Bekijk het origineel

De pluriformiteit van de kerk in verband met de oecumeniciteit (VII)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De pluriformiteit van de kerk in verband met de oecumeniciteit (VII)

9 minuten leestijd

Eindelijk, in de zesde stelling van dr Volger, duikt het woord „pluriform" op. We lezen:

In overeenstemming: met h^t bestaan van êên. ecclesia is er één evangelie, dat zaligheid aan en voor menschen verkondigt. — Om dit evangelie tot de menschen te brengen, past God zich bij de menschen aan; het evangelie wordt gebracht in menschelijke taal, als een voortzetting van de vleeschwording' van het Woord, en wordt al verder op den Pinksterdag, terwille van de menschen, die velerlei talen spreken, in velerlei talen vertolkt, Zooals de profeten in 't Oude Testament door verschillenden aanleg in verschillende omstandigheden het eene Woord Gods pluriform hebben gebracht, zoo brengen ook de apostelen in het Nieuwe Testament het eene evangelie pluriform.

Hier komen twee dingen op ons af:

a) het spreken van één ecclesia;

b) het hanteeren van den term pluriform, en de wijze daarvan.

ad a) Dr Volger spreekt met nadruk van één ecclesia. Hij hecht daaraan blijkbaar groote waarde, want „in overeenstemming" met dit feit, dat er (maar) één ecclesia is, komt dat andere, dat er ook (maar) één evangelie is.

We gaan nu een beetje nadenken. De vraag komt op: wat bedoelt de schrijver toch met die ééne ecclesia? Waarom trekt hij een parallel tusschen het bestaan van maar één ecclesia en het gegeven zijn van maar één evangelie? Zit daar iets in? Iets achter?

De vraag is niet hinderlijk, brutaal, want men kan — zoolang men niet meer weet — net zoo goed precies andersom redeneeren als dr Volger hier doet. Men kan óók zeggen: het ééne evangelie, als kracht van God, komende tot allerlei plaatsen, brengt overal menschen bij elkaar; soms honderden aan één plaats, soms duizenden, soms een handjevol, soms maar twee of drie, maar telkens is er dan toch in zoo'n plaats een ecclesia van Christus, een vergadering, plaatselijk, van Christus, en dus zijn er een heele massa ecclesia's, meervoud. Want dat Woord doet altijd krachten, keert nooit ledig weer, en daarom groeien de ecclesiae, de ecclesia's, hier en daar steeds maar weer op.

Wie zoo redeneeren zou, die zou daarmee toonen, nog te denken aan wat in ons vorig artikel werd opgemerkt, over de plaatselijke kerken als ecclesia's van Christus, overeenkomstig diens eigen woord uit Matth. 18 : 20.

.Maar juist omdat het een beetje vreemd aandoet, dat een stelling even goed kan omgekeerd worden als dat ze blijft staan, zoo als ze daar vóór ons gezet is, gaan we ons eens achter de ooren krabben, en vragen: wat is toch bij dr Volger die ééne ecclesia? Hetgeen in ons vorig artikel nog wat in de lucht bleef hangen, dat moet nu wel wat nader bekeken worden.

Reeds hebben we gezien, dat er is een mogelijkhe i d A: dr Volger bedoelt met de „ecclesia" de plaatselijke kerk. Dit is mogelijk, a) in zooverre als hij zelf herinnert aan het woord „waar twee of drie enz." (stelling 4), b) in zooverre dr Volger het woord „kerk" en „gemeente" zóó hanteert, dat de kerk of gemeente, zonder dat ze ervan gescheiden wordt toch onderscheiden wordt van de „ambtehjke vergadering", die de kerk regeert; en dat moet ook voor dr V. althans primair wel de kerkeraad zijn, want een classis regeert de kerken niet, en de synode ook niet, die hebben slechts gedelegeerde macht, en zijn dan ook niet ambteUjk; en al is dr Volger, die immers tot de Ned. Herv. Kerk behoort, allicht het met deze gereformeerde zienswijze van vele eeuwen niet eens (hij heeft trouwens de voorbeelden gezien van verraad aan deze gereformeerde belijdenis zpowel te Kampen als te Amsterdam), hij zal er toch wel van gehoord hebben (st. 3), en c) in zooverre dr Volger (st. 7) ook duidelijk het woord „eccleaus" gebruikt voor een plaatselijke kerk.

Mogelijkheid B evenwel is: dat dr Volger met de ééne ecclesia bedoelt een niet-plaatselijke, doch bijvoorbeeld een landskïrk, die dan evenwel zeer bepaald een eigen vaste formatie heeft. We zagen immers, dat hij spreekt van „geheel" en „deelen" der ééne ecclesia, en daarbij herinnert aan de spreuk van dé Herv. Kerk: „het geheel is de som van de deelen”.

Dit stond in st. 8. Maar in diezelfde stelling werd ook weer afzonderUjk gesproken van „landskerken"; dat zouden dan die kerken zijn, waar het principe geldt: ciiius regio, eius religio, d.w.z. wiens gebied het is, diens religie, is het ook; is de overheid in haar hoogsten gezagsdrager luthersch, dan is' ook de luthersche religie die van zijn gebied; is de gezagsdrager roomsch, dan is de roomsche religie de officieele. Voor mijn gevoel is „landskerk" hier een minder juiste omschrijving en zou „staatskerk" beter naam zijn. Maar dat büjve rusten.

Nog een mogelijkheid C bestaat intusschen. Deze is: dat dr Volger met die ééne ecclesia bedoelt een niet in vasten vorm geregeerde „kerk", welke, niet gebonden aan een bepaalde plaats of een bepaald gebied, of aan een bepaalde wijze van kerkenordening of kerkregeering, en blijkbaar alleen bekend aan God,

wegschuilt als ware geestehjke eenheid van oprecht geloovigen, verspreid over allerlei kerkformaties, allicht ook wel daarbuiten levend, en door den Heiligen Geest aan God verbonden zonder dat die band bij hen geleid heeft tot een allen samenvattend kerkverband, zonder ook dat ze zich ertoe zetten, daartoe te geraken.

Dat deze mogelijkheid C hier óók aanwezig is, moeten we, meen ik, wel afleiden tiit volgende bizonderheden: a) dr V. meent, dat een kerk kan bestaan zonder kerkregeering (stelling 3);

b) het begrip „ecclesia" (in Matth. 16 : 18 en 18 : 17) noemt hij een „a 1 g e m e e n e" omschrijving van die „zelfstandige" gemeenschap, die hij de oecumenische kerk acht (st. 5); de woorden „algemeen" en „zelfstandig" schijnen in de aangewezen richting te wijzen.;

c) het voorafgaan van „het geheel" aan de „deelen" wordt van deze „algemeen" omschreven oecumenische „ecclesia" als vaststaande aangenomen, en „zij" manifesteert zich in „de deelen" (st. 5);

d) er zijn kerkformaties, waarin de oecumenische ecclesia „vorm en uitdrukking" vond, en andere, waarin dit nog niet het geval is (st. 9 en 10);

e) het oecumenisch leven kan desnoods slechts in één kerkformatie aanwezig zijn, zóó'n ééne formatie is dan „deel" (st. 9);

f) toch zijii ook weer „de kerkformaties" „leden" van „het geheel”.

Heel helder is mij de kwestie van „geheel" en „deelen" niet; mag, r we moeten wel aannemen, dat dr Volger met mogelijkheid C den meesten ernst maakt.

Nu is er „pluriformiteit", aldus dr Volger.

Wat hij daaronder verstaat, is ons nog niet gêh? el duidelijk. Want naast de door hem wel eenigermate omschreven „theoretische" pluriformiteit ziet hij een „practische", die echter niet duidehjk omschreven wordt; alleen maar dit ééne wordt ervan gezegd, dat zij opgekomen is uit het ontstaan en voortbestaan van verschillende kerkformaties.

Wij schijnen door dr Volger dezen kant opgestuurd te worden, dat we in alle bestaande kerkformaties het pluriformiteitsprincipe zien werken. Dat komt dan ongeveer hierop neer, dat deze formaties, hoe ze dan ook ontstaan zijn, en om welke reden ook, en hoezeer elkaar ook bekaihpende en weersprekende, toch allemaal „vormen" zijn van 't ééne „wezen" der kerk. Dat is dus bij dr Volger mogehjk, óók in die gevallen, waarin het „ja" der ééne. kerkformatie het „neen" der andere tegenover zich ziet staan. Dit „ja" of „neen" schijnt dus bij dr Volger of niet serieus op te vatten, óf te kunnen samengaan als „vormen" van één „wezen". Het is een merkwaardige constructie, en wij willen wel verklaren, ze niet aanvaardbaar te achteö. Maar hoe het zij, wij nemen er nota Van.

Maar één ding begrijpen we niet, en dat is dit: waarom geeft dr V. dan theoretisch een omschrijving der „pluriformiteit", die zoo volkomen „onschuldig" schijnt, omdat ze met confessioneele en kerkrechtelijke ja-of-neen-verschillen niets heeft uit te staan ?

Let maar eens op:

a) het feit, dat de ééne evangelieboodschap, die zelf geen „ja" en „neen" in zich verbindt, in onder­ scheiden talen wordt gepredikt, jioemt hij al „pluriformiteit"; we hebben dus vandaag een „pluriforme" boodschappendienst van Moskou; de éénheid (geen „neen" tegenover het „ja") blijft daarin gehand-haafd. Het is een pluriformiteit binnen de ware kerk (het woord „pluriform" zij nii verder daargelaten) ;

b) ook de accommodatie aan de menschen maakt de boodschap pluriform; weer staan we dus voor pluriformiteit binnen de ware kerk;

c) ook de profeten onder Israël spraken op onderscheiden manier; ten derde male wijst dit (nu zelfs dit „pluriformiteit" heet) op pluriformiteit binnen de ware kerk.

Nog één ding moet ons van het hart: wij zouden zeggen: als de pluriformiteit iets zóó onschuldigs is, en zóó onmisbaar, waarom moet men dan nog „hope n", dat de kerkformaties in deze bedeehng „u n i f o r m." zullen worden ? Men zou zoo zeggen: als-t-u-blieft niet; laten we bhjven preeken in allerlei talen, bhjven preeken in accommodatie aan allerlei menschen, bhjven preeken op onderscheiden manier! En kijk, nu komt die zelfde dr Volger, die ons eerst doet juichen over die pluriformiteit binnen de ware kerk daar ineens ons verklappen, dat hij had gehoopt, dat ze nog eens plaats zou maken voor de uniformiteit, al moet hij tegelijk verzuchten, dat die hooggewenschte uniformiteit wel uit zal blijven.

We begrijpen er niet veel van, dan alleen dit: dat dr Volger die practische pluriformiteit gevolg ziet deels van goddelijke glorie, deels van menschelijke misère. Hij wil die weg hebben: ik ook. Maar wij zouden zeggen: .^als pluriformiteit, genomen zonder menschelijke bederfbrengende misère, zoo mooi is, dan zal het wegnemen van die misère leiden tot de ongerepte, zuivere, ongehinderde pluriformiteit. In plaats daarvan krijgen we een vingerwijzing naar de uniformiteit als kerkelijke utopie.

Wij raken een beetje verlegen. Doch hoe het zij, wij gelooven, dat geen beter betoog tegen het gescharrel met de pluriformiteitsleer kan geleverd worden dan door dr Volger's stelUngen te analyseeren. Hij wordt van tweeën gedrongen, hij prijst en hij misprijst. Hij levert zelf 't bewijs dat hier iets h^ert. Dat de pluriformiteitsleus meer een leus is dan een heusche leer. En daarom mogen wij hier wel waarschuwen tegen lyrische ontboezemingen als die van stelling 6: dat het brengen van het evangelie in onderscheiden talen voortzetting is van de vleeschwording des Woords. Het Woord is éénmaal vleesch geworden en is sinds met het vleesch verbonden gebleven. Maar de voortzetting van dat feit is hoogstens in de continueering van de eenheid van Christus' twee naturen te zien. Nergens anders in. Men moet niet met woorden spelen. Vooral niet, als men eerst de pluriforme Woordbediening noemt met dezen schoonen naam en dan later zegt, te „hopen" dat ze eenmaal zou mogen opgeslokt worden door de „uniformiteit”.

„Vleesch" is „vleesch", en we moeten ons van de barthiaansche openbaringsbegrippen (vleeschwording des Woords als identiek met openbaring) even ver verwijderd houden als van de roomsche kerkbegrippen (vleeschwording des Woords voortgezet in de hei­lige goddelijke moederkerk).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 december 1948

De Reformatie | 8 Pagina's

De pluriformiteit van de kerk in verband met de oecumeniciteit (VII)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 december 1948

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken