Bekijk het origineel

De beteekenis van de vrijmaking voor theologie en leven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De beteekenis van de vrijmaking voor theologie en leven

7 minuten leestijd

(VII)

Zoo hebben we thans de conceptie van Kuyper in hoofdüjnen overzien. We komen nu tot den sluitsteen.

.Deze gedachtengang is slechts mogelijk doordat Kuyper ervan uitgaat, dat er in God ten aanzien van alle menschen een gunstige gezindheid bestaat. Uit het eeuwig Wezen Gods ontspringt een dubbele genadestroom. Terecht heeft Schilder eens ironisch den bekenden psalmregel: ja waarUjk God is Israel goed, getransponeerd in: ja waarlijk God is satan goed, wanneer men namelijk dezen gedachtengang consequent volgt. Er bestaat in God een gxmstige gezindheid, een zekere lankmoedigheid, niet slechts in den zin van een aan onze bevatting geaccommodeerd axiogram, maar bepaald als een gunstige gezindheid in Zijn Wezen.

Maar daarmede is het doel bereikt, dat in het begin ree, ds was aangegeven. Kuyper heeft aldus de harmonisatie, het in evenwicht brengen van het dogma van de erfzonde eenerzijds en de practische ervaring van het nog meevallen van de gevallen wereld anderzijds, meesterlijk tot stand gebracht. Hij heeft het aldus mogelijk gemaakt, met volledige handhaving van de erfzonde als kerkelijk dogma, toch véél te accepteeren van wat de wereld aan cultuurgoederen biedt. Al zegt dr Berkouwer in zijn laatste boek, dat de leer van de gemeene gratie rechtstreeks opkomt uit het dogma van de verdorvenheid van het menschelijk geslacht, wij houden staande, dat in feite door deze harmonisatie het belijden van de radicale verdorvenheid van het menschehjk geslacht op huiveringwekkende wijze wordt ondermijnd*").

Eén vraag bhjft nog over, waarop nu het antwoord moet worden gezocht. Hoe heeft Kuyper deze conceptie gefundeerd in en geput uit de H. Schrift? Wat was zijn Schriftbewijs?

Nu hebben we bij de beschrijving van zijn gedachtengang al gewezen op verschillende Schriftplaatsen, welke hij gebruikt om zijn gemeene-gratie-begrip te fundeeren. Het paradijsverhaal en de Woorden Gk> ds na den grooten zondvloed werden zoodoende reeds behandeld. Minder belangrijk is wat hij schrijft over Genesis 20 en Psahn 93. Maar breeder wordt weer zijn betoog als hij toekomt aan de bespreking van Johannes 1 vers 9. Daarop bouwt Kuyper een vrij breed betoog. Men kent den tekst : Dit was het waarachtige licht, hetwelk verlicht een Iegelijk mensch, komende in de wereld. Kuyper denkt hier aan het z.g. „licht der natuur". Hij verwijst naar de Kantteekenaren, die ook bij deze pericopen reeds in die richting zouden gewezen hebben. Inderdaad denken die bij het licht, waarvan Johannes 1 telkens spreekt, aan dit licht der natuur. Zoo bij vers 13, waar staat dat dit licht s c h ij n t in de duisternis, waar zij bij aanteekenen: , Dat is, verlicht het verstand' des menschen met eenige kennis van Gods natuur en dienst, die na den val in den mensch nog overgebleven is. Zie hierover breeder Romeinen 1 : 19, 20. Maar zij verzuimen niet bij vers 5 te schrijven (de d u i s t e r n i s heeft hetzelve niet begrepen): at is, de verdorven menschen hebben dat licht, hetwelk in hen overgebleven was, niet gebruikt om den Zoon Gods, den auteur van dit licht recht te kennen, dienen en eeren. Rom.

1 : 21, 22.

Maar Kuyper greep vooral het eerste aan om breed naar voren te halen, dat hier bij „licht" gedacht moet worden aan den Logos, die ieder mensch verlichten zou, komende in de wereld. Deze laatste woorden trekt hij dan in het voetspoor van de Kantteekenaren bij een iegehjk mensch. Maar de nieuwere exegeten, o.a. dr Bouma in de K.V., laten duidelijk uitkomen, dat deze woorden getrokken moeten worden bij het licht.

Toen het licht, d.i. Christus, in de wereld kwam, verlichtte het een iegelijk mensch ^^).

Indien dat waar is, valt daarmede heel de constructie, welke Kuyper op dezen tekst heeft gebouwd en die, ook al zou de exegese van de Kantteekenaren juist zijn, toch geen rekening houdt met wat deze zelfde Kantteekenaren zeggen over de duisternis, die het licht niet heeft begrepen.

Een tweede fundeering voor zijn leerbegrip meent Kuyper in het Nieuwe Testament te vinden in de bekende hoofdstukken Romeinen 1 en 2. Vooral de verzen 19 en 20 van hoofdstuk 1 en de verzen 14 en 15 van hoofdstuk 2 moeten hem hier het bewijsmateriaal leveren. Dr S. J. Ridderbos geeft een vrij uitvoerige samenvatting van wat hij over deze teksten schrijft, welke wij hier in een noot weergeven^®).

Maar uiteraard kon Kuyper nog geen rekening houden met de nieuwere exegese van deze teksten. Overigens valt hier tevens te wijzen op het feit, dat reeds de Kantteekenaren in hun aanteekeningen op de bovenaangehaalde teksten uit Johannes 1 er duidelijk mee rekenen, dat Romeinen 1 : 19 en 20 niet mogen losgemaakt worden van de verzen 21 en 22 van hetzelfde hoofdstuk, wat door Kujrper te veel geschiedt.

Maar bovendien heeft Greijdanus er op gewezen, dat het „verstaan" van vers 20 c O' n d i t i o n e e11 is. Zij worden doorzien, i n d i e n ze door den menschelijken geest gegrepen w'ord e n. Wanneer wij deze exegese in rekening brengen, krijgrt; dit vets een geheel andere strekking en is het als pijler onder het gemeene-gratie-betoog weggeslagen.

Dezelfde nieuwere exegese helpt ons ook, wanneer wij Romeinen 2 vers 14 en 15 nader bezien. Prof. Schilder heeft daar indertijd breed over geschreven in zijn Catéchismusverklaring, waarnaar we hier wel mogen verwijzen. Het fijne puntje was, dat Paulus niet schrijft, dat de heidenen de wet geschreven hebben in hun harten, maar het werk der wet. Trouwens Kuyper heeft dat zelf, blijkens het zoo juist gegeven citaat, ook wel opgemerkt. Hij heeft er alleen conclusies aan verbonden, die wij niet gaarne zouden overnemen. Want hij verklaart dat „overblijfsel" van de wet in heidenharten uit gemeene-gratie-werking, terwijl wij meenen, dat daar ook wel andere motieven voor aan te voeren zijn, waarvoor we naar bovengenoemde studie van Schilder verwijzen.

Wat betreft de bewijsplaatsen uit de confessie, brengt Kuyper de bekende en reeds vaak besproken plaatsen naar voren uit art. 14 N.G.B, en par. 4 van de hoofdstukken 3, 4 van de Dordtsche Leerregels.

Art. 14 van de N.G.B, spreekt van de kleine overblijfselen die de mensch na den val heeft overgehouden en de Leerregels hebben het in de aangehaalde plaats

over het licht der natuur, waardoor de menseh behoudt eenige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tusschen hetgeen eerlijk en oneerlijk-is, en ook betoont eenige betrachting tot de deugd en uiterlijke tucht.

Maar ook deze confessioneele bewijsplaatsen zijn de laatste jaren in onzen kring reeds menigmaal besproken en kunnen zeer wel verklaard en aanvaard worden, zonder nochtans er een gemeene gratie constructie aan te verbinden. Zie voor een en ander de Catechismusverklaring van Prof. Schilder.

*') Dr G. C. Berkouwer, Conflict met Bome, Kampen, 1948, pag. 140. „We komen hier in aanraking met Calvljns leer der algemeene genade. Men heeft daarin meermalen gezien een verz^vakking van de particuliere genade Gods, maar het Is volkomen duidelijk, dat Calvijn hier juist bezig is zijn belijdenis van de „corruptie naturae" te handhaven". Berkouwer voegt in een noot er nog aan toe: „Dr A. Kuyper bevindt zich hier In den opzet van z'n Gemeene Gratle-leer geheel In het voetspoor van Calvijn, als hij de leer der Gemeene Gratie ziet opkomen uit het'< 3oodlijk karakter der zonde". G. Gratie, I, 11.

4S) Korte Verklaring der H. Schrift, Evangelie naar Joliannes, t. a. p,

*8) Volgens S. J. Ridderbos, kan, hetgeen Kuyper over deze teksten schrijft, aldus worden sajnengevat: Er volgt uit deze woorden-, dat God In Zijn gemeene gratie „in den gevallen zondaar nog een overblijfsel van het Goddelijk handschrift der wet overliet". Ook nog in zijn dagen betoonden, volgens Paulus, de heldenen het werk der wet geschreven m hun harten. Hier moet eerder aan een „practische aandrift" dan aan een „klare, zuivere kennlsse" gedacht worden, want er staat niet dat de wet zelf in hun harten geschreven is, maar er wordt gesproken van „het werk der wet". „Ten tweede: de algemeene genade drijft het zlelsbewustzijn van den gevallen mensch uit om aan dat overblijfsel der wet getuigenis te geven". Er volgt Immers dat „de conscieutie In hen medegetulgt". „En overmits dit nu uit de zonde zelve niet komen kan, zoo volgt hieruit, dat God in den gevallen mensch niet alleen een overblijfsel van zijn wet in het hart liet, maar ook op zijn bewustzijn inwerkt, en in zijn bewustzijn hem dwlngrt om op die wet Amen te zeggen". S. J. Ridderbos, a .h. w., pag. 47.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 27 mei 1950

De Reformatie | 8 Pagina's

De beteekenis van de vrijmaking voor theologie en leven

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 27 mei 1950

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken