kerken, voor ons en onze kinderen! Een volkomen ontferming tegenover een volkomen schuld — Ik zal den Naam des Heeren uitroepen: geeft onzen God grootheid!

De Heere is zeer genadig over onze Hoogeschool. Sinds den laatsten Schooldag liet Hij ons rustig vóórt-arbeiden. Hij spaarde ons allen en bezielde ons met de sterke begeerte, ons geheel in te zetten voor Zijn Kerken, voor de opleiding tot den Dienst.

Prof. Holwerda, die licht ongesteld is en eenige weken rust moest houden, hoopt straks zijn arbeid weer te hervatten; hoe missen wij hem op dezen dag, en niet minder onzen prof. Schilder, dien we zoo bijzonder graag vandaag in ons midden hadden gezien. We zenden hem uit de verte onzen hartelijken groet en bidden, dat de Heere hem sterke tot de door hem aanvaarde taak, ginds in Amerika der waarheid getuigenis te geven. Juist kwam van hem een telegram binnen, waarin hij toont, hoe hij vandaag met zijn hart hier bij ons is, een telegram, echt Schilderiaansch, dat is: Woord-getrouw. Hij seint ons, na U allen gegroet te hebben: „Handelingen 28 vers 22b", waar staat: „want wat deze sekte aangaat, ons is bekend, dat zij overal tegengesproken wordt". Dat is dus de kern van de tegenspraak, ook in Amerika, hetzelfde wat van de Kerk van Cchristus in Paulus'-dagen gezegd werd; wij zijn „een sekte", d.i. gemeenschapsbrekers, kerkscheurders. Maar wat is nu de oorzaak van die tegenspraak in Amerika? Die oorzaak ligt besloten in het feit, dat prof. Schilder helaas niet kon seinen, wat we lezen in vers 21: „Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven u aangaande van Judea ontvangen; noch iemand van de broeders, hier gekomen zijnde, heeft van u iets kwaads geboodschapt of gesproken".

Maar sluit dit tegenspreken om deze droeve oorzaak Amerika toe voor het woord van prof. Schilder? Dank zij Gods goedheid, neen, want het telegram vervolgt: „echter, ook (Handelingen 28, vers 22a), waar staat: „Maar wij begeeren wel van u te hooren, wat gij gevoelt". Ondanks alle tegenwerking geeft de Heere in Zijn groote trouw dus aan prof. Schilder toch „een geopende deur". En dat nu.de waarheid toch terechtkomt en werkt, daar waar de TIeere wil, blijkt uit het slot van'het telegram: „vers 31c", waar Lucas schrijft: , , (Ïeerende van den Heere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid) qnVerhinderd".

De bekendmaking van de waarheid gaat dus in Amerii^ dóór. En wij gelooven het woord der Schrift: ij vermogen niet tegen de waarheid, maar voor de waarheid (2 Cor. 13:8). Evenmin als het Woord Gods is de waarheid te binden. Wij geven deze dingen rustig en vol vertrouwen in de hand des Heeren: ij zal het maken.

Wat onzen, prof. Greijdanus aangaat, wij danken Grod, dat Hij onzen geliefden Hoogleeraar tot hiertoe met jeugdig vuur en, jeugdige kracht laat arbeiden, en van hem de belofte vervult: In den grijzen ouderdom zullen ze nog vruchten dragen, ze zullen frisch en groen zijn, om te verkondigen, dat de Heere recht is.

Verlegen worden we, als we denken aan de groote liefde en trouw, door de leden der Kerken aan onze Hoogeschool betoond. In Habakuk 2 : 11 zegt de Heere door den profeet: de steen uit den muur roept, en de balk uit het hout antwoordt dien". Een dialoog. Tusschen steenerr en balken van de trotsche burchten der Babyloniërs, die zich niet willen wet, en een geesel in 's Heeren hand om Israël te slaan. Steenen en balken zijn getuigen geweest van onrecht, geweld, moord, schandelijke praktijken — daarover spreken zij.

In anderen zin kunnen steenen en balken van het gebouw Broederweg 15 een samenspreking houden — n.l. over de veelvuldige bewijzen van dankbaarheid der Kerken.

Enkele voorbeelden: Sinds den laatsten Schooldag schonk de Kerk van Enschedé een prachtig tapijt ten behoeve van de groote professorenkamer; Groningen voor dezelfde kamer een stijlvol ameublement met, ik zou bijna zeggen monumentale tafel, een echt Perzisch tafelkleed, een zeer fraaie ets (Martini-to-

ren) en overgordijnen; Apeldoorn buitengewoon geslaagde glas-in-loodramen met vele symbolische voorstellingen; van particulieren andere, niet minder prachtige gas-in-loodramen, voorstellende de ontmoeting van Maria en Elisabeth en de aanbidding der Ouderlingen vóór den troon, ; de classis Rotterdam vijf stel gordijnen, die onze Aula bijzonder hebben verfraaid, voorts lampen voor studiezaal, bibliotheek en aula, terwijl de Bibliotheek verrijkt is met vele boekwerken, waaronder niet weinig kostbare en sommige zeer kostbare.

Wat is 'op die groote trouw des Heeren ons ant-.woord?

Dit: Ik zal den Naam des Heeren uitroepen; geeft onzen God grootheid! •

Het eerste lid van onzen tekst herinnert ons aanstonds aan de eerste bede van het Onze Vader; in het tweede lid beluisteren we het slot: Uw is de heerlijkheid. Daartusschen, als tusschen alpha en omega, is heel het gebed besloten, dat de Heiland ons Zelf geleerd heeft.

Daarom, bij onze dankb^rheid voegen we ons ge-" bed.

Wij smeeken van onzen hemelschen Vader, dat in en door onze Theologische Hoogeschool Zijn Naam bekend worde, en afgeweerd, al wat dien Naam zou kunnen verdonkeren;

dat uit den bouwval van de gebroken aardsche koninkrijken zich moge verheffen Zijn hemelsch Rijk, en onze Hoogeschool aan 'de komst van dat Rijk moge dienstbaar blijven;

dat, waar de Heere haast, tot deze hemelsche orde, onze School verwaardigd worde mede te arbeiden tot in verre Toekomst aan het herstel van die heilige orde, waarin Gods wil in volkomen gehoorzaamheid wordt volbracht;

wij smeeken, dat de Heere in Zijn ontferming het brood, dat deze School behoeft, haar niet wil onthouden;

dat Hij niet gedenke onze plichtverzaking, ons gebrek aan zelfverloochening en gehoorzaamheid, waaronder ook deze Hoogeschool leed, maar ons de zonden vergeve om Christus' wil;

dat Hij ons beware voor de daemonische macht van verzoeking tot twijfel en afval, tot zelfvoldaanheid en hoogmoed, tot twist en verdeeldheid;

Want van Hem is h e t Rijk, dat is en komende is in glorie, en d e kracht, alle kracht, en daarom: geen roem voor onsi; wij roepen uit den Naam des Heeren, wij geven U, o onze God, grootheid.

Na dit rustig betoog, nauwkeurig constateerend en arguAenteerend, krijgt ds Van den Bom het. woord, die als volgt spreekt over's

dE kERk in dE BRandinG

Het is vandaag een schier hachelijke onderneming om over de kerk te spreken. En wel hierom, omdat elk woord, elk referaat, elke brochure, elk boek over de kerk vandaag aanstonds geteekend wordt als een persoonlijke kijk, een particuliere meening. V/ant men b e 1 ij d t vandaag de kerk niet meer, maar men leeft bij visies, beschouwingen, meeningen omtrent de kerk. Men spreekt van de Roomsehe kerk beschouwing, van de bijbelsch-reformatorische visie op de kerk. Men spreekt van het kerk begrip van Kuyper, van Schilder, van Barth. En ook de belijdenis wordt vandaag onder de beschouwingen en visies gerangschikt. Zoo heet de Ned. Gel. Bel. een eerbiedwaardig document, waarin onze vaderen o.a. ook hun kijk op de kerk hebben neergelegd, een visie, die evenwel thans nigt meer past op onze omstandigheden. En wie deze belijdenis nog belijdt als waarheid Gods, en bereid is haar met zijn bloed te bezegelen, maakt zich schuldig aan verabsoluteering van een bepaald kerk begrip of kerk ideaal, zoo zegt men. En verabsoluteeren is in onze samenleving een leelijk woord geworden. Want het wil zeggen, dat iemand zijn visie als d e visie, en eigen standpunt als het standpunt proclameert, waarmee hij de katholiciteit der kerk verbreekt. En de vrijgemaakten, zegt men, huldigen een kerkbegrip, dat absoluut, dat radicaal is, dat geen rekening houdt met de veelvormigheid en de gebrokenheid van het leven. Daardoor worden er spanningen opgeroepen, die uitloopen op een radicale breuk met anderen. Met zulk een radicaal kerkbegrip gaat elke interkerkelijke samenwerking kapot en komen we straks te zitten op de puinhoopen van heel onze breede actie voor het koninkrijk Gods. De vrijgemaaktien hebben au fond een R o o m s c h kerkbegrip, een R o o m s c h kerkideaal. Immers, gelijk Rome zegt, dat buiten de katholieke kerk, de ecclesia Catholica, op Petrus gebouwd, geen zaligheid is, omdat deze kerk vanwege de belofte van onfeilbaarheid alleen de onvergankelijkheid heeft, zoo zeggen nu ook de vrijgemaakten, dat buiten hun kerkformatie geen zaligheid is, en dat ieder schuldig is zich hierbij te voegen, alsof ook zij de belofte van onfeilbaarheid hebben. En dat nu is zeer hoogmoedig, extreem, Farizeïstisch, te meenen, dat eigen instituut het - instituut zou zijn, en eigen' kërkformatie de ware kerk. Hoe haalt men dat in zijn hoofd? Men kan hoogstens spreken van meer of minder zuiver, maar niemand kan omtrent eigen instituut abso­ lute uitspraken doen, of absolute aanspraken laten gelden. Wie zoo absoluut gaat spreken, vermoordt alle interkerkelijke samenwerking, welke dan toch masir zulke rijke vruchten heeft' afgeworpen voor school en politiek en sociaal terrein. Daarom, zoo zegt men, zal God zulk een hoogmoed ook breken, en zulk een kerkformatie weer kapot slaan, opdat wij eindelijk eens zullen gaan begrijpen, dat geen enkel instituut absoluut is, ma# slechts een tijdelijk verband, een zelf gebouwd huis met al de gebreken daarvan. En natuurlijk heeft men gelijk. Indien alles maar betrekkelijk is, " en elk kerkverband een kwestie is van persoonlijke geloofsovertuiging, en vrucht is van wat wij uit het Woord Gods hebben afgelezen, dan heeft niemand het recht absolute uitspraken te doen omtrent eigen institueeringsarbeid. En ieder, die het wel doet, is onverdraagzaam, rigoristisch, bekrompen, onoecumenisch.

Dus, vóórdat we kunnen spreken over , , de kerk in de branding", komen we zelf in de branding te staan. Want, indien a^les, wat wij over de kerk zeggen maar een kwestie van visie is, en ook de belijdenis slechts datgene is, wat v/ij uit het Woord Gods hebben afgelezen, wel, dan staat er geen kerk in de branding. Namelijk de kerk als een eenige katholieke of algemeene kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware christgeloovigen. Dat verbeelden we onp dan maar. Wat in dp branding zou kunnen staan is dan misschien de kerk beschouwing van de Roomschen, of de bijbelsch-reforrnatorische vi s i e van Luther en Calvijn, of de una-sanctagedachte van de oecumenische beweging, of het kerk ideaal van de vrijgemaakten. En men zou van mij kunnen zeggen, dat ik vandaag probeer te vechten voor het goed recht van ons kerk begrip als het eenig juiste in deze wereld van de vele visies en beschouwingen. ïlet is immers alles niaar een kwestie van persoonlijke geloofs overtuiging? En het kan toch best zijn, dat wij ons allemaal vergist hebben?

En zoo komt ieder, die waarlijk de kerk zoekt, omdat hij Christus, zijn eeuwigen Koning, zoekt, in een gev/eldige crisis in deze wereld, waar alles maar subjectief heet, en betrekkelijk is. W a a r is dan die eenige katholieke of algemeene kerk? Krijgt iemand haar wel te zien? Vertoont zij zich wel aan iemands oogen ? Zijn onze vaderen voor een kerk begrip in den dood gegaan ? Zijn alle brandstapels een vergissing geweest ? O God, waar is Uw huis ? O Herder, Die Uw schapen vergadert, waar is Uw stal? En uit deze crisis komt iemand alleen uit, wanneer hij, wat de belijdenis noerat, zijn hals buigt onder het juk van Christus, en zich stelt onder de volstrekte heerschappij van het Woord Gods. Want uit het Woord Gods kan de kerk .gekend worden, «kan zij gezien worden, kan haar glorie aanschouwd worden in deze wereld. Wij zien dan door het geloof, dat de eeuwige Koning Zichzelf een gemeente vergadert, een eenige katholieke of algemeene Kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware christgeloovigen. Niet van beneden uit, niet langs phaenomenologischen weg krijg ik de kerk te zien, maar van boven af, door Hem geleerd, door Hem, Die mij concreet onderwijst, wat de Kerk is, waar zij te vinden is, en waaraan zij te herkennen is. Wie zijn hals buigt onder het juk van Christus, die komt uit de wereld van de visies, en beschouwingen, uit de wereld van de gesprekken en de conferenties over de kerk, in de wereld van de absolute waarheid Gods, ook omtrent de kerk. Hij wordt verlost van woorden als kerk b e g r i p, kerk visie, gelijk hij ook verlost wordt van woorden als Gods begrip, verbonds beschouwing, Christus-ITe e 1 d. En hij komt in een nieuwe wereld, de wereld van God, zijn Vader in Christus, door een nova creatio, een nieuwe schepping, als hij' ziet de Kerk, o ja, hij ziet haar, die eenige katholieke of algemeene kerk, die er w a s van het begin der wereld, en die er z ij n zal tot het einde toe. En zij is niet de kerk van z ij n visie of beschouwing, maar zij i s de kerk, de ware kerk. En hij heeft geen kerkbegrip meer, maar hij b e 1 ij d t nu de kerk, zooals hij ook God den Vader belijdt, en Christus zijn Heer. En hij ziet nu ook de branding, waarin deze kerk verkeert in een wereld, welke vandaag alles problematiek stelt, alles in discussie heeft. Tusschen deze wereld van de problematiek, van de discussie, van de ronde-tafel-conferenties, en de wereld van de volstrekte waarheid Gods, welke geloofd en beleden wordt, ligt een volkomen breuk. En men komt niet van de eene wereld in de andere door middel van gesprek, in den weg van discussie, maar alleen door het geloof, dat buigen wil voor het souvereine gezag van den eeuwigen Koning, Die Zichzelf onderdanen formeert, en samenbrengt onder Zijne h e e r-s c h a p p ij. IDaarom is alles, wat ik nu verder zeg, ook inhoud van geloof. Ik heb daar geen enkel b e - w ij s voor. Ik g e 1 o o f en b e 1 ij d een eenige katholieke of algemeene kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware christgeloovigen. En dan spreek ik niet over de onzichtbare kerk als een eeuwige idee, waarvan binnen elk instituut een zwakke weerglans wordt gevonden, en ook niet over de kerk als het mystieke lichaam van Christus, dat nog nooit iemand heeft gezien, en ook niet over de kerk als een geestelijke werkelijkheid, die alleen ervaren kan worden, en ook niet over de kerk als onderpand en heenwijzend teeken naar de herschepping, die wij verwachten. Maar over die concreet zichtbare vergadering van. ware christgeloovigen, welke in de wereld gekomen is van het oogenblik af, dat Christus als haar eeuwige Koning Zijn Koningsheerschappü begon uit te oefenen door Zijn Woord en Geest en Zijn onderdanen begon, te vergaderen in den weg van wedergeboorte en vernieuwing, en die er zijn zal, totdat Hij ook den laatste heeft vergaderd en toegebracht tot de gemeente, die zalig wordt. D e k e r k i s e r. Zij vertoont haar eerste heerlijkheid yeeds in deze wereld. 'Dat was ook de jubel van onze vaderen. Zij hebben haar ook gezien. Dat geloof ik, omdat ik de belijdenis geloof.' Zij was er van het begin der wereld. Zij was er, niet in het rampjaar 1517, maar in het gezegende jaar onzes Heeren 1517. Zij was er, wat ons land betreft, ook in het jaar 1834, en 1886, en 1944. Zij i s er ook vandaag, '^u wij 1947 schrijven. En omdat zij er was, daarom hebben onze vaderen haar ook beleden, en zich afgescheiden van hen, die niet van de kerk waren. En zij hebben haar onderscheiden van de s e k t e n7 en van de valsche kerk, niet naar hun visie, maar omdat zij als ware christgeloovigen waar en valsch uit de Schrift konden onderscheiden. En wanneer de sekten zich ook met den naam van Kerk bedekten, versierden, dan zeiden onze vaderen: dieschoone naam van Kerk komt U niet toe, want dan moet gij ook doen, wat wij doen, den hals buigen onder het juk van Christus, en U onderwerpen aan de doctrina en disciplina der kerk, en alzoo met ons haar .eenheid, haar unitas, onderhouden. Want ware christgeloovigen zijn zij, die des Konings heerschappij erkennen, en zich nu bij de w^re kerk voegen. En als de R o o m-s c h e n zeiden: Hier is de kerk gebouwd op den stoel van Petrus, dan zeiden onze vaderen: Neen, want gij schrijft Uzelf en Uwe ordinantiën meer macht en autoriteit toe dan den Woorde Gods, en gij buigt Uw hals niet onder het juk van Christus, en gij vervolgt vandaag, die heilig naar het Woord Gods leven, en de merkteekenen der ware christenen vertoonen. En van zichzelf zeiden zij niet: W ij zijn het, neen, zij zeiden alleen: Wij zijn weer de ware kerk, de ecclesia universalis, omdat Christus hier heerschappij heeft, en Hij hier over Zijn onderdanen regeert. Hij heeft ons samenvergaderd door Zijn Woord en Gfeest. Hij, de eeuwige Koning, was getrouw in Zijn ééne vergaderingswerk, daarom is deze katholieke of algemeene Kerk niet ondergegaa, n onder de pauselijke hiërarchie, maar heeft Hij Zijn kudde weer vergaderd, en weer gezet onder Zijn doctrina en disciplina. Nu wij, zeiden zij, onzen hals weer mochten buigen onder het juk van Christus, au hebben "wij ook de kerk weer gezien, die ecclesia universalis, en hebben wij ons weer bij haar gevoegd, haar eenheid, haar unitas, onderhoudende, ook als was het dan' zóó, dat de Magistraten en plakkaten der Prinsen daar tegen waren, en dat de dood of eenige lichamelijke straf daar aan hing. En, zoo vervolgden zij, deze katholieke of algemeene kerk is nog nimmer verscheurd, nog nimmer uiteengevallen. Zij was altijd één ver-> , gadering, één coetus, en zal dat ook altijd blijven, ge-' lijk daaruit blijkt, dat Christus een eeuwig Koning is, 'Die nooit zonder onderdanen zijn kan. Wij hebben de kerk gezien, en zij is een katholieke of-algemeene Kerk, omdat Christus Zichzelf een gemeente vergadert uit alle geslacht en volk en tong em natie. Haar katholiciteit, haar algemeenheid, wordt bepaald door Zijn souverein vergaderingswerk naar des Vaders welbehagen. Immers wij leven thans onder het geopenbaarde mysterie der'laatste eeuwen, dat ook de heidenen medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods zijn geworden, om medegebouwd te worden op hetzelfde fundament van de apostelen en profeten. En dat door Hem, die op Gdlgotha den nieuwen mensch geschapen heeft, vrede - makende, den schoenen gemeenschapsmensch van de stad Gods, het Nieuw Jeruzalem, dat gekomen is en konït en komen zal, zoodat nu de volheid der heidenen en die der Joden kan ingaan. En zij is een heilige, vergadering, omdat Hij haar gekocht eni tot Zijn eigendom gemaakt heeft, haar afzonderende van alle andere volken en vreemde religiën, om Hem geheel toegeëigend te zijn, Zijn merk-en veldteeken dragende. En deze kerk is niet gebonden en bepaald in een zekere plaats. Rome is niet het centriun van deze - kerk, van waaruit zij haar unitas en haar katholiciteit ontvangen zou. Haar centrum is in den hemel, van waaruit Christus Zijn Koningsheerschappij over haar uitoefent, haar beschermt, en bewaart en vermeerdert. Zij is ook niet gebonden aan zekere personen. Zij staat niet onder een menschelijke hiërarchie, geleid en geregeerd door een oppersten bisschop, gezeten op den stoel van Petrus, maar haar ééne Bisschop en Herder is Jezus Christus. Neen, deze ecclesia universalis is verspreid en verstrooid door de geheele wereld. Gij vindt baar overal, waar Christus Zijn heerschappij uitoefent over Zijn onderdanen, en waar de hals gebogen wordt onder Zijn juk. Elke plaatselijke kerk, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten met haar reine bediening van woord en sacrament en tucht vertoont U' deze katholieke of algemeene kerk. Elke plaatselijke kerk i s de stad Gods, het Nieuw

Jeruzalem, i s het koninklijk priesterdom, i s de heilige tempel, is het huis Godg, is de stal van 'Christus. En wie zich bij zulk een plaatselijke kerk voe^, bij zulk een vergadering van ware christgeloovigen, die heeft zich bij de e c c 1 e s i a universalis gevoegd, bij die eene kerk, die er was, en die er zijn zal, en hij kan nu zeggen, dat hij daarvan een leivend lidmaat is, en eeuwig blijven zal. Maar, hoewel verstrooid en verspreid over de geheele wereld, is deze katholieke of algemeene kerk nochtans tezamen gevoegd en vereenigd van hart en wil in eenzelifden Geest door de kracht des geloofs. Het is dus niet zóó, dat gij op een andere plaats een geheel andere kerk vindt, een andere communio sanctorum, WEint het is één Heer, één geloof, één doop. Het is overal dezelfde Geest, Die èn . in Christus als het "Hoofd èn in ons als Zijne lidmaten woont, wardoor overal eenzelfde tempel opwast in den Heere, en eenzelfde gemeenschap der heiligen. En het is overal hetzelfde geloof, dat de nova creatio werkt, de wedergeboorte. Immers wij gelooven (art. 24 der Bel.), dat dit waarachtig geloof, in den mensch gewrocht zijnde door het gehoor van het Woord Gods, en de werking des Heiligen Geestes, Ijpm wederbaart, en maakt tot een nieuwen mensch. iDoor de kracht des geloofs wast dus overal, met alle verschil van taal en ras en volk, eenzelfde gemeenschap, eenzelfde koninklijk priesterdom op. Want gelijk de kerk één is — een unica ecclesia — zoo zijn nu ook de ware christgeloovigen één, overal dezelfde merkteekenen vertoonende.

Zeker, somwijlen schijnt deze katholieke of algei meene kerk tot niet gekomen te zijn, wanneer de vijanden tegen haar woeden, of wanneer een hiërarchie zich van haar meester maakt, en het Woord des Konings weerstaan wordt, maar er is altijd een volk, dat het geklank-tfes Konings kent, ook ten tijde van de wreedste tyrannic, als deze' ecclesia universalis vergadert in catacomben of onder hagepreeken.

En wij gelooven, aangezien deze heilige vergadering is een verzameling dergenen, die zalig worden — omdat God deheiligesn doet volharden — en dat buiten haar geen zaligheid is — O'mdat zij heeft de pura doctrina, die de wedergeboorte werkt — dat niemand, van wat staat of kwaliteit hij zij, zich behoort op zichzelf te houden, maar dat zij allen schuldig zijn ziehzejf daarbij te voegen. De ecclesia universalis i s er, zij is er a 11 ij d, daarom is er maar één gebod voor allen, die des Konings heerschappij erkennen, zich bij .haar te voegen, in welk jaar ook van des Konings regiment, ook al was het ten tijde van den Antichrist. De Herder heeft maar één stal, de Bruidegom heeft maar één huis der liefde, de Koning heeft maar één congregatie. • En ieder is schuldig de eenheid der kerk te onderhouden, want er is maar één doctrina, welke komt met h e - m e 1 s c h gezag (één magisterii caelestis doctrina, Cyprianus). En zich te onderwerpen aan haar onderw ij z i n g en tucht, om alzoo onder des Konings regiment op te wassen in genade en kennis. En zijn hals te buigen onder het juk van Christjis, opdat de eeuwige Koning hem brenge, waar H ij hem hebben wil. En te dienen de opbouwing der broederen naar de gaven, die hem God verleend heeft, opdat nu in deze kerk, in deze gemeenschap der heiligen, met alle verschil van taal en ras en volk het verloste leven opbloeie in verkeer met elkander, en deze stad Gods haar glorie openbare in de wereld.

En opdat dit te beter mocht geschieden, zoo is het ambt aller geloovigen — want zij hebben allen de zalving van den Heilige en hebben allen kennis — volgens het Woord Gods zich af te scheiden van de-. genen, die niet van de kerk zijn, en de merkteekenen der ware christenen niet vertoonen. Opdat dus deze ecclesia universalis waarlijk kerk zij, _ waar het verloste leven opbloeit onder Christus' genadeheerschappij, is het groote gebod zich af te scheiden van hen, die de doctrina en disciplina der Kerk verwerpen. Deze katholieke of algemeene Kerk is dan ook van de sekten en de valsche kerken gemakk e 1 ij k te onderscheiden, omdat zij ook katholieke of algemeene merkteekenen vertoont, die overal gezien worden, waar Christus Zijn kerk gesteld heeft. Deze merkteekenen zijn: zoo de Kerk de reine predicatie des Evangelies oefent; indien zij gebruikt de reine bediening der Sacramenten, gelijk Christus ze ingesteld heeft; zoo de kerkelijke tucht gebruikt wordt om de zonden te straffen. Dus niemand kan zeggen: Ik kan haar niet vinden, want gelijk een boom aan zijn vruchten gekend wordt, zoo wordt de ke^k aan haar kenmerken gekend door een ieder, die voor des Konings heerschappij buigen wil.

Deze taal nu van de belijdenis is a b s o 1 u u t. Zij verbrijzelt ons naar het vleesch, . opdat wij toch den Koning volgen zouden in Zijn vergaderingswerk, en niet zoeken zouden de kerk van onze fantasie, van onze verkiezing, van onze visie, maar de Kerk van Z ij n verkiezing, van Z ij n welbehagen. Hij, de eeuwige Koning Zelf, staat op de wegen der wereld. Hij staat ook op den weg, waarlangs wij loopen, en H ij dirigeert de Zijnen naar de Kerk, leidt ze 'voorbij sekten, voorbij valsche kerken naar de ecclesia universalis, naar de communio sanctorum, ook al zijn er maar twee of drie in Zijn Naam vergaderd. Als wij Hem maar volgen willen, komen wij, waar wij zijn moeten, en altijd zijn moeten, namel^k daar, waar Zgn Woord volstrekte heerse h a p p' ij heeft, waar Z y n doctrina en disciplina over ons heerscht, en waar het fundament van de apostelen en profetein gelegd is.

En deze katholieke of algemeene Kerk wil nu in deze wereld haar glorie openbaren, de heerlijkheid van het verloste leven als de stad Gods, met breede verkeerswegen naar al de heiligen, om nu, i n e enigheid des geloofs en der liefde, den Vader te dienen, en Zijn heerlijkheid over het gansche leven uit te roepen. En Paulus heeft deze katholieke of algemeene Kerk gezien, vergaderd wordende uit alle geslacht en volk en tong en natie, en hij heeft nu voor haar dat wonderschoone . gebed gedaan in Efeze 3: „Om deze oorzaak buig ik mijne knieën tot den Vader van.tmzen Heere Jezus Christus, uit Welken al het geslacht in de hemelen en op de-aarde genoemd wordt". Hij bidt nu tot den rijken Herscheppingsvader, opdat nu in deze ecclesia universalis Zijn herscheppingskraohten neerdalen, en Christus door het geloof in hunne harten wone, en de ware Christgeloovigen in den inwendigen mensch versterkt worden, opdat zij allen in de liefde geworteld en gegrond mogen zijn, in de liefde, welke verkeerswegen aanlegt, welke gemeenschap sticht, opdat nu ieder zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der anderen gewillig en met vreugde aan-. wendt. Want gebeurt dat, worden er verkeerswegen aangelegd, en worden de gaven en krachten ten nutte en ter zaligheid der anderen gewillig en met vreugde aangewend in deze katholieke of algemeene kerk, dan wordt binnen haar ïhstitutaire verbanden kennis verkregen van de breedte eh lengte, diepte en hoogte van de liefdevan Christus in het verkeer met al de heiligen. Immers nu wordt in deze groeiende, zich over de geheele wereld uitbreidende kerk gezien, wat de Heere Christus m Zijn onmetelijke liefde ons heeft willen schenken nu de werken der heiligen openbaar worden in nieuwe gehoorzaamheid en overal het geloof in de liefde werken gaat tot eer van den Vader. Want deze katholieke of algemeene kerk is nu de breedte en lengte en diepte en hoogte van de liefde van Christus, en zij i s nu al de volheid Gods, waarvan ieder deelgenoot wordt, die haar eenheid onderhoudt en voor haar doctrina en disciplina buigt. En hier ligt nu de machtige stimulans om de ware kerk te zoeken, ons bij haar te voegen, haar eenheid te onderhouden, omdat in deze katholieke of algemeene kerk, in deze stad Gods, de stroomen vroolijk zingen, de fonteinen ruischen en het leven bloeien gaat onder des Konings genadige heerschappij.

En het is nu deze ecclesia universalis, die vandaag in de branding staat. Want terwijl de belijdenis zegt: Zij i s er, en gij kunt haar zien, zich uitbreidende over de geheele wereld, mits gij maar leeft bij het Woord Gods, en gij kunt U bij haar voegen en haar eenheid onderhouden, zoodat gij jubelen moogt van haar een levend lidmaat te zijn en eeuwig te zullen blijven, daar zegt men vandaag heel rustig, dat het niet waar is. Deze katholieke of algemeene kerk wordt vandaag genoemd de onzichtbare kerk, of de kerk als geestelijke werkelijkheid, of de kerk als een eschatologische grootheid. Neen, wat gij vandaag ziet is alleen de pluriformiteit der kerk, de verschillende in, stituten, waarin misschien iets van de una-sancta-g e d a c h t e verwerkelijkt wordt. Eh wat ge vandaag hebt zijn de verschillende belijdenissen der kerken, waarin deze alle een schets van Christus ontworpen hebben, van Zijn gelaat, een schets, waarin zij allen hebben neergelegd, wat zij aan aanbiddelijks en lieflijks in Hem ervaren hebben. En wat vandaag te betreuren is, dat is de verscheurdheid, de versplintering der una sancta, welke in den weg van gesprek, van conferenties, van oecumenische beweging hersteld moet worden, en waaraan wij allen moeten medewerken, opdat alle belijdenissen weer gaan samenvallen, en alle schetsen één worden, en wij allen weer hetzelfde Christus-beeld ontvangen. Op deze oecumenische beweging speurt ge iets van de una sancta, en in de pluriformiteit houdt gij haar eenheid en haar catholiciteit vast. Maar verder is deze katholieke of algemeene kerk nergens concreet te zien, want haar heerlijkheid is verborgen bij God.

De ecclesia universalis is er niet, maar zij moet nog komen. Wij hebben allen nog maar een voorloopige schets van haar, omdat wij ook nog maar een voorloopige schets van het oer-beeld van den Christus der Schriften bezitten. Daarom moeten wij samen spreken en rondetafelconferenties beleggen om tot één schets van Christus te komen, en alzoo tot één wereldkerk, als verwerkelijking van de ima sancta, waarin alle nu-' ances en verschillen verdisconte^'rd zijn in de volheid der openbaring Gods.

Maar deze taal is in flagranten strijd met de werkelijkheid, die God ons geopenbaard heeft, en waarvan wij in de belijdenis belijdenis deden. Want, indien wij allen nog-maar een voorloopige schets van de kerk bezitten, wel dan is deze katholieke of algemeene kerk er nog nimmer geweest, en was de oude kerk ook maar een voorloopige schets, en zijn Luther en Calvijn met een nieuwe schets gekomen, en hebben wij vandaag vele schetsen gekregen. En dan is deze ecclesia universalis ook nimmer tot reformatie gekomen, niet in 1517, en ook later niet. En dan hebben wij geen Koning, Die in Zijn transcendente heerlijkheid vanuit den hemel Zichzelf een gemeente vergadert, maar dan zijn w ij het, die ons naar een bepaalde cultus vergaderen rondom het „Christus-beeld", wat wij uit de Schrift hebben a f g e 1 e z e n, en isi ons christelijk geloof de religieuze beleving van een eeuwige idee, welke in de wereld verschillende gestalten ontvangst, afhangende van ras, van aanleg, van cultuur. De pluriformiteit der kerk loopt altijd weer uit op de pluriformiteit der waarheid.

En nu wordt het ook van strakken ernst. Immers de belijdenis zegt: deze ecclesia universalis heeft ook een doctrina universalis, een waarachtige en volkomien leer der zaligheid, waarop zij gebouwd is door de apostelen en profeten, en waaraan verbonden is het wonder van de nova creatio, de wedergeboorte, welke den nieuwen mensch schept, den sohoonen gemeenschapsmensch vka de ecclesia universalis, van de stad Gods. En deze wedergeboorte wordt gekend aan haar vruchten, zoodat de ware christgeloovigen ook bepaalde merkteekenen vertoonen, waaraan zij te-herkennen ^jn. Met deze doctrina universalis overwint nu Christus de Zijnen, vergadert Hij ze tot één coetus, en doet ze alzoo leven uit één fontein van heil, dat nooit vergaat. Daarom is er buiten deze kerk geen zaligheid. En zoo kon Cyprianus reeds zeggen, dat hij, die de kerk niet heeft tot moeder, God niet tot Vader kan hebben. Want wie deze doctrina universalis belijdt met den mond en gelooft met het hart, die is uit God geboren. Maar men zegt vandaag rustig, dat er geen waarachtige en volkomen leer der zaligheid i s. Alles is in discussie, in debat. En in de oecumenische beweging is een gesprek gaande rondom de Heilige Schrift. Maar ook het gezag van deze Schrift is wederom in discussie. Het is dus niet meer de Koning, Die ons overwint met Z ij n doctrina en disciplina, met Z ij n Woord en Geest, maar w ij zijn het, die ons een Christus-beeld ontwerpen uit het getuigenis van de Schrift, zooals wij vandaag dat getuigenis vernemen, en die nu op conferenties samenspreken om tot één Christus-beeld te komen. TSIaar als er geen doctrina universalis is, dat met hemelsch gezag en met hemelsche krachten ons overwint, dan is er ook geen nova creatio, en zijn er ook geen ware christgeloovigen, uit God geboren, en in de kerk, om weer den wil des Vaders te doen. Die in de hemelen is. Hier wordt alles verleugend: de Vade r met Zijn eeuwige verkiezing, de Koning, die de Zijnen vergadert, het geloof, dat den heiligen is overgeleverd, de ecclesia un'i; versalis, die er was, "die er i s, en die er altijd zijn zal.

Het is de valsche profetie, die vandaag tegen de kerk woedt als nooit tevoren en haar — misschien —'weiPpt in haar laatste branding. Hier is de Satan verschenen als een engel des lichts om met één groote synthese van gedachten, meeningen, visies de ecclesia universalis te verwoesten. En wij zouden verschrikken als wij de belofte niet hadden: en deze heilige Kerk wordt door God bewaard of staande gehouden tegen: het woeden der geheele wereld.

In Jesaja's dagen zeide de Heere VEUI Israël: Uwe nieuwe maanden en sabatten en het bijeenroepen der vergaderingen mag Ik niet. Ze zijn Mij tot een last.

Ik ben moede geworden die te dragen. EIn zoo moeten wij vandaag zeggen: de Heere haat deze wereld van beschouwingen, van visies, van meeningen, deze wereld van oecumenische gesprekken, van eenheidsgebeden en eenheidswerken, omdat men de concrete daad van gehoorzaamheid niet meer doet, en niet beeft voor het Woord der Schrift, dat gehoorzamen beter is dan offerande, door namelijk den weg op te gaan, dien Hij heeft aangewezen om de kerk te zoeken, die er is — als een wonder van Zijn verkiezing — om haar eenheid te onderhouden, die er is — de doctrina met haar gezag uit de hemelen — om haar merkteekenen te vertoonen, die er zijn — waar het Woord des Konings is aldaar is heerschappij — om in één, woord KERK te zijn naar Z ij n b e - V ei, en in alle vergaderingswerk de ecclesia universalis te v e r t o o n e n, de stad Gods, die van boven is, en die straks de geheele wereld vervullen zal, de stad Gods, die Hij zoo zeer bemint, wijl Hij haar Zelf gemaakt heeft en verkoren.

En laten wij beven voor den Heere, Die ons heeft geroepen met een hemelsche roeping, en voor den Koning, Die ons vergadert onder Zijn volstrekt ge/ag, en ons bekeeren van „meeningen, visies, beschouwingen", en wederom de\ Kerk b e 1 ij d e n met de absolute geloofstaal van de belijdenis, en alzoo de ecclesia universalis zoeken, en blijven zoeken: Jeruzalem, dat ik bemin, wij treden Uwe poorten in. En laten wij in deze wereld van de valsche profetie p r o - feteeren van de Kerk, die er is, en ons vereenigen met elke op Gods onfeilbaar Woord gegronde vergadering van ware christgeloovigen, opdat Hij, wederkomende, ons mag vinden gehoorzaam in dit ééne — het zoeken, in allen vergaderingsarbeid, van de katholieke of algemeene Kerk, bewarende de doctrina universalis met al de heiligen, en gemeenschap stichtende met a 1 de broederen. En laten wij zoo in de wereld uitgaan, in een wereld, die haar „mené, mené, tekel. upharsin" reeds op haar muren heeft geschreven gekregen, om mee te vergaderen met Hem, den eeuwigen Koning, Die triumfeeren z a 1 in het vergaderen van Zijn Kerk, en haar ook uit de laatste branding redden zal, omdat Hij de heiligen doet volharden. Daarbij volhardende in het gebed: Regeer ons alzoo door Uw Woord en Geest, opdat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen.

Halleluja, er is een ecclesia universalis. Haar eenheid hebben wij onderhouden in dezen kerkelijken strijd, en haar merkteekenen mogen wij weer vertoonen door de genade Gods, en haar glorie mogen wij weer uitdragen in deze wereld. Daarom: Versterk hetgeen Gij hebt gewrocht, en laat Uw hulp door ons verzocht voortaan Uw volk verhoogen!-' Ik heb gezegd.

Ademloos werd geluisterd.

Dit was voor velen een hoogtepunt van^ den dag! Even bij den aanvang enkele lijnen aangegeven en dan langzamerhand al forscher en breeder bouw van betoog met telkens dieper borende analyse! Dit spreken, deze vervaarlijke, profetische taal legt een beklemming, sleept mee, is adembenemend, omdat men de realiteit van de Kerk ziet, vlak bij, gebracht door het in de belijdenis der Kerk uitgesproken woord van God!

Als een nieuw lied klinkt Psalm 87 uit aller hart.

In dE tEnt

In de groote, groene tent zwaaide ds Van Dijk den scepter; hanteerde ds Van Dijk den dirigeerstok; leidde ds Van Dijk de kudde; was ds Van Dijk de voorganger; had ds Van Dijk de leiding; voerde ds Van Dijk het hoogste woord — ja, hoe moet men nu eigenlijk precies onder woorden brengen watvds Van Dijk in een vergadering uitvoert als hij daar baas is?

We zullen daarom maar kort en goed zeggen: in de tent had ds Van Dijk steeds het eerste en het hoogste en het laatste woord.

Voor wie er geweest zijn zegt dat alles.

Voor wie hem kennen zegt dit, dat het er goed was, écht goed!

Nadat gezongen was Ps. 68 : 10, gelezen Esther 9 : 19 : 28, ging ds Van Dijk voor in gebed.

Voor zijn openingsrede — zie zoo iets doet alleen hij — hield ds Van Dijk een openingsrede van zijn openingsrede. Mannenbroeders en zusters, zoo ving hij aan, ge gevoelt wel, dat dit iets heel bizonders is, dat ge in een tent moogt zitien. Wat is het móóóói, dat bij een verdubbelde Nieuwe Kerk, die de menigte niet kon bevatten, ook nog een verdubbelde reusachtige tent komen moet. Hierin blijkt wel het overweldigende bezoek van onzen Theol. Hoogeschooldag. Ik heb u iets voorgelezen over het Purimfeest. Ik had het ook kunnen doen over het Loofhuttenfeest. Dat vieren we eigenlijk ook! Want daar hoort een tent bij, door welker naden we de blauwe lucht ontwaren, terwijl het heerlijke groen, waarop de zon haar stralen werpt, rondom ons is. Ge meent misschien bij de Nieuwe Kerk ten achter te staan, maar we hebben hier een entourage en garneering, waardoor de tent de kerk ver overtreft. We moeten eigenlijk diep medelijden hébben met de menschen, die-Hèt vandaag inet zoo'n steenen kerk moeten doen! U ziet bovendien hier op het podium prof. Veenhof, thans de „hoogste" der professoren en haast hem ds Knoop — als desse er is, is alles goed. Voorts ook nog de jongste der Curatoren als bloesemende bloesem vol levenskracht

Maar Uw verslaggever houdt op, want we nemen liever de volledige openingsrede van ds Van Dijk,

aldus luidende:

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 oktober 1947

De Reformatie | 12 Pagina's

dE REdE Van PROF. dEddEns

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 oktober 1947

De Reformatie | 12 Pagina's

PDF Bekijken