Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

FESTUS HOMMIUS over afwijking van de belijdenis aangaande de Kerk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

FESTUS HOMMIUS over afwijking van de belijdenis aangaande de Kerk

10 minuten leestijd

Er wordt nog al eens gesproken over de vraag, wat men van de kerk moet gelooven. Daarbij komt ook wel de vraag naar voren, wat „de v/are kerk" (d.w.z. vergadering), en wat , , de valsche kerk" (d.w.z. vergadering) is. De discussies vertroebelen menig oordeel; en nu (om in de beeldspraak van ds Toomvliet zelf maar te blijven) de kring, waartoe hij als polemist behoort, weer eens „op het kookpunt" is (want daar doet men nerveus), nu wordt in zijn blad „De Strijdende Kerk", in stee van met rustige argumenten, gewerkt met oncontroleerbare private uitlatingen; deze week b.v. wordt van onzen ds Waagmeester zoo maar een verhaaltje opgedischt, volgens hetwelk hij dit of dat zou gezegd hebben; ik ben er, zónder van het geval ook maar iets af te weten, zóó maar zeker van, dat het bericht onwaar is.

Het kan zijn nut hebben, in zulke schoone dagen van opgewonden „kiezers"-polemiekjes anderen aan het woord te laten. Daarom zullen we deze week, zonder zelf iets eraan toe te voegen, eens overnemen, wat Festus Hommius zegt over de in zijn tijd door hem geconstateerde afw ij kingen van de belijdenis aangaande de kerk.

Festus Hommius was geen kniesoor, geen extremist, doch een gematigd man. Maar hij had scherpe oogen en een behoorlijk reukorgaan. Voordat de beroemde Dordtsche sjoiode tegen de Remonstranten samenkwam, schreef hij, die later in het moderamen van de synode opgenomen is, ter voorbereiding van de vergadering een soort overzicht van de remonstrantsche en andere dwalingen, die in de periode van vóór de Dordtsche sjmode in de nederlandsche kerken den kop opstaken. Het heette: Specimen Controversiarum Belgicarum, etc. Van dat geschrift versoheen een door Johannes van Lodensteyn • bezorgde nederlandsche vertaling, onder den titel:

TOT LEYDEN, By David Jansz. van Ilpenda Boeckvercooper. 1618.

Nadat op bl. 94 van deze vertaling is afgedrukt de tekst van artikel 27 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis, geeft dan Festus Hommius op bl.. 95 en 96 enkele aanhalingen uit geschriften van menschen, die hij bestrijden wil, en die hij aandient als voordragende valsche gevoelens, menschen, die de synode zal hebben te verwerpen. Omdat zij strijden tegen de bestaande belijdenis. Onder het opschrift:

TéGHEN DESEN ARTIJCKEL SCHIJNT GHELEERT TE WORDEN

laat hij dan volgen wat hier staat afgedrukt (dat zijn dus allemaal door hem als ongereformeerd aangediende gevoelens):

1. Dat tot de alghemeyne Kercke mede behooren, vele, die glieen kennisse van Christo hebben, ende de welcke over sulcx hare saUclieydt, van dien eenen lesu Christi niet en verwachten.

Van Venator. Vertooch, pag. 168. lek gheloove dat de Kercke is / een vergaderinghe / te samen uytgheroepen / om te hooren / t' ghene Godtlick ende Gheestelick / tghene de salioheyt is betreffende: ofte een glieselschap ende een raenichte / uytgheroepen ende by een ghecomen / tot het verstaen ende oeffenen van eenderley Religie.

Ibidem, pag 183. Om vele redenen en can de saliclieyt niet gebonden worden / aen het hlstorlael gheloove van lesu Christi lijden ende sterven.

Item. pag. 183. Vele vrome Heydenen, hebben heerlicke getuychuissen ghehadt / vanden innerlicken ende' gheestelicken waren Godtsdienst.

Teghen' de Dortsche Predicanten, pag. 130, 131. lek segglie Neen / op die questie; of om door Christum salich te worden, absoluytelick, ende sender eenighe exceptie / nootsaeckelick is / dat alle die dese zijne weldaet sullen ghenieten / verstaen moeten al t' ghene van hem / d' E-vangelisten ende d' Apostelen ghepredickt / ende beschreven hebben.

libidem pag. 134. 135. Waerom soude ick dan soo streng moeten wesen / dat ick d' arme Heydenen, die dese open-, baringhen / ende soo clare leeringhen als den Apostelen waren ghedaen / niet en zijn int minste wedervaren, ende niet een woort hier van mach gheopenbaert zijn, ende nochtans een Godtvruchtich vroom leven hebben gheleyt (dat wil icker altijdt onder verstaen hebben) dat ick die soude verdoemen / ende ghelooven / dat Godt met sulcke onbarmherticheydt / over den selven / op 't rigoureuste soude handelen? Waerom soude ick ghevoelen moeten / dat Godt sal ymandt afepschen / meer als hy hem heeft ghegheven? Die weynich is ghegheven sal hem oock meer als weynich werden afgheepscht? Ick en cant niet weten/ wat proportie van rechtveerdicheyt dat soude wesen.

Libidem, pag. 135. Datter wel menschen / sender volcomen historiael gheloof connen salich worden / jae nae dat den selven 't Christen gheloof al gheopenbaert Is, salmen wel haest connen verstaen / wanneer wy eens gaen examineren / hoe veel kennlsse elck out Christen heeft.

Libidem, pag. 137. De Heydenen hebben sulek gheloof gehadt, als daer wort vereyscht, namentlick datter een Godt isl J ende dat hy is een vergelder der ghener die hem lief hebben / ja sy hebben eenen suyveren ende rejmen Godtsdienst der Zielen gheleert. Jae uytghesondert / dat sy de Historie Jesu niet gheweten en hebben / soo heeft Godt de Heere seer heerlicke ghetuychnissen der waerheyt, zijns aenghenamen diensts, jae vande ware liefde Godes ende des naesten, int midden van henlieden / door zgne ghenad© / immers op velen der selver / uytghedeylt.

Libidem, pag. 138. Ick ontkenne dese propositie: Niemant can salich worden, als die Christo lesu door een waerachtich gheloof is mghelijft gheworden.

Libidem, pag. 141. Ick gheloove dat vele met het historiale gheloof becleet zijnde / Christum noyt hebben aenghedaen: ende ter contrarie datter vele hebben Christum aenghedaen, ende in haer ghehadt, die sulcken volcomen historialeu gheloof, noyt ghehadt en hebben.

Libidem, pag. 145. Godt soude den Heydenen connen antwoorden. Als ick u gheve soo vele u ghenoech is, hebt ghy te daghen? Laet ick u by der Mane / of by den Sterren wandelen / ende andere by der Sonnen: ghy hebt evenwel soo veel dat ghy uwen wech cont wandelen.

Libidem, pag. 147. Maer al ist dat het simpel derven der Historiën niet nootsaeckelick verdoemt: Soo is doch de Christelijke Keligie gheheel profijtelick, ende alsse Godt wil gheopenbaert ende ghelooft hebben / heel nootwendich.

Ibidem, pag. 148. Of nu juyst de Heydenen niet inde Helle branden / soo souden even wel de Christenen, meerder heerlickheyt connen hebben als sy luyden: Dewijle doch meest alle Xheologanten leeren / dat int rijeke der Hemelen groot onderscheydt / ende diversche Trappen der glorien suUen wesen.

2. Dat de gheheele ende algemeyne Kercke op der Aerden can afvallen: ende dat het met noodich en Is, dat Christus als Coningh ende Hooft der Kercke, altijt eene ware Kercke op der Aerden hebbe.

Van Episcopivs. Disp. priv. de eccles. Thes. 10. Wy doen hier by / twelck nochtans daer uyt [namentlich / dat elcke kercke can afvallen] nootsaeckelicke volcht / dat de gheheele ende algemeyne Kercke op der Aerden afvallen can.

Libidem. Thes. 11. Nochte wy en ghelooven oock niet / noodich te wesen / daer toe / op dat Christus Corung ende het Hooft blijve, datter altijt op der Aerdé eene ware Kercke zy.

Tot zoover wat hij aandient als verwerpelijk, strijdend met artikel 2 7. wijl

En nu volgen de artikelen 28 en 29 van onze Belijdenis. Weer worden die letterlijk afgedrukt (bl. 97— 99). Daarna komen weer de door Hommius saamgelezen afw ij kende gevoelens. Op bl. 99, onderaan, staat weer dat opschrift:

TéGHEN DESEN ARTIJCKEL SCHIJNT GHELEERT TE WORDEN,

waarna we deze collectie van ongereformeerde gevoelens krijgen:

1. Datter gheen merckteeckenen ghevonden connen worden, ofte niet noodich en is datse ghevonden worden, om door deselve tot kenmsse der ware Kercke te gheraecken.

Van Episcopivs. Disp. priv. de Notls Eccl. Thes. 2. Nademaei een kenteecken / altijdt bekender wesen moet/ dan die saecke / daer het een kenteecken van is / ende tot het welcke / als duyster ende onbekent zijnde / bekent te maecken / het werdt ghebruyckt: ende dat hem de welcke recht verstaet / welcke daer sy eene heylsame Leere / niet met allen en ontbreeckt / waer door de Kercke soude moghen werden bekent / soo blijft mede 'vast / datter ghaen kenteeckenen gevonden connen worden, inochte noodich is dat se ghevonden worden, om door de selve tot de Jcennisse , der Kercken te gheraeeken.

Ibidem. Thes. 5. Wy segghen dat het onmoghelick is, datter eenighe ommestandicheden souden wesen, door de welcke men / als door kenteeckenen, tot een seeckere ende onfeylbare kennisse / der Ware Kercke soude con-nen gheraeeken.

Ibidem. Thes. 6. Jae dat meer is / wy en ontsien ons niet te segghen / dat dese selvige questie, van seeckere ende onfeylbare kenteeckenen aen te wijsen, buyten dese beUjdenlsse der heylsamer Leere / den voomaemsten Trap gheweest is / door den welcken de ware Kercke / ofte de vaste kennisse der heylsamer Leere verstoeten / ende den Stoel des Antichrist opgherecht ende verhoocht/ jae enckele onwetentheyt der waerheyt is inghevoert gheworden.

2. Dat de kenteeckenen der ware Kercke, niet en zijn, de suyverë Predicatie van Godts woort, d'oprechte bedieninghe der Sacramenten, ende het wettelick ghebruyck der Kerckelicke discipline; maer socmen eenich kenteecken stellen sal, dat dat selve maer een wesen can, namentlick de belijdenisse der heylsamer Leere, waer toe de suyvere Predicatie van Godes woordt met en behoort.

Van Episcopivs. Disp. priv. de not. Eccles. Thes. 8. Soomen nochtans eenich kenteecken der Kercke stellen sal / t' selvighe can geen ander wesen / dan de eenighe belijdenisse der heylsamer Leere.

Ibidem. Thes. 11. Tot dese beHjdenisse der heylsamer Leere / en behoort niet de Predicatie des Godtlicken woorts, als de welcke meer is een werck des Leeraers / dan der Kercke / ende niet soo noodich / als profijtelick/ tot stichtinghe der selver / nae dat de Schriftuere allen ende elck eenen te lesen bevolen is / op dat een yghelick van hem selven daer uyt leere soo vele hem van noode is.

Van Venator. Vertooch. pag. 170. Die Godt ende Christum bekent / ende des selven stemme hoort / ende vanden gheloofs polncten hereyt is te belijden / ende te ghevoelen / t' ghene daer van rondelick de Schriftuere

spreeckt, sonder dat hy can of wil aennemen / tgene by dese ofte die Concillen / Synoden / Vaderen / Kercken / mach wesen besloten / om dese ofte die woorden / ende manieren van spreecken / in (f sy oock weicken) stucken der Leere te ghebruycken / die meestendeel door der Menschen curieusheydt ghevonden / ende oorsaecken van bittere scheuringhen / jae g: rouwelicke vervolginghen / ende bloetstortinghen der Christenen onder malcandren zfln geweest / maer seyt / de bewoordlnghe van Christo selve ghedaen / is my ghenoech / ende ick en weetse niet te verbeteren: gheloove oock dat ghy niet wijser bent / om beschrijvingh van gheestlicke saecken te doen / als uwen Meester: Wie soude sulcken voor gheen lidtmaet durven bekennen? sulcke vergaderinghe voor de Kercke?

Libidem. Daer en is gheen beter middel om de Secten te minderen / ende dat alle Christenen tot een Kercke, in Broederlicke eenicheyt / mochten vergaderen: als / dat elck zijn by ghevonden / ofte van anderen erdlchte; ende by hem mede aenghenomen / manieren van spreeckeni in gheloofs poincten liet varen / oft / elck blijvende rijck in eyghen verstant / zijne uytlegginghen, beschrijvlnghe / meyninghen voor sich selven behoudende.

Tot zoover onze aanhalingen. We voegen er geen woord aan toe. Slechts één vraag:

Er zijn tegenwoordig menschen, die een christelijke encyclopaedie of overeenkomstige lectuur gaarne naspreken in lofredenen op Festus Hommius, en die wekelijks opwekken tot trouw aan het overgeleverde pand, en zoo voort, maar die brieschend worden, en van extremisme spreken, als iemand zegt wat Hommius hier zegt, en ongereformeerd noemt, wat dit moderamenlid van Dordrecht ongereformeerd noenat. Soms zelfs roepen zij om een samenspreking met kerkscheurders, omdat zij de geestesgesteldheid (!) niet langer dragen kunnen van menschen, die veroordeelen wat Hommius veroordeelt. De vraag die ik heb, is deze: weet gij wel, van welke „geestesgesteldheid" de door u zoo hoog geprezen vaderen zijn?

Als ge het niet meer eens zijt met de belijdenis, zeg het dan maar rustig. Maar doe niet langer alsof de beüjdenis in naam der belijdenis moet worden losge­ laten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 februari 1950

De Reformatie | 8 Pagina's

FESTUS HOMMIUS over afwijking van de belijdenis aangaande de Kerk

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 februari 1950

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken