Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GRONINGER Brieven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GRONINGER Brieven

9 minuten leestijd

Amice frater. neven

Eenlge jaren geleden trof ik op een vacantiereisje in het buitenland een oude kennis, die daar jarenlang vertoefde en die met belangstelling vroeg naar den gang van zaken in het goede vaderland.

Met eenige geestdrift vertelde ik hem ook van het werk der jonge hoogleerarén aan de V.U., Vollenhoven en Dooijeweerd, van de Calvinistische wijsbegeerte der wetsidee. Hoe zij Kuyper's gedachte omtrent de souvereiniteit in eigen kring wetenschappeüjk uitwerkten, maar hoe zij zijn theorieën omtrent de „gemeene gratie" en het koningschap van Christus zuiverden van het overblijfsel van roomsche scholastiek en elementen van Duitsche philosofie, zoodat wij het verband van natuur en genade weer beter schriftuurlijk leerden zien.

Hij luisterde met groote aandacht en zei toen: het is alles heel mooi, maar met die philosofie moeten we altijd voorzichtig zijn. Ik ben er wat bang voor; want gij zult U herinneren het woord van Bilderdijk: de philosofie zou bij de eerste christengeleerden de dienstmaagd zijn der theologie, doch het duurde niet lang, of dat dienstmeisje had de vrouw des huizes verdrongen van haar gerechte plaats. Niet slechts de theologie als wetenschap, maar de Heilige Schrift in het belijden der kerk. In de middeleeuwen werd in de kerk ten slotte niet meer gestreden over datgene wat de Schrift leert, maar de geheele kerkstrijd was een kamp geworden tusschen Plato en Aristoteles.

Augustinus en zijn leerlingen hielden veel van Plato en PlotLnus, Thomas van Aquino zette Aristoteles op den troon.

En bij de scholastiek van Thomas was het niet de Schrift, die heerschte over de wijsheid van dien heidenschen wijsgeer, maar Aristoteles gebood feitelijk over de Schrift, die net zoo lang verknoeid werd tot de sjrnthese mogelijk was. Daar kwam dan nog de heidensche mystiek van dien pseudo-Dionysius bij, die de opkomende hiërarchie zoo geschikt kon dienen. En ik heb, dus ging mijn vriend voort, in Duitschland geleerd, hoe de prediking in de protestantsche kerken daar door de philosofie tot in den grond bedorven werd.

Ja maar, zoo merkte ik op, het gaat hier om een Calvinistische philosofie, een Schriftuurlijke wijsbegeerte.

Och ja, zei hij, dat dacht men üi Duitschland van Hegel ook. Hij heette een Christelijk-protestantsche wijsgeer. Hij sprak ook van schepping en val en verlossing en verdedigde de Drieëenheid.

Maar gij weet welk een volkomen heiden die man was. En hoe hij de kerk in Duitschland heeft vergiftigd. Zooals Kant eveneens en Schelling, die ook zoo mooi kon praten, dat zelfs onze Groen van Prinsterer er van onder den indruk kwam. Praat mij niet over die wijsgeeren.

Wat moest ik tegenover zulke, naar mijn meening toen nog, hardnekkigheid beginnen? Maar mijn vriend zette zijn rede voort en' zei: ik geloof, dat wij al spoedig kunnen weten, of wij met een waarlijk SchriftuurUjke wijsbegeerte, een, die zich, zooals het den Calvinist betaamt, ten fundament kiest: Schrift en belijdenis, te doen hebben, of niet. Zoo was het met Kuyper en zoo zal het zijn met die beide door U zeker terecht geprezen jonge hoogleeraren. Wat is dat kenmerk? vroeg ik.

Gij moet, zei hij, allereerst vragen, of de w ij s - geer de kerk ziet. Staat hij inzake de belijdenis der kerk niet goed, en dat geldt voor alle kerkmenschen en voor antirevolutionaire politici en voor ons allemaal, dan staat hij, en dan staan wij, nergens goed. Dan is het over heel de lijn spoedig mis. Dat zeg ik U. De Lutherschen hebben het ook altijd druk over de onzichtbare en zichtbare kerk, en, merkwaardig, zij en zoovelen met hen zien juist die zichtbare kerk niet. De' onzichtbare echter zien zij overal. Het is het meest merkwaardige gezichtsbedrog dat de geschiedenis ooit heeft gekend.

Men ziet het zichtbare niet, maar merkt het onzichtbare overal.

Zoo was het ook bij KujTper. Die ontleende dit begrip onzichtbaar en zichtbaar zelfs aan Kant's wijsheid. De onzichtbare kerk was dan het „Ding an sich". en de zichtbare werd de „verschijning". Maar die onzichtbare kerk zag hij overal in een kerk als organisme enz.

Ja, antwoordde ik, die toen nog heelemaal vast zat in de leer van dr Kuyper, die jonge geleerden büjven bij Kuyper's kerkschema. Nu, wacht maar eens, zei die vriend, dan loopt het stellig niet goed.

De loop der dingen, vooral in deze dagen, nu onze God ons opnieuw reformatie schonk, die ons weer leerde de kerk te zien en te beüjden, heeft deze meening waarlijk bevestigd.

En dit bleek mij weer eens treffend bij de lezing der dissertatie van een leerling van prof. Dooijeweerd, dr Dengering, welk studiewerk ten titel draagt: „Critisch-historisch onderzoek naar de sociologische ontwikkeling van het beginsel der souvereiniteit in eigen kring in de 19e en 20e eeuw”.

Ik bedoel hier allerminst een soort recensie te geven van dit werk. Dat zullen wij maar aan de geleerden overlaten.

Ik ben trouwens heel weinig geschikt om „sociologisch te denken". Ik tracht liever Schriftuurlijk te denken.

Ik krijg den indruk, dat dr Dengering een degelijke studie heeft gegeven. Hij toont zich een goed leerling van zijn gelief den professor, die steedg sympathie wist te wekken, maar heeft een eigen oordeel en ducht de critiek niet.

Ik merkte het zelfs ten aanzien van een heel belangrijk punt, n.l. inzake de ontplooiing van het leven bij de primitieve volken.

Ik moet eerlijk zeggen mij altijd wat onwennig, te hebben gevoeld, als ik trachtte de Wijsbegeerte der wetsidee omtrent die zaak te begrijpen. Men krijgt toch den indruk, dat zoo'n primitief volk aan het begin staat der ontwikkeling van het menschelijk leven hier op aarde.

Terwijl de Schrift ons leert, dat wij hier met een diepen val te doen hebben, waaruit alleen verlossing mogelijk is, als zulk volk het Evangelie hoort en aanvaardt.

Maar ik nam altijd aan, dat prof. Dooijeweerd dit ook niet zou bestrijden. Dat kon hij immers niet, zoolang hij wilde staan op het fmidament van de Schrift. Dr Dengering merkt echter op, — bldz. 200 — dat wij in de ontplooiing der primitieve volken geen normaal doorgangsstadium in de ontwikkeling der menschelijke samenleving mogen zien, doch slechts een degeneratieverschijnsel, waarin de groote invloed van de zonde openbaar wordt.

Prof. Dooijeweerd heeft zich hier, naar zijn .meening, even laten meesleepen door de „overtuigende kracht van het feitenmateriaal”.

Ik zeg dan: door het vermeende feitenmateriaal, want het gaat steeds om de vinding van menschen, en om een verklaring van menigmaal vermeende feiten. De geschiedenis der wetenschap heeft ons voldoende geleerd, dat wij met die z.g.n. feiten omtrent primitieve volken altijd wat voorzichtig moeten zijn. Maar dit daargelaten, ik ben dankbaar voor deze vrijmoedige en, naar ik geloof, volkomen juiste critiek van den leerling op het grootsche bouwwerk van zijn bekwamen meester.

En prof. Dooijeweerd, die geen hoogmoedig geleerde is, maar zich altijd buigen wil voor de Schrift, zal deze critiek allicht ook niet aan zich laten voorbijgaan.

.Overigens volgt de leerling den leermeester gaarne. Ook in de beschouwing omtrent Groen en Kuyper en inzake die omtrent de kerk.

Wat Groen van Prinsterer betreft richt dr Dengering zich naar het bekende schema der verschillende perioden in diens leven; Von Halier, Stahl, historisme enz. En zoo wordt de bekende bewering herhaald dat Groen, als hij getuigt van het „er staat geschreven" „daar is geschied", hij feitelijk aan de historie een betrekkelijke autonomie verleent en de historie dan zet naast de Schrift als een zelfstandige bron. Dit beteekent dan volgens, dr Dengering, 'dat de historiebeschouwing zelve onder beslag komt van een ander religieus grondmotief dan dat van de Heilige Schrift. Ik geloof daar niets van, en men doet Groen groot onrecht, dit te beweren en vol te houden.

NatuurUjk zal het niemand moeiüjk vallen bij Groen uitdrukkingen te vinden, die den toets der critiek van uit de Schrift niet kunnen doorstaan. 'Groen worstelde evenals Kuyper en ook Dooijeweerd, om Gods groote werken in kerk en staat te verstaan, en ook de laatstgenoemden zullen niet beweren, dat zij 'kunnen b e g r ijp e n, waar gelooven de eenige voorwaarde is, om ^ gehoorzaam te denken en te profeteeren. Het gaat hier om de groote lijn in Groen's werk.

En dan blijkt bij nauwkeurige studie dat juist Groen niet gevallen is in de fout van dr Kuyper inzake de natuurlijke godskennis, het doen opkomen van het staatsieven uit de natuurlijke gegevens der schepping. Heel de scholastieke wijsbegeerte en tot op zekere hoogte ook nog dr Kuyper's beschouwing omtrent kerk en staat zoeken steun voor het denken in Romeinen I : 18—20.

Als daar staat: „want de toom Gods wordt/geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der menschen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden; overmits hetgeen van GrOd kennelijk is in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. Want zijn onzienlijke dingen worden van de schepping aan uit de schepselen

verstaan en doorzien" enz., dan heeft de geleerde mensch uit deze teekening van den diepen val des menschen juist, geheel omgekeerd, des menschen geweldige kracht ten goede willen afleiden. _ Dan weet de mensch uit de natuur nog zooveel. Hij heeft een natuurlijke godskennis, en zijn natuur is*dan gehandhaafd voorzoover het noodig is, de menschelijke geschiedenis met veel goeds te sieren, waarop hij heel - zijn staat kan opbouwen. Uit Romeinen 2 : 14 wordt immers dan ook nog de natuurlijke moraal afgeleid.

Groen merkt echter op: de reden, waarom de heidenen kennis aan God hebben, wordt daar niet gesteld in de voortreffelijkheid der menschelijke natuur — de wereld heeft nog zooveel goeds .als later werd gezegd — maar hierin, dat God het hun heeft geopenbaard. Daar staat: van de schepping aan. En: geopenbaard. Ik meen nu veeleer, dat wij hier, wat de kennis uit de natuur betreft, moeten denken aan wat de catechismus zegt in Zondag 4, vraag en antwoord 9: „Doet dan God den mensch geen onrecht, dat Hij in zijn wet 5 van hem eischt, dat hij niet doen kan? " Het antwoord is: neen Hij, want God heeft het den mensch geleerd. Welnu zoo kunnen wij ook vragen: doet God den mensch dan geen onrecht, als Hij van hem eischt, dat hij Gods schepping zal kunnen zien, zooals zij is en zijn roeping meteen? Om dan te antwoorden: neen, want God heeft het den mensch geopenbaard van de schepping aan. De mensch kon het dus doen, maar hij is door zijn val algeheel verblind en nu houdt hij de waarheid in ongerechtigheid ten onder. En wat dit dan beteekent wordt ons in Romeinen I duidehjk geteekend.

Groen zag hier zuiverder dan Kuyper. En als men nu zegt, dat hij de geschiedenis een zij het dan betrekkehjke i autonomie geeft naast de Schriftuurlijke waarheid, dan is reeds de studie van Groen's „Proeve" voldoende om te doen zien, dat dit onjuist is en Groen geen recht laat wedervaren. Ik wil daarvan nog in een volgenden brief iets zeggen. .

Met harteUjke groeten en heilbede, uw toegenegen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 25 December 1948

De Reformatie | 8 Pagina's

GRONINGER Brieven

Bekijk de hele uitgave van Saturday 25 December 1948

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken