Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De beteekenis van de vrijmaking voor theologie en leven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De beteekenis van de vrijmaking voor theologie en leven

8 minuten leestijd

(XVI)

WAAR LIGT DE GRONDFOUT?

We komen nu tot het opmaken van de rekening. We hebben de gansche conceptie overzien en we komen nu tenslotte voor de laatste critische vragen te staan. We hebben ons thans rekenschap te geven van de vraag of de gratie, waarvan Kuyper sprak en die hij gemeen noemde, metterdaiad gratie, genade, is in den vollen, schriftuurUjken zin des woords. Kan metterdaad uit het feit, dat God den mensch niet terstond wegstootte in de diepten van den eeuwigen dood, maar hem deed voortbestaan, geconcludeerd worden, dat God aan iederen gevallen mens c h genade betoont, zij het dan in den zin van de „gemeene gratie"? Is het waar, dat God bij ieder mensch niet slechts de doorwerking van Zijn toorn afremt, maar ook positief in dien mensch de zonde en het bederf door de zonde stuit? Dat zijn de groote vragen, waarom alles draait. Uit het feit, dat God onmiddellijk na den val de executie van de straf niet voltrok, concludeert Kuyper tot een „gemeenegratie"-gezindheid in God. Maar is dat waar? Kan uit de feiten, los van Gods Woordo p e n b a r i n g , geconcludeerd worden tot Gods gezindheid?

Prof. Greijdanus heeft juist op dit punt een aantal vragen gesteld, die diep in deze conceptie doordringen. Hij heeft gewezen op figuren als Farao en Judas. En hij heeft gevraagd of het soms voor die figuren

genade was, dat zij van God zooveel uitnemende gaven hadden ontvangen. Was het genade voor Farao, dat God hem zoolang spaarde en hem, met vele gaven toegerust, stelde aan het hoofd van het machtig rijk van Egypte? Was het voor Judas genade, dat God hem zoolang spaarde, hem zelfs in aanraking deed komen met Jezus Christus, ja, dat hij zelfs de kracht ontving om wonderen te doen? Neen, zegt Greijdanus, „zonder meer is het geboren worden en kinderen krijgen en goederen ontvangen en tot macht komen en posities innemen en eer verkrijgen en vele genietingen smaken nog niet: enade deelachtig worden. Voor Judas ware het beter, wanneer hij nooit geboren, noch ooit met den Heere in aanraking gekomen ware, Matth. 26 : 24. Het ware voor Farao beter, niet als koningszoon geboren, noch ooit tot koningsmacht gekomen te zijn. Ex. 9 : 16." ^^)

Is het genade, als God de schatten van Zijn schepping ontsluit ook voor de goddeloozen en goed doet van den hemel over rechtvaardigen en onrechtvaardigen? Schoon zien wij deze vraag aan de orde komen in den twee-en-negentigsten Psalm. Daar zegt de dichter, dat een onvemuftig man daar niet van weet en een dwaas het niet verstaat, dat de goddeloozen groeien als het kruid en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in eeuwig­ heid verdelgd worden. O ja, gerekend naar wat voor oogen is, ontvangen de goddeloozen vele goederen van God. Maar wie op hun einde let, besterft het woord genade op de lippen.

Daarom schrijft Greijdanus ook: „We moeten hier voorzichtig zijn met het spreken van genade en gratie, om den zin dezer woorden niet uit te hollen en ze als zonder diepe beteekenis te doen worden. Gratie, kwijtschelding van zondeschuld, ontvangt slechts hij of zij, die Christus als schuldbetaler en Heiland door waar geloof des harten aanneemt Eerst wanneer iets ten eeuwigen leven gedijt, kan er waarlijk worden gesproken van gen ade."^*)

De grondfout in heel deze conceptie is, dat het woord genadï gebiuikt v/ordt voor een zaak, aie naar den zin van de Schriften geen genade is voor ieder, die haar ontvangt. Zeker, het is een feit. God heeft de volle doorwerking van den vloek getemperd, Hij heeft de executie van het eeuwig oordeel opgeschort. Hij heeft onmiddelHjk na den val de geschiedenis van de menschheid geprolongeerd. Maar is dit alles g e-n a d e te noemen ? En dan nog wel een genade, die algemeen is en, die derhalve alle m e n-schen zou raken?

De kritiek op dit punt is onder de Gereformeerden in de latere jaren veelvuldig geweest en wordt heusch niet alleen bij Greijdanus gevonden. Zoo schreef reeds S. J. Popma vóór 1940: „Het materiaal, dat God in deze wereld te bewerken geeft is niet een bewijs van Gods gunstige of ongunstige gezindheid. Het is gegeven als materiaal tot de oorspronkelijke roeping, en ofschoon het ons oproept om God te erkennen, is het als zoodanig niet een bewijs, dat Hij ons erkent als de Zijnen of met een algemeene gezindheid van gunst tot ons komt"*"*).

Popma schreef dit vóór de catastrophe in de Gereformeerd© Kerken .Maar zelfs daarna blijkt de ernst van deze kritiek nog door te dringen tot achter het ijzeren gordijn van de synodocratie. Van Teylingen schrijft tenminste nog na den oorlog in zijn publicatie Cultuur en Christendom: „Kuyper's conceptie doet inderdaad ernstige vragen rijzen. De voornaamste ervan hjken mij deze: Is het woord „gratie" voldoende gerechtvaardigd als aanduiding van die actie van God waardoor Hij de macht en den vloek der zonde tempert, gezien het einde van het groote Babyion der cultuur? En heeft Kuyper altijd duidelijk genoeg deze , ; gemeene gratie" op Christus betrokken? " ^°) Weiaten nu rusten, dat van Teylingen in de laatste vraag weer de verwarring schept, die we reeds eerder bij Ridderbos Jr constateerden, door dat Christus in verband gezet zou moeten worden met een niet-bestaande gemeene gratie. Maar het is wel duidelijk, dat van Teylingen iets gevoeld heeft van het onhoudbare van het gebruik van den term „gratie" in het verband, waarin deze term voortdurend gesteld wordt.

Bovendien is het van belang te zien, hoe achter het bovenbedoelde gordijn de heeren het toch niet geheel met elkaar eens zijn. Tenminste in een noot 14 oefent van Teylingen voorzichtiglijk critiek op de dissertatie van S. J. Ridderbos. Hij merkt op, dat Ridderbos ook de vragen, die hij stelde, behandelt, „zooals ze vooral door Dooyeweerd, de Graaf en Schilder zijn gesteld geworden. Op sommige punten stemt hij, niet zonder aarzeling, met hun kritiek in. Het komt mij voor, zoo zegt van Teyhngen verder, dat deze instemming tot verderreikende consequenties had moeten leiden dan in feite het geval is" ^'). Dat is zeker voorzichtig gezegd. Maar daarom niet minder juist .

Eén van de argumenten, welke zoowel bij Kuyper als zijn epigonen steeds naar voren komt om te blijven handhaven, dat het voortbestaan na den val genade is, is de welbekende redeneering, dat, indien God Adam en Eva naar recht gedaan had, Hij ze onmiddelhjk had moeten verdelgen. Hij heeft dat niet gedaan, maar ze gespaard. Daarom hebben ze al de goederen, die zij en na hen alle menschen, ontvangen, verbeurd. Het is dus, aldus de gedachtengang, dan genade, dat zij die nog ontvangen. Maar ook ijij dit argimient valt de kritische kantteekening te plaatsen, dat dit een hypothese is, die idet rust in de werkeUjkheid van Gods spreken en Gods handelen, ja die strijdt met de werkelijkheid van Gods Raad zelve. Wij kunnen niet redeneeren, alsof God ook wel anders had kunnen handelen dan Hij gedaan heeft. Zijn handelen lag vast in Zijn eeuwigen Raad en naar dien Raad voerde Hij de wereld, ook dwars dóór den val van den mensch heen, naar de door Hem in dien Raad gestelde voleinding.

Zoowel Greijdanus als Schilder hebben, ieder op de hun eigen wijze, met dit argument afgerekend.

„Daarom heeft God, ook, aldus Greijdanus, toen de mensch in zonde viel, mensch en wereld niet door Zijnen toom terstond doen vergaan. Hij was door dien val niet onverwacht teleurgesteld. Zijn plan met de wereld veranderde er niet door. Zijn Raad bleef vast en dezelfde. Hij handhaaft dien raad en dat plan door alle eeuwen en voert het uit-tot het uiterste en volkomene. Daarom zonken Adam en Eva niet terstond bij hun eerste zondigen in het eeuwig verderf. Afgezien daarvan, dat God hen zaligen wilde om Christus' wil, de menschheid moest geboren worden en zich ontwikkelen tot het laatste kind dat geboren zal worden. De wereld moest de vastgestelde ontwikkeling doorloopen tot het einde" °^).

Schilder rekent in een van zijn laatste publicaties dan ook definitief af met deze redeneering. „Men wijst ons, zoo zegt hij, op de zwaarte der zonde en betoogt dan, dat „wij" verdiend hadden, dadelijk na den zondeval te worden geworpen in den „poel van vuur"; dat is niet gebeurd; ergo: genade. Men vergeet dat van dit betoog de eerste volzin niet minder dan f abuleerende is. Indien dadelijk na den val de verwijzing der gevallen menschen naar den „poel des vuurs" geschied ware, dan waren „wij" er niet geweest. Dan waren er twee menschen verdoemd, en meer niet; geen menschheid, dat subject der h y p o t h e t i s c h e oordeelen van zooeven""!').

Daarom ligt achter heel deze conceptie blijvend de

vraag: heeft Kuyper de diepte gepeild van het spreken van de Schrift over Gods genade eenerzijds en over Gods toom anderzijds? Hoewel vwj ten volle willen honoreeren Kuyper's handhaving van het dogma, dat de genade particulier is, toch bMjven wij vragen of hg het dogma der kerk inzake de genade tenslotte toch niet innerlijk uitgehold heeft.


83) Prof. Dr S. Greijdanus, Wezen van het Calviiüsme, Praneker, ISV, pag. 36.

84) A.h.w., pag. 37. Spatiëering van ons.

85) Ds S. J. Popma, Hedendaagsche Vragen aangaande de Algemeene Genade, 1939, pag. 21.

86) E. G. v. Teijlingen, Cultuur en Christendom, z.j., p. 10

87) A.h.w., in noot 14.

88) Prof. Dr S. Greijdanus, a.h.w., pag. 35.

89) Prof. Dr K. Schilder, Christus en Cultuur, Franeker, 1948, pag. 63.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 5 August 1950

De Reformatie | 8 Pagina's

De beteekenis van de vrijmaking voor theologie en leven

Bekijk de hele uitgave van Saturday 5 August 1950

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken