Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Boekbespreking

Tusschen Kuyper en Barth

13 minuten leestijd

(I)

Dr G. C Berkouwer, Geloof en Rechtvaardiging. Uitgave Kok, Kampen, in de reeks Dogmatische Studiën.

Dr Berkouwers vruchtbare pen legt ons in snel tempo het eene dogmatische werk na het andere ter bestudeering voor. Nauwelijks is Conflict met Rome verschenen, of Kok kondigt een reeks Dogmatische Studiën aan, waarvan we reeds drie deelen ter beoordeeling ontvingen. En alweer wordt een vierde deel over de Voorzienigheid Gods aangekondigd. De enorme werkkracht èn groote belezenheid, waarvan deze studies getuigen, kunnen niet anders dan het grootste respect afdwingen van ieder, die iets weet van het moeizame van juist de dogmatische studie. Het is daarom ook, dat we in de eerste plaats onze waardeering willen uitspreken voor het feit, dat op deze wijze onze boekentafel niet alleen van de eindelooze reeks barthiaansche dogmatische studies voorzien wordt, die vandaag van de pers komt, maar dat zoodoende ook de gereformeerde dogmatiek beoefend blijft en van zich doet hooren. En wie de werken van Berkouwer kent, weet, dat het een genot is ze te lezen. De auteur bezit de gave voortreffelijke exposé's te geven van de dogmatici van deze eeuw en hij beschikt over een kennis van de nieuwere theologie, die vrijwel volledig is.

Maar al stellen wij deze overwegingen voorop en dwingt het bovenstaande ons ook tot bescheidenheid in het uitbrengen van ons oordeel, dat mag ons niet verhinderen te trachten een critische bespreking te geven van de werken, die thans voor ons liggen. In deze artikelen willen wij dat trachten te doen met het voornaamste deel van deze reeks, de studie over Geloof en Rechtvaardiging.

Dan wil ik dadelijk beginnen met te trachten een plaatsbepaling te geven van het dogmatische standpwnt van den schrijver. Ik heb gepoogd dat aan te duiden door den titel, welken ik boven deze kritiek geschreven heb: tusschen Kujrper en Barth. Ik sluit me daarmede aan bij een bespreking, die ik in ons blad

reeds eerder gaf van Berkouwers werk over den Kinderdoop. Reeds toen werd de tendenz zichtbaar, die in zijn vooroorlogsolie werken nog niet zoo duidelijk aan het licht trad, maar die thans in zijn laatste boeken steeds duidelijker wordt. De schrijver tracht min of meer een synthese te scheppen tusschen Kuyper en Barth. Hoe onwaarschijnlijk dat ook moge lijken, wie zijn werken bestudeert, moet wel tot die conclusie komen. Wel kiest hij dogmatisch zijn standpunt in de traditioneele gereformeerde dogmatiek, zooals die met name door Kuyper en Bavinck in de vorige eeuw is ontwikkeld; hij weet ook van de correcties, die reeds voorzichtig door Bavinck op Kuyper werden aangebracht, een lijn, die later door Honig is doorgetrokken.

Maar tegelijk is hij sterk onder den invloed van de nieuwere theologie van Kar! Barth. Het is opvallend, hoe hij zich steeds voorzichtiger en minder kritisch over die theologie uitlaat. En zoo tracht hij geleidelijk de oudere traditioneele gereformeerde dogmatiek aan te passen en te synthetiseeren mét de nieuwere dialectische theologie. Ik hoop daar in het vervolg van deze recensie nog verder op in te gaan. Uiteraard is deze synthese alleen maar mogelijk doordat hij de nieuwere dialectische theologen o n c r i t i s c h leest. Ik wees daar reeds op bij zijn studie over de Kinderdoop. Toen viel het reeds op, dat hij Barths spreken over het geloof en het sacrament oncrit i s c h overnam. In plaats van zich rekenschap te geven, w a t de dialectic! onder geloof, sacramenten en openbaring verstaan, accepteert de auteur hun spreken over deze noties als legitiem en onderzoekt hij niet critisch met welke gedachteninhoud deze theologen de oude orthodoxe termen vullen. Dit is uiteraard van diep ingrijpende beteekenis. Wie iets weet van het levenswerk van Schilder, zal zich er rekenschap van geven, hoezeer de oude orthodoxe termen van hun bijbelschen inhoud beroofd worden door de moderne theologen en hoezeer dezen dynamiet leggen onder alle orthodoxe gedachteninhouden. Nog onlangs attendeerde Schilder in zijn redevoering voor het Congres van de C.S.B, erop, dat Barth den inhoud van de Schrift benadert vanuit zijn distantie-idee van eeuwigheid en tijd en dat Van Til daarom terecht kon spreken van the New-Modemism van deze theologie. Wie vanuit dezen nog niet weerlegden gezichtshoek Barth leest, zal doodelijk voorzichtig zijn bij lederen term, dien deze theoloog gebruikt, ook al is deze nog zoo orthodox en reformatorisch.

Maar Berkouwer neemt Barths termen rustig over, al plaatst hij wel voortdurend „randbemerkingen" bij diens dogmatische conclusies. In het hart van diens theologie doorstootèn vermag hij zoodoende niet.

Uiteraard heeft dit standpunt voor de traditioneele gereformeerde theologie gevaarlijke gevolgen. Want doordat de auteur Barth oncritisch leest, doet hij dit ook met Kuyper en Bavinck. Hij aanvaardt hun gedachtengoed, hij past wel incidenteele correcties toe, maar evenmin als hij bij Barth de gevaarlijke wijsgeerige achtergronden van diens theologische overwegingen peilt, doet hij dat bij Kuyper en Bavinck. Zoodoende kan hij niet komen tot de afbakening van een eigen reformatorisch standpunt t.o.v. deze beide groote gedaohtencomplexen, welke de huidige gereformeerde dogmatiek op haar weg ontmoet, en blijft zijn werk min of meer conserveerend en traditioneel. Met als gevolg, dat bij alle genot, dat het lezen van zijn breede overzichten ieder bij de dogmatiek geïnteresseerde verschaft, hij tegelijk onbevredigd blijft, zoowel bij de vragen, die het critisch overwegen van de traditioneele gereformeerde dogmatiek als van de dialectische theologie, aan de orde doet stellen. We willen daar in deze recensie nu verder rekenschap van geven.

Vóór we onze kritiek nader ontwikkelen, vsrillen we echter eerst een overzicht geven van den inhoud van het boek, en attendeeren op enkele belangrijke problemen, die aan de orde gesteld en behandeld worden. In het eerste hoofdstuk ontwikkelt de auteur de actualiteit van het aan de orde gestelde onderwerp. Hij wijst op drie factoren, die het probleem van geloof en rechtvaardiging weer actueel maken:1) de dialectische theologie; 2) de controvers Rome en Reformatie; 3) de Luther-renaissanoe, sinds de studiën van Holl. Vervolgens gaat hij in het tweede hoofdstuk in op de vragen rond de orde des h-eils. Van belang is hier zijn juiste critiek op Kuypers bezwaren tegen de orde van geloof en wedergeboorte, zooals artikel 24 van de N.G.B, die belijdt en die Kuyper wilde omkeeren. De schrijver komt tot de o.i. juiste conclusie, dat het aanbeveling verdient te spreken van den weg des heils, liever dan van orde des heils. Het derde hoofdstuk wil zijn een confessioneele verkenning en bespreekt den inhoud van de gereformeerde en luthersche symbolen op het punt van de rechtvaardiging. Terecht betoogt de schrijver, dat er een diepe eenheid is tusschen de gereformeerde en de luthersche reformatie op het punt van de rechtvaardiging door het geloof. De wel eens gefingeerde tegenstelling tusschen Calvijn en Luther als tusschen het Soli Deo Gloria en het Sola Fide wijst de schrijver daarom af. Het vierde hoofdstuk is het voornaamste van het geheele boek en voert tot in het hart van de problematiek van geloof en rechtvaardiging. Hier bespreekt de schrijver de Schriftgegevens en gaat hij dieper in op de „correlatie", zooals hij dat graag noemt, tusschen rechtvaardiging en geloof. Hij bespreekt de wel eens geforceerde tegenstelling tusschen Paulus en Johannes en Paulus en Petrus. Vooral interessant is wat hij opmerkt over Luthers exegese van het Johannes-Evangelie. Luther legde nl. Johannes Paulinisch uit en las in dit Evangelie een krachtige prediking van de rechtvaardiging door het geloof alléén. Wie den laatsten tijd Schilders studies over het begrip Trooster gelezen heeft, met de forensische „duiding", die daarbij aan dit begrip gegeven werd, ziet hier een merkwaardige bevestiging van de resultaten van dit onderzoek.

Van belang is in dit hoofdstuk ook de kritiek, die de schrijver uitbrengt op de exegese van Romeinen 4 : 3 en 5 door dr Jager en Woelderink. Jager meende in zijn dissertatie, dat de traditioneele exegese dezen . tekst verknoeide door het „tot gerechtigheid rekenen" van Abrahams ge'oof uit te leggen als het toerekenen aan Abraham van de door het geloof aangenomen gerechtigheid van Christus. Hij meent, dat daardoor een „alsof" element in de rechtvaardiging wordt ingevoerd en dat bij deze exegese de dogmatiek heerscht over de Schriftverklaring. Zoowel Woelderink als Jager zijn dan ook van meening, dat wij hier duidelijk uitgesproken zien, dat de HEERE inderdaad Abrahams geloof hem rekent tot rechtvaardigheid. Niet de door-Abraham-in-het-geloof-aangenomen-gerechtigheid-van-Christus, maar zijn subjectieve geloof zou volgens Romeinen 4 : 3, 5 zijn gerechtigheid voor God zijn. Bij de traditionee'e exegese zou volgens Jager God doen alsof Christus' gerechtigheid hier onze gerechtigheid is. Maar Paulus zou duidelijk uitspreken, dat Abrahams concrete geloof en niet de door hem in het geloof aangegrepen gerechtigheid van Christus, hem gerekend wordt tot gerechtigheid.

Wij gelooven, dat Berkouwer in zijn kritiek wel recht heeft om te worden aangehoord. Nu daargelaten, dat hij Greijdanus, van Andel, Aalders en Schippers aan zijn zijde heeft, dat Bavinck deze exegese reeds gaf en ook de Kantteekenaren reeds in dezelfde richting dachten. God rekende Abraham zijn geloof tot gerechtigheid. Maar dat geloof is de fides, quae creditur of in het Nederlandsch: het geloof kan en mag niet zonder zijn inhoud beschouwd worden. Er zou van dit punt uiteraard veel meer te zeggen zijn, maar daarvoor ontbreekt ons in dit bestek de ruimte. ^)

In het V ij f d e hoofdstuk handelt dr Berkouwer vervolgens over de bedenkingen, welke tegen het reformatorische rechtvaardigingsdogma worden ingebracht

1) De Kantteekenaren schrijven bij het toerekenen van Rom. 4 : 5, dat de Heere „het geloof rekent tot rechtvaardigheid als Hij den geloovlgen - schenkt, toeschrijft en toerekent de gerechtigheid van Christus, van hen door het geloof aangenomen, en houdt, door deze genadige toerekening, alsóf het hun eigen gerechtigheid ware".

Wij meenen, dat met de z.g. dogmatische exegese van Kantteekenaren, Greijdanus e.a., volgens welke het geloof, dat tot gerechtigheid gerekend wordt, verstaan moet v/orden als de In het geloof aangenomen gerechtigheid van Christus en de door Jager en Woelderink voorgestane exegese, nog niet alle mogelijkheden uitgeput zijn.

Abraham geloofde in God! D.w.z. hij geloofde, dat God machtig was hem zonder den normalen weg van vleeschelljke gemeenschap met Sara (in wie de moeder verstorven was) veder te maken van vele volken. Hij stelde zijn vertrouwen (gelooven is heamin) niet op eigen vleeschelljke prestatie, maar op Gods kracht, die roept de dingen die niet zijn, alsof ze waren. En dat vertrouwen op Gods pneumatische kracht (uiteindelijk dus op Christus) rekende God hem tot gerechtigheid.

De opvatting van Jager en Woelderink dringt m.l. de vraag aan ons op, of men niet goed doet, het geloof uit Rom. 4 : 3 v.v. te nemen als fides quae, i.p.v. als fides qna creditur.

Vergelijk D. Hohverda, O Diepte des Bljkdoms, pag. 21: „Maar wanneer God je „loon" aldus berekent: gelooft hij, d.w.z. neemt hij aan, wat Ik schenk", dan is dat een teeken, dat je niet gewerkt hebt". Ook hier dus tn het: „Neemt hij aan, wat Ik schenk", het element van de fides quae. en toetst hij die bedenkingen. Hij gaat breed in op ile verhouding van genade en loon, op den brief van Jacobus en de Roomsche kritiek op het reformatorische loonbegrlp.

loonbegrlp. Het zesde hoofdstuk handelt over de rechtvaardiging van eeuwigheid en is zeker niet het minst interessante van het geheele boek. Vooral belangwekkend is de historische achtergrond van deze controvers, waarvan de wortels teruggaan tot in den tijd van de nadere reformatie en die in de dagen rond 1905 zulk een ernstige toespitsing heeft gekregen. Hoewel de auteur zich inspant om Kuypers rechtvaardigingsleer zoover mogelijk reformatorisch te interpreteeren en te beschermen, weerhoudt hem dat niet voorzichtig kritiek te oefenen op de rechtvaardiging van eeuwigheid. En zijn conclusie is dan ook, dat hij de rechtvaardiging van eeuwigheid afwijst. „Daarom is het niet juist, om naast de rechtvaardiging in den tijd door het geloof nóg een rechtvaardiging aan te nemen, nl. van eeuwigheid" (167).

In het laatste hoofdstuk, dat handelt over de waarde van het geloof, gaat de schrijver nog nader in op de beteekenis van het geloof in de correlatie geloof-rechtvaardiging en bespreekt hij Barths beschouwingen over de praedestinatie en van Rulers wijsheid over de vervulling van de wet. Van belang is hier ook zijn kritiek op het geloofsbegrip van de wijsbegeerte der wetsidee, die, hoewel versluierd uitgebracht, toch wel te onderkennen is. Een goed verstaander heeft maar een half woord noodig! „Met name heeft men (!) tegenover het geloof als een nieuw orgaan, als donum superadditum gezegd, dat de gave des Geestes bestond in de groote wending, waardoor het hart vanuit de richting der afvalligheid weer gericht werd op den waren God. Zulk een aanduiding heeft antithetisch ongetwijfeld waarde". Maar dan waarschuwt Berkouwer, dat men (!!) — waarom hier zich teruggetrokken in dat nevelachtige „men" — toch richting en inhoud van het geloof niet van elkaar zal losmaken. „Het gaat maar niet om een richtingsverandering in een overigens reeds aanwezige subjectieve pool, die zoowel bij de geloovlgen als bij de ongeloovigen in den vorm van een algemeen geloof en vertrouwen aanwezig zou zijn" (202). Het komt ons voor, dat deze voorzichtige kritiek niet geheel ongemotiveerd is. Terecht wijst de auteur in dit hoofdstuk alle causale en meritoriale waarde van het geloof t.o.v. de rechtvaardiging af en handhaaft hij de i n s t r u-m e n t e e 1 e beteekenis van het geloof in het stuk van de rechtvaardiging. „Zooals de aard der boetvaardigheid elk meritoriaal element uitsluit en zóó „conditie" kan worden genoemd, zoo sluit het ware gelóóf, dat alleen op Gods barmhartigheid is gericht elk element van waardigheid uit" (199).

R. H. EREMMER.

Dr G. Ch. Aalders. Genesis I, 2e druk, Kampen, J. H. Kok N.V., 1949.

De bekende „Korte Verklaring", die reeds zeer 'veel goeds gedaan heeft, en hard noodig was om de infiltratie van „vreemde", critische beschouwingen bij ons volk tegen te gaan, heeft reeds meer dan één herdruk. Thans kwam van dr Aalders het eerste deel van Genesis in tweeden druk (van 1 : 1 tot 11 : 26). De auteur is hier vrij uitvoerig; soms wordt materiaal verwerkt, dat in de wijze van redactie den indruk wekt, dat het bedoeld is als Ersatz voor het nog niet aanwezig zijn van een meer wetenschappelijk ingerichten ' kommentaar. /

In een beoordeeling zal ik niet treden. De auteur is mij wel eens te gauw aan „stevige" adjectieven toe; die mij nog niet gelegitimeerd schijnen uit de argumenten. En op bepaalde punten (b.v. 3 : 15) had ik gaarne iets scherpere uitwerking willen zien. Zoo is er wel meer. Maar wij zien ook dit geschrift als onderdeel van een reeks, die wij als geheel van harte aanbevelen, al hopen wij wel, dat onze dominees in staat zullen gesteld worden wetenschappelijke kommentaren zich aan te schaffen, ook in de dollarperiode dezer eeuw. Want voor hun preekwerk kunnen en mogen zij met de K. V. niet toe. De reeks is prachtig, en vlot, en gauw na te slaan. Maar voor eigen werk moet men ander materiaal hebben, dat niet maar resultaten, doch ook overwegingen geeft. Waarmee niet gezegd is, dat dit laatste heelemaal ontbreekt. Integendeel — onder de deelen der K. V. is er een groep, die ook argumenteert, en daaronder is ook dit.

K. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 november 1949

De Reformatie | 8 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 november 1949

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken