Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De leer der „gemeene gratie” bij de remonstranten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De leer der „gemeene gratie” bij de remonstranten

7 minuten leestijd

Inleiding.

Onder de punten der leer waarop een generale synode in 1936 afwijking had ontdekt van de „onder ons gangbare opvattingen", en over welke z.g.n. afwijkingen prof. dr V. Hepp het alarmeerende oordeel van , , dreigende deformatie" had uitgesproken, behoorde ook het leerstuk der „algemeene genade"'. En ook over de „deformatieverschijn'selen" betreffende dit leerstuk achtte deze synode zich geroepen haar bezwerende formules uit te spreken.

Het is niet de bedoeling thans vast te stellen waar de „deformatie" met betrekking tot dit leerstuk ten slotte het dreigendst is gebleken te\zijn, bij de destijds niet met name genoemde aangeklaagden óf bij hen, die het theologisch gesprek over deze hoogst belangrijke, en voor het leven en de positie der kerk in de wereld zoo gewichtvolle belijdenis, ontijdig hebben beïnvloed en het theologische onderzoek dienaangaande hebben gebonden aan een viertal kerkelijke leeruitspraken, waarvan doel en strekking overigens nog allesbehalve duidelijk zijn.

Prof. Greijdanus bracht althans reeds in Mei 1943 zijn bezwaren tegen den inhoud en de formuleeringen van deze uitspraken ter kennis van de synode.

Onder de bedenkingen die genoemde hoogleeraar in zijn bezwaarschrift naar voren bracht, neemt een niet onbelangrijke plaats in — behalve de onklaarheid in het spreken van de „ongehouden goedheid" die God bewijst aan boozen en goeden, rechtvaardigen en onrechtvaardigen (wordt hier bedoeld een gimstige gezindheid in God ook ten opzichte van de goddeloozen, of moet alleen gedacht worden aan goede gaven? ) — het spreken onder 2o van het „eenig licht der natuur" naast de „kleine overblijfselen der oorspronkelijke scheppingsgaven". Belijdt de synode hier niet méér dan onze belijdenis in art. 14 en in de Dordtsche Leerregelen HI/IV, art. 4; en wordt de deur hier niet gevaarlijk opengezet voor een al te groote waardeering van deze „vonkskens en overblijfselen", vooral daar zelfs niet eens duidelijk blijkt dat dit „licht der natuur" van geen enkele beteekenis is tot nut en tot hulp ter verkrijging der zaligheid? De uitspraak der' synode noemt ze daartoe slechts „onvoldoende". („Verklaring v. Gevoelen", pag. 28 v.v.).

Voor wie geen vreemdeling is in de geschiedenis van het dogma zal het duidelijk zijn dat hier gedacht is aan het groote gevaar van remonstrantisme inzake de waardeering van dit „natuurlijk licht". De cardinale fout der remonstranten toch was hier dat men het schriftuurlijke, en dus volstrekte onderscheid tusschen de z.g.n. „algemeene genade" van dat natuurlijk licht en de particuliere genade van wedergeboorte en bekeering, loochende. De remonstranten maakten van de „vonkskens en overblijfselen" der • oorspronkelijke scheppingsgaven potentieel een vuur, dat de mensch met zijn vrijen wil ten goede maar had aan te blazen om het te zien uitslaan tot een brand deiB Geestes.

Het kan de moeite loonen de ontwikkeling van en de voorstellingen aangaande dit leerstuk der z.g.n. „gemeene gratie" in het theolog3.sch denksysteem der remonstranten wat van naderbij te bezien.

Plaats van het dogma in het rsmanstra'.itichc systce'm.

Het spreekt vanzelf, dat de remonstrantsche gemeene-gratie-theorie niet een op zichzelf staande leer was, en niet los te maken uit de eigenaardige structuur der remonstrantsche grondgedachten. Ze maakte integendeel een onmisbaar bestanddeel uit van het totaal der remonstrantsche conceptie, die haar uitgangspunt nam in de dwaling aangaande de eeuwige praedestinatie (voorbeschikking). De leer der algemeene genade vormde een logisch noodwendig onderdeel van dat geheele leersysteem dat in die dagen werd aangeduid met den samenvattenden term: „de leere der Praedestinatie met den aencleve van dien".

De gronddwaling der remonstranten: de loochening van de belijdenis der absolute Verkiezing Gods tot het geloof en de zaligheid en de Verwerping naar datzelfde eeuwig, onafhankelijk besluit Gods (zoodat dus het motief der verkiezing niet meer werd geacht te liggen enkel in Gods vrijmachtig w e Ibehagen) bracht logisch en noodwendig met zich mede het zoeken naar een zoodanig motief i n den gevallen mensch, en voerde vanzelf tot de loochening van de volstrekte algeheele verdorvenheid van den gevallen zondaar, het nadruk leggen op een overgebleven „licht der natuur" (welke als „gemeene gratie" den overgang en het aanknoopingspunt vormde tot de zaligmakende genade van geloof en bekeering) en van den „vrijen wil" in den zondaar tot het willen of niet willen aanvaarden van de door Christus voor allen verworven en ten deele ook toegepaste verlossing. En natuurlijk was hiermede ook weer ten nauwste verbonden de leer van een mogelijken afval der heiligen, naar het 5e artikel der remonstrantie, eveneens een vrucht aan den stam der vrije-wilsleer, die het effect der verlossing tot het laatste toe mede legt in de coöperatie van den mensch, en niet enkel in het vrijmachtig besluit en de krachtdadige, onafhankelijke volvoering van den Raad Gods tot zaligheid.

Bet begrip „algemeene genade" bij de remonstranten.

Uit de zeer korte, voorloopige aanduiding die we gaven van de plaats der algemeene genade in het theologisch systeem der remonstranten volgt al vanzelf, dat zoo aan deze leer feitelijk een geheel andere inhoud werd gegeven dan naar gereformeerd belijden voordien hieraan gegeven was. 'We komen daarop terug.

Maar bovendien moet het ook wel opvallen hoe de remonstranten in hun theologisch spraakgebruik het begrip „algemeene genade" niet alleen een anderen inhoud gaven, maar dat ze in hun termino­ logie het ook op merkwaardige wijze begrensden tot en reserveerden voor het z.g.n. „natuurlijk licht", het „liunen naturale" dat den mensch, na den val, nog was overgebleven.

Op dit feit wordt trouwens ook geattendeerd in de Dordtsche Leerregelen. In hfdst. m/rV, art. 5, „Verw. der dw." wordt gezegd, dat de synode verwerpt de dwalingen dergenen „die leeren dat de verdorvene en natuurlijke mensch de gemeene genade (waardoor zij verstaan het licht der natuur) of de gaven, hem na den val nog overgelaten, zoo wel gebruiken kan " enz.

Het dient dus scherp in het oog gevat te worden, wanneer men spreekt van de remonstrantsche leer der algemeene genade, dat we dan feitelijk te doen hebben met dat zeer beperkte begrippencomplex van de gaven die den mensch, na den val in de zonde, nog overgelaten zijn, met name in het natuurlijke licht der rede en de nog niet volkomen verdorvenheid van den wil ten goede*

Begripsbeperking dus en begripsverandering. Beperking, want in het theologisch systeem der remonstranten beteekent „algemeene genade" zeer bepaald datgene wat na den val in den mensch nog gevonden wordt aan kennis Gods en mogelijkheden tot die kennis. Het terrein dus van wat we nu wel aanduiden met woorden als „natuurlijke of ingeschapen Godskennis", „capita communissima" enz., die o.a. mede de stof zouden moeten leveren voor een dusgenaamde „natuurlijke theologie".

Maar bovendien ook — en dat gedeeltelijk bijgevolg —r begripsverandering. De algemeene genade immers, of het natuurlijke licht is in den remonstrantschen gedachtengang wezenlijk van andere kwaliteit en neemt in de heilsleer een totaal andere plaats in dan de gereformeerde belijdenis, naar de leer der H. Schrift, daaraan toekent.

Toch wil dit feit, dat we in de remonstrantsche algemeene-genade-leer met geheel andere waarden te doen hebben dan in de geref. belijdenis dienaangaande (voorzoover ze er over spreekt) nog niet zeggen dat dus elke beïnvloeding van de remonstrantsche leer van de „algemeene genade" of het „natuurlijke licht" op de rechtzinnige leer hierover uitgesloten moet worden geacht, en dat er dus geen reden zou zijn om gevaren te duchten als waartegen prof. Greijdanus duidelijk waarschuwde in zijn genoemd bezwaarschrift.

Misschien kan het daarom niet onvruchtbaar zijn, ter oriënteering, eenige speciale aandacht te geven aan bovengenoemde leerstellige denkproducten, waartegen bizonder in de 17e eeuw door onze gereformeerde vaderen in en rondom Dordrecht de strijd is gevoerd.

H. J. MEYERINK.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 februari 1949

De Reformatie | 8 Pagina's

De leer der „gemeene gratie” bij de remonstranten

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 februari 1949

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken