Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bezwaarden over en onder de synodocratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bezwaarden over en onder de synodocratie.

12 minuten leestijd

De critiek van de professoren Dooyeweerd en Vollenhöven.

Niet alleen in den dogmatischen aecto'r van de kerkelijke worsteling uit de jaren 1942—'4A, óók in den keirkrechtelijken namen de mannen van de Wijsbegeerte der Wetsidee de wapens op tégen het sectarisme en vóór de katholiek-Gereformeerdfc leer en praktijk.

Wie den strijd, welke in die jaren om de handhaving van de grondslagen van de Schriftuurlijke kerkregeering werd gevoerd, overziet, ontdekt ze zelfs in de voorste linies! Want boven èlles, wat in dien tijd tegen de regeerpractijken der synodes werd geschreven, rijst het bezwaarschrift, dat de professoren Dooyeweerd en Vollenhöven tegen de sjmodale manipulaties opstelden en indienden torenhoog uit. „In diepe bezorgdheid en bewogenheid over den gang van zaken" in het kerkelijk leven wendden ze zich tot de synode over wat er aan kerkrechtelijke euveldaden om en in de schorsing van prof. Schilder was bedrer v^n.

Ook dit bezwaarschrift he^t zgn geschiedenis.

Toen de kerkelijke hemel tengevolge van de schorsing van prof. Schilder uitermate donker en onheilspellend werd, kwam in het voorjaar van 1944 onder leiding van prof. Vollenhöven een aantal mannen herhaaldelijk in Amersfoort bijeen om zich te bezinnen op alles wat maar mogelijk en geoorloofd was om de katastrofe, welke dreigde, alsnog te voorkomen. Deze samenkomst — ze werd al gauw „de Amersfoortsche kring" genoemd — benoemde een dogmatische en een kerkrechtelijke studie-commissie. De laatste bestond uit prof. Dooyeweerd, ds Rietberg en ds Pppma.' Deze commissie bekeek de kerkrechtelijke daden van de synode nauwkeurig en grondig en gaf daaromtrent een prachtig rapport. En het is dit rapport, dat den achtergrond vormde van het bovengenoemde bezwaarschrift.

In hun missive aan de Synode wijzen de beide professoren er nu op, dat de schorsing van prof. Schilder als hoogleeraar en predikant groote beroering in de kerken heeft verwekt. En deze beroering zal, naar het zich laat aanzien, een steeds toenemenden omvang aannemen, wanneer het, door kennisneming van de Toelichting-op-het-schorsingsbesluit, algemeen doorgedrongen zal zijn, waar het in deze schorsing om gaat.

„Prof. Schilder, die door dit vonnis getroffen is", — zoo schreven de beide hoogleeraren — neemt in ons.kerkelijk leven onmium consensu een zeer bgzondere plaats in, doordat hij voortdurend geijverd heeft voor de doorgaande reformatie onzer kerken, al loopt de waardeering uiteen van de wijze, waarop hij dit doel nastreefde, en doordat hij ook aan de gereformeerde theologie onschatbare diensten bewezen heeft.

Deze man, door God toegerust" met bijzondere gaven des geestes, dreigt thans te worden uitgestooten uit de beide ambten, waarin hij al deze gaven heeft , ontplooid en dat op grond, dat hij zich zou hebben schuldig gemaakt aan de hierboven genoemde grove en ergealijke zonde.

Men behoeft volstrekt niet het oog te sluiten voor bepaalde fouten in het optreden van prof. Schilder, om in dezen geheelen diep betreurenswaardigen gang van zaken een acuut gevaar voor de toekomst van ons kerkelijk leven te zien".

Nu dragen de kerken een „zware medeverantwooidelijkheid voor de handelingen harer Generale Synode". In verband hiermee en in verb'and „met den eisch van oprecht meeleven" met de moeilijke situaties waarin die Synode zich gesteld zag, moeten nu drie vragen gesteld worden.

„le. Was het nu de tijd om een deirgelijken uitersten stap te doen?

2e. Is de door haar Generale Synode gevolgde procedure in overeenstemming te brengen met letter, geest en secundair ook met de historische praotijk onzer kerken-orde?

3e. Kunnen de gi-onden, waarop dit vonnis berust, den toets der critiek doorstaan? "

Wat de eerste vraag betreft, die omtrent het tijdstip van het vonnis, wezen de béide amsterdamsche hoogleeraren er op, „dat het publiek gemaakte vonnis onze kerken tot een aanfluiting gemaakt heeft voor de wereld. Het hoofdartikel in het Handelsblad van Zaterdag 6 Mei j.l. en een soortgelijk artikel in het Volk zijn het bewijs, hoe men de huidige crisis in ons kerkelijk leven uitbuit, om onze kerken in een kwaad daglicht te stellen. In geen enkele andere kerkelijke geipeenschap zijn in dezen tijd, waarin de geesel van Gods oordeelen óver de menschheid gaat, dergelijke symptomen van innerlijke verdeeldheid en tweedracht naar buiten getreden.

Voor de Kerk des Heeren is het thans de tijd van boetedoening, zelf-inkeer, geestelijke wapening en openlijk getuigenis tegen de machten der duisternis, niet die van •ouderlingen strijd, zelfs niet over punten, die in normale omstandigheden ons aller belangstelling en medeleven zouden verdienen".

In dit licht bezien was de behandeling van de bekende meeningsverschillen door de Synode van Sneek-Utrecht reeds als z o o d a n i g moeilijk te verdedigen. Zoo werd het dan ook door de vele kerken en classes, welke er op aandrongen deze zaak van het synodale agendum è, f te voeren, gezien. Maar het besluit om tot deze behandeling over te gaan, werd te fataler, nu het rechtstreeks oorzaak werd van het conflict met prof. Schilder. En daarom moet het doordrijven van de Synode in dezen bij de behandeling van de schuldvrEiag ten opzichte van het gerezen conflict ernstig in rekening worden gebiecht.

In de „Toelichting bij het schorsingsbesluit" wordt nu wel de ontwikkeling van het conflict met prof. Schilder op de behandeling van de meeningsverschillen teruggevoerd. Want ze memoreert, dat prof^ Schilder op 17 Dec. 1941 aanteekening in de Acta verzocht, dat hij zich aan de gevallen beslissing, om tóch tot de behandeling van deze geschillen over te gaan, niet conformeerde. Maar aan de vraag, „of het synodale besluit in, de catastrophale tijdsomstandigheden ook iilderdaad te verantwoorden viel, wordt met geen enkel woord aandacht gewijd".

En juist die vraag is de belangrijkste en de beslissende. Want toen de synode dit fatale besluit nam, moesten de moeilijkheden komen. „Ieder moest in die dagen toch begrijpen, dat bij de behandeling van zoo gewichtige zaken, die de kerke» in 't gemeen raken, • geen enkele waarborg voor het normaal contact met de laatste aanwezig zou zijn.

Men kon dus van te voren verwachten, dat prof. Schilder, die steeds blijk heeft gegeven dit contact als essentieel voor een gezonde functioneering onzer kerkenorde te beschouwen, nimmer zou nalaten, bij iedere gelegenheid daarnaar zijn houding te bepalen. Hij had immers van te voren verklaard zich niet te kunnen conformeeren aan het besluit tot behandeling der meeningsverschillen.

De „Toelichting" begint zelve met de erkentenis, dat de acta van de Generale Synode van Sneek-Utrecht niet eens konden worden gedrukt, zoodat de handelingen dezer laatste niet ter publieke kennis van de kerken konden worden gebracht, en „tal van handelingen der genoemde Synode verborgen" bleven.

Is deze erkentenis niet reeds op zich zelve een rechtvaardiging van de houding van prof. Schilder, waar hij tegenover de synodale beslissing van 17 Dec. 1941, van meetaf verklaarde, dat hij de mede-verantwoordelijkheid voor dezen gang van zaken niet kon aanvaarden?

iJe situatie is thans deze, dat de kerken eerst kennis van de geheele ontwikkeling van het conflict krijgen, nu de slag reeds twee maanden geleden gevallen is. Dit is reeds op zich zelve dermate in strgd met de grondbeginselen en den geheelen geest onzer kerken-orde, dat de simpele mèm oreering ervan voldoende is, om •de geheele tegen prof. Schilder gevolgde procedure in een bederikelijk licht te stellen.

Men kan zich immers ter rechtvaardiging van dezen volkomen abnormalen gang van zaken niet op tijdsomstandigheden beroepen, w a n n e e r men niet eerst aan onze kerken de overtuiging heeft bö, gebracht, dat de behandeling der meeningsverschil-

leu in de oorlogsjaren persé geen uitstel gedoogde.

Deze laatste kwestie is in de ontwikkeling van het geheele conflict absoluut primair. De geschiedenis zelve oordeelt onze daden. Kan aan onze kerken niet duidelijk worden gemaakt, dat het besluit van de Synode van Sneek-Utrecht d.d. 17 Dec. 1941 innerlijk gerechtvaardigd was, — en het komt ons voor, dat dit bewijs moeilijk zal zijn te leveren —, dan blijft ook aan het schorsingsbesluit een „vitimn originis" kleven, waarover de historie onzer kerken eens het oordeel zal vellen".

Na het zoo onverantwoordelijk drijven van de synode als de eigenlijke oorzaak van de kerkelijke misère aan de kaak te hebben gesteld, komen de bezwaarde hoogleeraren tot de twééde door hen gestelde vraag.

Deze vraag — n.l. of de door de Synode tegenover prof. Schilder gevolgde procedure in overeenstemming is te brengen met letter, geest en historische practijk der kerkenorde —, kan, naar him overtuiging „door ieder onzer kerken objectief onder oogen worden gezien zelfa onafhankelijk van een beoordeeling van het zoo ingewikkeld dogmatisch geschilpunt in zake de bekende •leeruitspraken 1905—1942".

Het gaat immers bij de schorsing van prof. Schilder ten principale om het bekende art. 31 K.O., aldus luidende: , , Zoo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, dezelve zal zich op de meerdere kerkelijke vergadering beroepen mogen; en 't gene door de meeste stemmen goedgevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden. Tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods, of tegen de artikelenin deze Generale Synode besloten, zoolang als dezelve door geene andere Generale Synode veranderd zijn".

Dit blijkt uit het schorsingsbesluit overduidelijk. In den eersten grond van het schorsingsbesluit wordt immers „uitdrukkelijk overwogen: „dat prof. Schilder in een schrijven van Oct. '42 aan den kerkeraad van Kampen o.m. geadviseerd heeft, dat deze het door de Synode beslotene overeenkomstig art. 31 K.O. niet voor (een) vast en bondig besluit zou houden";

terwijl de tweede overweging luidt: „dat hij niet voldaan heeft aan de door de Synode van Utrecht uitgesproken verwachting, te erkennen dat zijn adviezen aan de kerk van Kampen hadden moeten worden nagelaten"."

Welke kerkrechtelijke zienswijze in het bedoelde schrijven van prof. Schilder tot uiting komt, of, anders gezegd: hoe prof. Schilder — in algeheele overeenstemming met de groote figuren der Doleantie — over den inhoud en de werking van dat een en dertigste artikel der kerkorde oordeelde, zetten de beide briefschrijvers nu op de volgende duidelijke wijze uiteen.

„a. De Generale Synode is niet een vergadering van kerken, maar van afgevaardigden der kerken, die er niet zitten in hun kwaliteit van ambtsdragers, zooals wanneer zij in den kerkeraad opzicht en tucht oefenen, den dienst des Woords en der sacramenten uitrichten etc. Deze afgevaardigden kunnen de kerken slechts zoolang wettig vertegenwoordigen, als zij zich houden aan Schrift, belijdenis en kerkenorde. Wanneer een kerk voor zichzelve - bewezen acht, dat aan deze voorwaarde niet is voldaan, dan is voor haar het genomen besluit niet vast en bondig; via classis en part. synode tracht zij de afgevaardigden terug te roepen, om te komen tot een nieuwe synode'.

b. Voor die nieuwe synode moet dan het bewijs geleverd worden, dat de vorige synode besluiten nam, die tegen Schrift, belijdenis of kerkenorde ingingen. S'nagt de betrokken kerk hierin niet, dan heeft zij de genomen beslissingen niet slechts de facto, maar ook de jure te erkennen, op straffe van brguk met het kerkverband.

c. Tusschen de beslissingen van een synode en het van kracht zijn dier beslissingen moet eenige tijd verloopen, waarin de kerken de besluiten ratificeeren.

d. niet voor vast en bondig houden van een beslissing der Generale Synode is het goed recht van elke kerk en van eiken ambtsdrager, wanneer zij/hij het strijdig zijn met Schrift, belijdenis of K.O. voor zichzelf bewezen acht.

e. Er ontstaat dan een interim, waarbij in elk afzonderlijk geval uitgemaakt moet worden hoe te hande'en, waarbij de techniek van het voor vast en bondig houden tot breuk met het kerkverband kan leiden, maar niet de weigering zich te conformeeren als zoodanig".

Tegenover deze in en door de doleerende kerken weer in practijk gebrachte interpretatie van art. 31 K.O. plaatsten nu de laatste synodes een nieuwe, wel-* ke als volgt kan worden omschreven: De kerken hebben het recht van toetsing, maar dan in dezen zin: , , Wat de Generale Synode besluit hebben de gezamenlijke kerken besloten. Wanneer voor een volgende synode bewezen wordt, dat het gewraakte besluit in strijd is met de Schrift, belijdenis of K.O., dan moet die nieuwe synode het besluit vernietigen. Zoolang dat niet is geschied, moet men zich conformeeren en mag men in geen enkelen vorm er zich tegen verzetten, maar alleen via classis en part. synode zijn bezwaren kenbaar maken. Elke andere actie is in beginsel „scheurmaking".

De beide professoren constateeren alzoo een allergewichtigst verschil van opvatting inzake de beteekenis van art. 31 K.O. tusschen prof. Schilder eenerzijds en de Generale Synode anderzijds.

Was nu de zaak zoo, dat prof. Schilder een eigen, zelfgemaakte interpretatie van art. 31 had verdedigd en zijn handelingen daardoor liet beheerschen, dan was de zaak eenvoudig.Dan zou zijn opvatting en wijze van doen zonder meer gediskwalificeerd moeten worden. Maar dit is juist niet het geval! De opvatting van prof. Schilder is inderdaad die der Doleantie en was „gangbare meening", en daarnaar werd steeds gehandeld in de kerken.

„Dit verschil — zoo betoogen zij — is ook niet van vandaag of gisteren, en betreft geenszins een particuliere meening van dezen hoogleeraar. Ieder weet, dat reeds lang voor het uitbreken van den oorlog in de kerkelijke pers en literatuur een scherpe polemiek gaande was tusschen wat men noemde de voorstanders ^lan het „oude" en van het „nieuwe" kerkrecht, waarbij de eersten zich steeds weer beriepen op de kerkrechtelijke opvattingen van de leidende figuren in de Doleantiebeweging, terwijl de laatsten bij voorkeur steun zochten bij de oudere theorie en practijk".

Van dit verschil in kerkrechtelijk inzicht waren de kerken zich voorts terdege bewust. De kerk van Rotterdam en de part. sj^node van Overijssel hadden immers aan deze zelfde synode gevraagd een beslissing inzake deze controvers te nemen en dus een nadere interpretatie van art. 31 te ontwerpen.

Maar terwijl de situatie zóó was; tenvijl toentertijd twee opinies ten aanzien van art. 31 in de kerken werden verkondigd; - ^

terwijl tot dusver de eene, die welke prof. Schilder voorstond, steeds was verdedigd en bovendien sinds de Doleantie altijd in practijk was gebracht;

terwijl tot op het oogenblik van de schorsing van prof. Schilder nooit een principieele uitspraak over deze zaak was gevallen —

is de synode „opzettelijk op de zienswijze van prof. Schilder i.z. de beteekenis van art. 31 K.O. niet ingegaan en heeft het kerkrechtelijk geschilpunt niet onderzocht", en zij

typeerde wat volgens de doleantie-opvatting het volgen van , , de juiste lijn van het gereformeerde kerk­ recht is" als „i 11 e g a 1 e a c t i e"!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 december 1947

De Reformatie | 8 Pagina's

Bezwaarden over en onder de synodocratie.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 december 1947

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken