Bekijk het origineel

lets over Kuyper's opvattingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

lets over Kuyper's opvattingen

21 minuten leestijd

i.We ontvingen onderstaand artikel. In den tekst brengen we eenlge cijfers aan, die verwijzen naar enkele overeenkomstige aanteekeningen van de redactie. K. S.]

Met belangstelling ben ik begonnen de artikelen van Drs Bremmer in de laatste nrs van „De Reformatie" te lezen. De belangstelling steeg bij zijn bespreking van de gemene gratie theorie van dr Kuyper en diens visie op het staatkundig leven. Indien critiek afkomstig is van iemand die de werken van dr Kuyper inderdaad gelezen Jieeft, verdient die uiteraard meer aandacht, dan los daarheen geworpen opmerkingen van mensen, die slechts in ne-; gatief waarderende zin daarover gelezen hebben en van die critiek een verkeerd beeld hebben overgehouden.

Bij alle waardering voor de studie van drs Bremmer en in de erkenning dat wij dr Kuyper's levenswerk meer recht doen, en ons Gereformeerde volk meer dienst bewijzen, door de onjuistheden in zijn beschouwingen aan te wijzen, dan door al zijn inzichten te canoniseren, moet ik toch bezwaar maken tegen de in het nr van 20 Mei Jl. uitgebrachte critiek i).

Drs Br. betoogt daar, dat, in dr K. Kuyper's systeem, de belijder-overheldspersoon wel als kerklid het volle licht der Schrift opvangt doch als overheidspersoon dat licht niet nodig heeft, welke gedachte hij ook in het A.R. program neergelegd vindt.

In dat program is slechts sprake — zo schrijft, althans suggereert hij — van de God vat; de gemene gratie en niet van de God der Schriften, waartegen de schrijver dan stelt, dat in dat program ook beleden had moeten worden, wie die God is, en waar Hij zich openbaart, omtrent welk punt het program — aldus de schrijver — ons in het onzekere laat.

Daartegenover wil ik hem echter verwijzen naar art. 3 van het program en de daarvan door dr Kuyper zelf gegeven toelichting te vinden in Ons Program (met bijlagen) ed. 1879 pag. 96 e.v. Dr Kuyper begint daar te stellen, dat de overheid te bepalen heeft wat recht is, waaraan hij de vraag vastkoppelt, naar welke maatstaf de overheid daarbij te werk moet gaan. Hij verwerpt de gedachte van willekeur en acht een bepaald criterium noodzakelijk.

De overheid — zo schrijft hij — kan alleen bepalen •wat recht is door uit te gaan van de onderstelling, dat dat recht op zichzelf, buiten haar toedoen, eer zij nog gesproken heeft, reeds bestaat.

Nu zou men, het artikel van drs Br. gelezen hebbende, verwachten dat dr Kuyper hier verder zou gaan en de vraag opwerpen wat dan de kenbron van dat (reeds be-• staande) recht was om daarop als antwoord te geven dat „de gemene gratie al datgene bevat dat voor het instituut der overheid onmisbaar is", of iets van dien aard. Niets is echter minder waar. Hij vervolgt dan (p. 97) dat slechts een zuiver beeld kan worden verkregen door de studie van Gods Woord en het onderzoek naar Gods ordinantiën.

Onder volken en vorsten blijft nog wel een natuurlijke Godskennis werken en een zedewet blijft nog wel in de «onsciëntle spreken (p. 99) maar tot de juiste kennis van Gods hogere ordinantiën voeren ze niet.

De „Openbaring", het , , Woord Gods" in engere zin aanwezig en onder ons bereik, waarin over die eeuwige beginselen een zeer aanmerkelijk licht wordt versoreid en waarin tot op een zeer belangrijke hoogte die ordinantiën Gods voor ons menselijk leven zijn aangeduid, wordt daar nadrukkelijk door hem beleden.

Hij zegt te begrijpen, dat er mannen zijn, die deze openbaring niet als van God afkomstig belijden, doch wat hij niet begrijpt is, dat men dat Woord Gods wèl aanvaardt en toch het landsbestuur en de wetgeving buiten de in dat Woord Gods geopenbaarde ordinantiën wil laten om gaan. En voor degenen, voor wie dit nog niet voldoende is, wordt nog gewezen op de titel van hoofdstuk 3 en de ondertitel van par. 27, 28 en 29, waaruit deze citaten genomen zijn, geheten „De ordinantiën Gods" en „Alleen te kennen uit Gods Woord". Op p. 106, sprekende over de invloed van Gods Woord op de overheidspersonen, ziet . hij een rechtstreekse invloed, door het door de overheidspersonen zelf te lezen en te bestuderen Woord en een zijdelingse invloed door de Kerk en de pers.

Dat dr Kuyper in de staatkunde slechts opereert met een Godsbegrip der gemene gratie en nalaat te belijden waar God Zich openbaart, is dus minder juist 2). Als drs Bremmer, ongeveer in het midden van zijn artikel, een op het eerste gezicht, vooral in het verband, waarin hij dat bezigt, kras citaat van dr Kuyper vermeldt, nl. dat „dit spreken op politiek gebied van „geloof" met onze confessie van de mysteriën der zaligheid niets ter wereld uitstaande heeft, en bedoeld is als een zuiver staatkundig begrip" (p. 147) dan verdient dit ook de nodige controle.

Bij het lezen van deze uitspraak in haar verband, ontdekt men dat dr Kuyper daar handelt over de onontbeerlijke basis die er voor een Overheid moet zijn om te kunnen regeren. In de natie moet een Godsbesef geworteld zijn. Is dat er niet, dan ontbreekt het cement om de muren van het Staatsgebouw vast en saam te houden (p. 150). Dr Kuyper noemt dat , , het geloof der natie", zoals ook de ondertitel van de par. 44, 45 en 46 aangeeft. Dr Kuyper doelt dus hier niet op de kenbron voor de overheidspersonen (dit is de Heilige Schrift) doch op de noodzakelijke basis die in een volk aanwezig moet zijn (het geloof der natie) om te kunnen regeren.

Van dit geloof (der natie) nu zegt Dr Kuyper, dat dit bedoeld is als een zuiver staatkundig begrip. En als hij in dit verband van „geloof" spreekt, dan waarschuwt hij om hem toch vooral goed te verstaan.

Het schijnt, dat deze waarschuwing haar uitwerking op de schrijver van het artikel gemist heeft.

Immers kort voor het geven van dit citaat handelt hij nog over het in het program van beginselen beleden GODSGELOOF, terwijl na het citaat vervolgd wordt met de opmerking dat er dus volgens Kuyper een politiek geloof is, dat te scheiden is van het geloof dat ge kerkelijk belijdt, waaraan dan weer de, overigens niet voor tegenspraak vatbare, opmerking wordt vastgekoppeld dat geloof (hier uiteraard bedoeld in de onder ons gangbare zin) nooit is los te maken van openbaring.

De conclusie waartoe het artikel komt, nl. dat de gedachtengang van Dr Kuyper in feite betekent de onttroning van het Woord Gods als autoriteit ook in de staatkunde, schijnt mij dan ook toe, op grond van het daaraan voorafgaande niet gewettigd te zijn 3).

Van belang kan nog zijn op te merken, dat Dr Kuyper in art. 4 van het program handelt over de taak der Overheid, (bij welke behandeling over het „geloof der natie", p. 147, werd gesproken), terwijl art. 3 over iets gans anders gaat, nl. de ook voor het staatsgezag geldende gebondenheid aan Gods Woord en Zijn uit de Schrift te putten ordinantiën.

Enerzijds (art. 3) is de Overheid op haar terrein dus gebonden aan Gods Woord, anderzijds (art. 4) heeft do Overheid een eigen taak, en mag zij haar bevoegdheid niet te buiten gaan, dus b.v. niet dwingend optreden ter bevordering van de religie.

Deze twee kanten van de zaak moeten steeds goed onderscheiden worden *).

Overigens stelt Dr Kuyper ook bij de behandeling van de taak van de Overheid voorop (p. 140) dat de Staat er niet is om zichzelf, doch middel is ter voorbereiding van dat gemeenschapsleven van nog hogere orde, dat nu reeds kiemt, en eens volheerlijk zich openbaren zal in het Koninkrijk Gods. Om dat voor te bereiden heeft het staatsieven de roeping, nu reeds die hogere vorm van gemeenschapsleven aan te bieden, die doen kan, wat noch het gezin, noch de familie vermag, t.w. een terrein en levenskring ten behoeve van de menselijke persoonlijkheid op te leveren voor de zo min mogelijk belemmerende ontwikkeling van de alzijdige krachte'n die in haar sluimeren.

Het was mijn bedoeling met het bovenstaande niet, om de gemene gratie theorie en zelfs niet de door mij gegeven citaten in bescherming te nemen. De gemene gratie leer heeft ook mij nimmer toegesproken, al namen wij die vroeger zonder meer aan, en al was dit systeem althans een te waarderen poging om het moeilijke probleem van de Overheid en haar verhouding tot de Kerk te benaderen. De door Prof. Schilder geoefende critiek acht ik acceptabeler dan het ook door Drs Bremmer veroordeelde systeem.

Doch wèl heb ik behoefte er met nadruk op te wijzen dat uit te brengen critiek volledig verantwoord zij, en recht late wedervaren aan thans ontslapen voorgangers, voor wier reformatorische arbeid wij ook nu nog Gode dankbaar behoren te zijn. Een verkeerde indruk van bepaalde concepties mag niet worden gevestigd, ook al heeft men recht tot critiek»).

J. W. BAST.

AANTEEKENINGEN VAN DE REDACTIE.

1) We hebben overwogen, dit artikel aan drs Bremmer zelf toe te zenden. Maar omdat o"ns de zaak ook zelf interesseerde, en we niet weten, of drs B., die reeds heel lang geleden zijn copie inzond (ze heeft lang op plaatsing gewacht) tijd had, zich weer in de stof te verdiepen, hebben we maar zelf eenlge aanteekeningen gegeven. We hebben daarmee gewacht, totdat over het onderhavige punt drs Bremmer zou zijn uitgesproken.

2) Mijnerzijds geloof ik, dat Kuyper (zie ook zijn Encyciopaedie over de z.g. „geestelijke wetenschappen") aan de openbaring in de-Schrift niet in alle „velden" van onderzoek de haar toekomende plaats toewijst. De „geestelijke wetenschappen" moeten zijns inziens uit het subject zeU worden opgebouwd; en dan wel „uit het menschelljke bewustzijn in het generaal". Hij acht zoo iets mogelijk, omdat in ons bevvustzijn een (nog wel) archetypische receptiviteit (ontvankelijkheid) voor de „geestelijke objecten" (recht, liefde) aanwezig is. Zoo worden wij, z.i. het „recht" gewaar, als een macht dl© over ons heerscht. „De macht van het recht doet ons aan, grijpt ons aan in ons innerlijk wezen. Het recht als beheerschende macht werkt op onze receptiviteit in, en dringt door haar in ons bewustzijn in". Aldus Kuyper. Wij gelooven, dat hier eenzelfde fout ligt als b.v. in de door Bavinck aanvankelijk begunstigde leer van de aangeboren ideeën, en in Hfepp's leer van het algemeen getuigenis van den H. Geest, die, ook zonder Schrift of mondelinge openbaring, overtuiging bij alle menschen wekt ten aanzien van drie groepen van centrale waarheden; en we vreezen, dat de strijd tegen dergelijke opvattingen gevaar loopt, niet meer te worden erkend als van de grootste beteekenis voor het verstaan b.v. van de Dordtsche Leerregels, als deze spreken over het „natuurlijk licht" en over wat de onwedergeboreu mensch daarmee dóet.

Wie aan deze dingen indachtig is, leest onwillekeurig óók Kuyper's vaak twee kanten uitwijzende uitlatingen anders. Mogen we uit dezelfde omgeving als waaruit inzender zijn citaten geeft, ook eens lezen? Welaan. Dan vinden we op bl. 98 de uitspraak, dat de ordinantiën Gods aangaande bodem, klimaat, producten en hulpbronnen, lichaam en geest, ontwikkeling van onze vermogens, verhoudingen van bloedverwanten en „magen", handel en bedrvjf, voor onze roeping en bestemming als natie voor het overgroote deel („verreweg de meeste") slechts uit do zaken zelve kunnen worden opgemaakt; empirisch onderzoek is voor stoffelijk en natuurlijk leven van mensch en dier schier het eenig mogelijke, en ook na de zonde ook bijna altijd voldoende. Ik vergeet niet, dat hier „schier" staat, en „bijna", en „verreweg". Maar dat stelt me niet gerust (al is het een erkenning van een lacune in het betoog, die de schrijver laat staan). Het is, meen ik, niet juist; en het is gemeene-gratie-leer.

In dit verband spreekt Kuyper dan ook van een onder volken en vorsten werkzaam blijvende natuurlijke Godskennis (het staat anders in de Leerregels), en er blijft een zedewet (wèt!) in de conscientiën spreken (dat staal ook anders in de Leerregels), en een algemeen besef van wat schandelijk is de deugd „beveiligen" (!), hetgeen al heel erg in conflict komt met de Leerregels. En wel staat er — tegenover het Remonstrantisme — bl. 99, dat deze steunsels (!) der gerechtigheid niet voeren tot de juiste, kennis van Gods „hoogere" ordinantiën, maar het is toch een teekenlng van een „gemeene gratie", zooals de Remonstranten blijkens de Leerregels gaven, en die niet onmiddellijk de remmen van de Leerregels aanlegt aan het remonstrantsche rede-en cultuuroptimlsme.

Aan Gods geschreven Woord wordt dan ook in de bepaling van de relatie tusschen dat Woord en de overheid door Kuyper, meenen we, geen recht gedaan. Volgens liem, bl. 99, wordt in Gods Woord „over" de eeuwige beginselen „een zeer aanmerkelijk" licht verspreid. „Tot op een zeer belangrijke hoogte" zijn tn dat Woord die ordinantiën Gods voor het menschelijk leven „aangeduid". Er is, herhaalt hij, bl. 100, „op belangrijke wijze" licht ÖVEK die beginselen verspreid in de openbaring van Gods Woord; vandaar, dat alle recht dat op aarde te gelden heeft, moet worden getoetst aan „het recht". „In de richting" van deze en andere stellingen gaat Kuyper's denken. Gods Woord moet de rechtsbasis „aanduiden" (104). De kerk kan nimmer het recht worden toegekend om „jure suo" vast te stellen wat voor den Staat zal gelden (102). Maar „rechtshoogleeraren, politieke phUosophen, en de denkers onzer staatslieden zien zich hierbij den zwaarsten (!) arbeid toegewezen (106). En dan komt als niet onbelangrijke factor daarbij (107) de „geest van Europa" (107). Is die verkeerd, dan zullen de „algemeene begrippen" (!) — een puur gemeene-gratie-product als gegevenheid — steeds meer „verbasteren"; maar loopt die algemeene stroom den goeden kant uit, nl. „in de richting van Gods Woord" (in de richting!), dan wordt op de overheidsconscientie een goede invloed geoefend; in elk geval moet aan het recht van vr^e consciëntie en van vrije wetenschap niet te kort worden gedaan (108).

In heel de w, oordkeus (1878) ligt al menige aanduiding in de „richting" van een gemeene-gratie-theorie. En dat deze theorie meer en meer méénens wordt, blijkt wel, b.v. uit A.R. Staatkunde van Kuyper, I, 683, waar kalmweg verklaard wordt, dat als het burgerlijk leven wordt afgeleid uit de gomeene gratie, er van geloofsvervolging geen sprake is (!); terwijl tegelijkertijd het als een met Constantijn begonnen fout wordt gezien, dat men het staatkundig samenstel der volken uit de bijzondere openbaring zou willen afleiden; een fout, om de overheid op te roepen om met het zwaard de ware belijdenis te handhaven. Rechtstreeksche critiek dus, van uit het gemeenegratie-theoreem, op art. 36 der belijdenis.

Waarom dan ook in hetzelfde werk, II, 283/4, ten aanzien van het gewichtige punt van „het religieuze en moreele in het civiel bestuur" een expresse paragraaf het opschrift voert: „Regel aan de Gemeene Gratie te ontleenen", en verklaard wordt: „wij mogen in een land van zoo verscheiden overtuiging niet anders vragen, dan wat uit de Gemeene Gratie voortvloeit" (284).

Wij weten wel, dat, wie dit standpunt verwerpt, wordt beschouwd als een fantast, die makkelijk praten heeft. Even makkelijk, als de boetgezant, die goedkoop schelden kan op iedereen, wetende, dat men tóch niet doet wat .hij wil, zoodat hij kan poseeren als de man-van-onverzwakte-trouw tegenover zijn kiezersvolkje, en een verantwoordelijkheid heeft te aanvaarden, want hij wordt toch niet geroepen tot een verantwoordelijke post. Maar deze constructie wijzen we voor onszelf af. Primo, omdat er nog steeds zoo iets is als een „dwaas om Christus' wil", juist bij de wijzen Gods. Secundo, omdat de eisch om kaf en koren samen te laten opgroeien (sumphutoi, staat er zelfs, het moeilijke woord dat we ook uit Romeinen 6 : 5 kennen) door de Schrift zeU ons wordt gesteld. Maar dan juist niet uit een „gemeene gratie" als zelfstandige, progressieve werkingsmacht, doch uit den geopenbaarden wil van God.

We zouden nog kunnen aanhalen uit Kuyper's „Calvinisme". Wö zouden nog kunnen wijzen op Kuyper's „coagulatie"-theorie, die hem slechts handhaafbaar blijkt te schijnen als hij meteen poneert (wat wij ten sterkste ontkennen), dat de consciëntie (art. 3 Program!) krachtens goddelijke ordinantie, en eerst na den zondeval, vanzelf in ons opkomt. Ik geloof dat niet; er was consciëntie, ook voor den val, ook bij Christus, ook in den hemel zal ze er zijn, door toetsing aan wat van Gods spreken ons bekend is (vgl A.R. St., I, 123).

Maar we zouden met meer citaten (uit „Het Calvinisme" en andere werken) te ver uit den koers raken. Drs Bremmer heeft het element, waarop mr Bast terecht den nadruk legt, m.i. zelf reeds aangewezen, toen hij zeide (Ref., nr 34, pag. 1, kol. 2, onderaan) dat volgens Kuyper zijdelings het Woord Gods (der Schriften) verhelderend kan inwerken op de overheid. Maar hij voegt er aan toe, dat volgens Kuyper dat licht in wezen door de gemeene gratie reeds aan de overheden is gegeven. Mijns inziens heeft drs Bremmer daarbij aan Kuyper recht gedaan. Zegt deze niet zelf, in het aangehaalde werk (Ons Progr., 187): dat de A.R. Partij zeer stellig beweert, dat de Staat met den levenden Gtod te rekenen heeft, en dat zij dit beweren grondt NIET op de geopenbaarde, MAAR op de natuurlijke Godskennis (de theologia naturalls), die is op te maken uit wat van God gezien wordt in de schepping; vooral in den mensch; niet het minst ook In het volksorganisme zelf? Wel beweert Kuyper, dat dit de oude gereformeerde opvatting is, doch meermalen gaf ik de gronden reeds aan, waarom ik dit een onjuiste situatieteekening acht. Er is geen natuurlijke godskennis, als men het woord kennis serieus neemt, zooals de term theologia het ook verlangt. Als Kuyper zich hier op Max Muller beroept, dan zeggen wij: liever niet. Toen ik des-

tijds in een gesprek met een hoogleeraar der V.U. de theologia naturalis loochende, ging hij me tegemoet met de bewering, dat die er ook heelemaal niet was, en dat men dit in zijn omgeving ook al lang wist. Nu, dat blijke dan. Ik geloof niet, dat men vandaag in zijn buurt dat overal weet. Maar als Kuyper verklaart, nog steeds op bl. 187, dat de niet-belijdende overheid bevoegd en verplicht is in volstrekten en rechtstreekscheu zin de natuurlijke, msiar NIET de geopenbaarde godskennis als officieel richtsnoer (!) voor zijn (haar) optreden te nemen en (op geheel onjuiste gronden) betoogt, dat er geen orgaan is om met stellige zekerheid in elk gegeven geval uit te maken wat de geopenbaarde godskennis eischt (hetgeen wel waar is, maar meteen de kerkelijke profetie lamlegt, in zooverre Kuyper hier het niet-perfect-kunnen-lezen als grond aanneemt voor het niet-behoeven-te-lezen), dan zeggen we, met Bremmer: hier is de gemeene-gratie het principe der uitglijding. De overheid, zegt Kuyper, 188, heeft rechtstreeks geen andere dan natuurlijke godskennis; en door deze natuurlijke godskennis weet ze, dat er een God is, en dat die God zoo en zoo is, en dit en dat verlangt; kortom, de allang overwonnen idee van „commune noties" en „gemeenschappelijke leerbegrippen" of „-hoofdstukken" wordt met vlag en wimpel weer binnengehaald. Met geen andere conclusie dan die op blz. 189: de Overheid is in de sfeer (!) der natuurlijke godskennis actief, maar in de sfeer (!) der geopenbaarde godskennis passief optredende als dienaresse Gods. Een In dezen passieve dienares. Zeg dus maar: in zooverre een makkelijke prooi voor caesaropapie vandaag en voor doorbraaklieden morgen. Met verwijzing naar Amerika, het land, dat Kuyper reeds in zijn „Preeken" zoo ongeloofelijk bekoort, en dat ook .later telkens weer door hem geprezen wordt, maar dat intusschen met het „natuurlijk licht" en het „natuurrecht" opereert als de meest volleerde remonstrant, die en passant kerk en bijbel den rug toekeerde.

Natuurlijk heeft mr Bast gelijk, als hij zegt^ dat Kuyper zelf wel beleed, waar God zich openbaart. Maar het gaat niet over Kuyper, noch over een belijder, in welke politieke partij dan ook, maar over de overheid in haar „sfeer".

3) Naar mijn meening geeft Kuyper zelf aan, waar het heni om gaat, als hij (bl. 150) beweert, dat „in de vlag van het geloof op het politieke scheepke geen draad, hoe ragfijn ook, van kerkelijk spinsel geweven werd". Hij geeft daarvan een interpretatie op bl. 151: „dat dit woord „geloof" in dit verband allerminst op eenige „kerkelijke confessie" doelt, maar uitsluitend ziet op het vaste besef, dat er eeuwige, onwrikbare, wijl in Gods wil en wezen gegronde rechtsbeginselen zijn, en, daarmee sameuhemgend, op de diepgewortelde overtuiging, dat men de overheid , , gehoorzamen" moet eeniglijk en alleen overmits God Almachtig ons deze gehoorzaamheid oplegt".

Ik geloof dat daaruit blijkt, dat niet voor niets door drs Bremmer daartegenover erop gewezen is, dat „geloof" nooit los te maken is van openbaring. Openbaring.

Dat is wat anders dan , , metaphysische onderstellingen".

Kuyper —• nog steeds in ditzelfde verband — zegt evenwel, bl. 151, dat de vraag, nog wel scherpgeteekend (!) deze is: , , berust het nationa)e leven van ons volk op metaphysische onderstellingen, die God Almachtig leeren, of wel op de zoodanige (de metaphysische onderstellingen dus, K. S.), die God als , , God" in zijn glorie en majesteit naar christelijken zegstrant eeren? "i)

En wat dus de vraag betreft, of niet Gods Woord in dit systeem op den achtergrond wordt geschoven als kenbron, wel, zegt Kuyper zelf niet (187), dat de niet-be-Ifldende overheid bevoegd en verplicht is, in volstrekten en rechtstreekschen zin de natuurlijke, maar niet de geopenbaarde g'odskennis als officieel richtsnoer voor haar optreden te nemen (zie boven) ? Zeker, elders, bl. 222, noemt Kuyper het standpunt van de wet Gods als het standpunt der overheid. Maar —-in één adem laat hij' er op volgen, dat „wet Gods" hier niet bedoeld is als de wet der tien geboden in formeelen zin, maar de „algemeene zedewet" die ook na den val sterk en duideUjk zelfs bij de meest verwilderde volken en bij de meest ontaarde personen spreekt! Hier gelooven we niets van; en het schijnberoep op Rom. 2 : 15 hebben we al herhaaldelijk (met de gronden erbij) afgewezen. Wat is die tekst al hopeloos misbruikt! Kuyper verbergt het niet (223), dat z.i. de overheid wèl voor de natuurlijke, maar (althans rechtstreeks en anders dan door de persoonlijke conscience) niet voor de geopenbaarde godskennis verantwoordelijk is. En 224, zijn „stelling" (!) luidt: de overheid heeft de autoriteit der wet (zie over , , wet" hierboven) te handhaven naar het richtsnoer (!) van de (door hem beweerde, door m.ij scherp ontkende) „algemeene" , , zedewet", en onder verplichting aan de geopenbaarde waarheid slechts in zooverre, als ze zelve die belijdt in de conscientie". Wie zoo'n fictie tot richtsnoer neemt, doet daarmee te kort aan de Schrift als richtsnoer.

Ik geloof dan ook dat hiermee bewezen is, dat Kuyper aan het Woord Gods als kenbron voor de overheid en als richtsnoer te kort doet. Zoo wil hij (231) de Zondagsheiliging afleiden uit de „natuiu-lijke godskennis" (wat ik onmogelijk acht), en beweert hij, onmiddellijk daarop, dat de overheid op de basis van die natuurlijke godskennis staat (terwijl onzerzijds die natuurlijke godskennis een fictie genoemd wordt). Hij spreekt uitdrukkelijk nóg eens uit (231, onderaan), dat hij de overheid "niet plaatst op de basis der bijzondere openbaring.

4) „Twee kanten" ? Daar is veel van aan. Maar, als Kuyper in hoofdstuk 3 („De ordinantiën Gods") zijn bespreking opent met een verhandeling onder den titel: ..Alleen te kennen uit Gods Woord", dan klinkt dat wel ferm en ouwerwetsch, doch, als ge dan vraagt: „WAT Is nu alleen uit Gods Woord te kennen? ", dan is het antwoord NIET: „de beginselen", doch: licht óver de beginselen (99). Er staat dus (zeer consequent, 98) dat kennis der beginselen noch zuiver, noch in vollen omvang te verkrijgen is dan door de studie van Gods Woord èn het onderzoek naar Gods ordjnantiëu (dat is dus weer iets aparts, ook voor wat de kennis der beginselen betreft). M.a.w. er is volgens Kuyper een buiten de Schrift om-, gaande kennis van „beginselen". D, e Schrift bekroont de studie, zuivert ze, en de studie der Schrift laat de vruchten en objecten der studie wel uitdijen, maar, we citeeren het voor den tweeden keer, maar: verreweg de meeste dier ordinantiën kuimen slechts uit de „zaken zelf' worden opgemaakt; voor wat het natuurlijke en stoffelijke leveu van mensch en dier aangaat, is empirisch onder: aoek schier het eenig mogelijke, maar ook bijna altijd voldoende (98). Aldus Kuyper.

Ook dit geloof Ik niet. Wat uit empirisch onderzoek verkregen wordt is geen kennis van beginselen. Nooit en nergens. En werkelijke kennis van heusche „beginselen" is alleen uit de Schrift verkrijgbaar.

Daarom geloof ik, dat Kuyper op het beslissende punt één lijn trekt, en dan een verkeerde.

5) We zijn dankbaar dat mr Bast zich kan aansluiten bij. onze critiek op een o.i. te bestrijden systeem. Wij zijn het met hem eens hierin, dat Kuyper niet moet worden beschuldigd van alles en nog wat; en dat men het oog niet sluiten mag voor eventueel divergeerende lijnen in diens eigen werk. Maar men bedenke, dat, na Kuyper's dood de leerlingen veel verder gegaan zijn dan de meester, en dat vandaag het beslissende woord in de leidende kringen van wie naar Kuyper's naam zich nog openlijk noemen, juist aan diegenen is, die speciaal zijn verkeerde gedachten uitwerken en de betere laten liggen. Dat gaat zoo in betrekking tot het leerstuk van de kerk (kerk als organisme); dat gaat óók zoo in de kwesties der politiek. En het is voor niemand pijnlijker, dit te moeten constateeren, dan juist voor hen. die Kuyper's erfenis naar haar betere bestanddeelen willen helpen bewaren. Zij kunnen dit niet doen, vooral niet temidden van een heirleger-van probleemverwringers, dan door in alle scherpte de fouten bij Kuyper aan te wijzen, daar waaor ze opkomen. Vandaar die soms vermoeiende en altijd pijnlijke operaties.

K. S.


1) Daar hebt ge de kwestie der „beginselen", die ook de V.U. („gereformeerde beginselen") al zooveel hoofdpijn, om niet te zeggen migraine gekost heeft voor niets.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 juli 1950

De Reformatie | 8 Pagina's

lets over Kuyper's opvattingen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 juli 1950

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken