Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gods trouw zal nooit vergaan ook niet in het sacrament

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gods trouw zal nooit vergaan ook niet in het sacrament

9 minuten leestijd

Wat is dan het voorrecht van den Jood, of wat is dan het nut van de besnijdenis? Veel in elk opzicht. In de eerste plaats (toch) wel dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd? Wat toch is het geval? Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hunne ontrouw de trouw Gods te niet doen? Dat zij verre! Rom. 3 : 1—3.

Paulus heeft in hoofdstuk 2 uiteengezet, dat de besnijdenis den Joden, die niet waarlijk in God gelooven, niets baat. Maar als dat zoo is, moet de vraag opkomen: wat beteekent het dan Jood te zijn? Geeft het dan wel wat, brengt het dan wel eenig voordeel aan tot het Joodsche volk te mogen behooren en besneden te zijn?

Op die vraag antwoordt Paulus met groote kracht: Zeker, zeker, dat heeft nut en zelfs velerlei nut! Want dit is het groote, het uitermate belangrijke voorrecht van de Joden, dat aan hen, door God zelf, de woorden Gods zijn toevertrouwd, in bewaring gegeven!

Als men dit leest is men geneigd te vragen: Maar wat is dat voor een verward gepraat van Paulus! Eerst beweert hij: de Joden zijn volkomen gelijk aan de heidenen!" En vlak daarop betoogt hij, dat het Jood-zijn zeer groote voorrechten met zich meebrengt en heel veel nut afwerpt! Strijden die twee uitspraken niet met elkaar? Sluiten ze elkaar niet volkomen uit? Laten we naar Calvijn's explicatie luisteren.

Als Paulus zoo schrijft — aldus diens onderwijs — prijst hij de Joden niet! Die Joden, net als alle andere menschen, zijn niets en hebben niets in zich zelf om zich op te verhoovaardigen. Ze hebben geen enkele verdienste of waardigheid, waardoor ze boven hun medemenschen uitrijzen. Ze zijn in zichzelf volkomen gelijk aan de heidenen.

Neen, wat Paulus in deze woorden doet, is niet 't verheffen der Joden! Dat zij verre. Hij kijkt hier niet naar menschen. Hij let op God en diens groote daden. Wat hij hier doet) is in feite niets anders dan een lof-2!ang aanheffen op de besnijdenis, dus op het sacrament^). Want dat is van GoA. Het is een heilig sacrament. En nu steken de Joden wel boven de heidenen uit. Ja, maar alleen als dragers van het sacrament! God gaf hun het teeken der besnijdenis. Daarmee zijn alle afstammelingen van Israël gemerkt, opdat ze voor kinderen Gods gehouden zouden worden. Kort gezegd: De Joden zijn aan alle andere menschen volkomen gelijk als men den mensch in hen aanschouwt. Maar als men Gods weldaden overweegt, hebben zij iets waardoor ze boven de andere volken in het oog vallen^).

PauTus werkt de gedachte omtrent het op deze wijze uitblinken van de Joden boven de heidenen nog wat nader uit, wanneer hij betoogt, dat het voordeel van het Jood-zijn voornamelijk hierin bestaat, dat aan de Joden de woorden Gods zijn toevertrouwd. Volgens Calvijn blijkt uit deze woorden, dat de nuttigheid der besnijdenis door hem niet in het naakte teeken wordt gezocht, maar dat hij de waarde van de besnijdenis in het daarin verzegelde woord zoekt en de waarde ervan daarnaar afmeet. De besnijdenis is daarom! een voordeel voor de Joden, omdat God daarin en daardoor den „schat der hemelsche wijsheid bij hen in bewaring heeft gegeven ^). Als Gods Woord uit het sacrament verwijderd zou worden, blijft er geen greintje van zijn uitnemendheid over!

Wat zijn nu evenwel deze „woorden", welke God in de besnijdenis als een schat aan de Joden in bewaring gaf? Calvijn antwoordt kort en krachtig: Paulus duidt met deze woorden het verbond aan, dat eerst aan Abraham en zijn nakomelingen van Godswege werd geopenbaard en daarna door de wet en de profetieën bekrachtigd en verklaard werd"*).

Wanneer men nu met zooveel kracht betoogt, dat aan de Joden de woorden Gods, het verbond Gods, in de besnijdenis is toevertrouwd, moet met onweerstaanbaren drang deze vraag opkomen: maar hoe is het dan te verstaan, dat zoo ontzaglijk veel Joden afvallig zijn geworden? Met deze vraag houdt Paulus zich nu in de eerste verzen van Rom. 3 bezig. Daarmee is hij daarin zelfs in de éérste plaats bezig. Deze vraag is het hoofdthema van zijn onderwijs hier.

Men voelt onmiddellijk den ernst van deze vraag. God gaf zélf „zijn verbond en zijn woorden" in de besnijdenis aan het volk Israël. Hij heeft om zoo te zeggen alle Israëlieten met eigen hand besneden. Maar nu is de overgroote massa van Abraham's kinderen afgevallen ? Hoe kan dat nu ? Is Gods verbondswoord dan niet echt, waarachtig ernstig gemeend? Wat.be-

teekenen woord en sacrament als aan het ontvangen ervan niet steeds en zonder uitzondering de zaligheid verbonden is? Is God dan ontrouw aan Zijn Woord? Geeft Hij niet wat Hij beloofde?

Woord? Geeft Hij niet wat Hij beloofde? Of is het soms zóó, dat Gods verbond en belofte, zooals deze in het sacrament worden aangeboden en gegeven naarhunvolleni nhoud niet aan alle kinderen van Abraham worden geschonken? Zeker allen ontvingen wél het uiterlijke teeken! Maar ontvangen ook allen de daarin verzegelde belofte? Kwam die misschien alleen aan Abraham's zaad als een organisch geheel toe? Was die in laatster instantie soms alleen voor de uitverkoren leden van Abrahams geslacht ? En niet voor allen en een iegelijk daarvan?

iegelijk daarvan? Welk antwoord geeft nu Paulus op deze door hem zelf opgeworpen vraag?

De ontrouw van zoo velen — aldus zijn kort en laconiek antwoord — doet Gods nietteniet! trouw

Wat beteekenen deze woorden?

Laten we weer naar Calvijn luisteren.

Hij zegt dit: Mooals Paulus den Joden die op het naakte teeken — die beteekenislooze en krachtelooze „schaduw" van de echte besnijdenis — pochten geen greintjei roem Iaat overhouden, zoo betuigt hij nu, nu hij het „wezen", de „natuur", van het besnijdenisteeken beschouwt, dat de kracht daarvan do or de ij delheid der Joden in geen e hkel opzicht wordt vernietigd^). Wat die Joden ook mogen zijn en doen, ze kunnen aan het wezen, de kracht, de echtheid, de krachtdadigh e id van het hun gegeven sacrament geen zier veranderen !

Het gaat dus in dit paulinische woord over Gods trouw, welke de ontrouw der afvallige Joden niet kan te niet doen, over de b e s n ij d e n i s, over het sacrament. Daarin kwam immers Gods trouw op zeer concrete wijze naar de menschen toe. Daarin kreeg die trouw om zoo te zeggen een zichtbare gestalte. Daarin werd ze brood, wijn, water. En daarin moet ze nu ook bij den voortduur blijken.

En nu betuigt en bezweert Paulus, volgens Calvijn, dat deze in dé sacramenten a.h.w. gekristalliseerde trouw altijd volkomen ongerept en onbewegelijk blijft. En wel op tweeërlei manier, in tweeërlei opzicht.

Vooreerst zóó, dat de besnijdenis, dus het sacrament, altijd zijn kracht behoudt. Dat het steeds en altijd en voor ieder die. het ontvangt van denzelfden i n - houd, kracht, r ij k d o m is en blijft. De ongeloovigheid, de boosheid der menschen kan wél bewerken en bewerkt ook altijd, dat dat sacrament geen heilzaam effect heeft, dat het niet ter zaligheid gedijt!'') Dat geschiedt altijd bij de „verbondsbrekers". Maar nog eens: het goddelooze gedrag van deze ondankbaren kan Gods sacrament, dat is dus Gods trouw nooit wezenlijk aantasten en krenken. Het sacrament blijft in zich zelf altijd ongeschonden, volkomen, wat zulke ellendelingen er ook mee mogen doen. En daarin blinkt Gods trouw heerlijk uit!

Maar die in de sacramenten geconcretiseerde — en als het ware gecondenseerde — trouw Gods treedt, ook nog op andere wijze heerlijk aan het licht''). Zeker, het is waar: het niet-tot-goede-uitwerkingr komen van de sacramenten, het geen zaligmakende vrucht voortbrengen daarvan, is bij de overgroote massa van het bondsvolk een droevige en verschrikkelijke werkelijkheid. Maar dat kwaad krijgt toch nooit een zóó grooten omvang, dat er geen trouwe kinderen Gods meer overblijven. De Heere zorgt altijd, dat er op zijn minst „een overblijfsel" is, waarin de zaligmakende kracht zijner sacramenten heerlijk openbaar wordt. Al verbreekt dan ook de groote meerderheid van het bondsvolk het verbond, toch zorgt de Heere steeds dat er dat overblii'fsel naar de verkiezing er i% ; Hij zorgt er dus voor dat ook zoo het verbond zijn krachtdadigheid behoudt en dat het dus in zgn volk zijn kracht blijft uitoefenen ter zaligheid. En die kracht bestaat hierin, dat de genade des HEEREN en de zegening-ten-eeuwigen leven hun kracht onder hen uitoefent ^).

Ten slotte beschrijft Calvijn ook nog op welke w ij z e de kracht der sacramenten in de uitverkorenen ter zaligheid openbaar wordt. Dit geschiedt steeds, maar ook alleen daar, waar de belofte welke in het sacraxtient verzegeld en gegeven werd, door het geloof wordt aangenomen en zoo het wederkeerige verbond van beide zijden — dus van Gods zijde én van des menschen zijde —• wordt bevestigd^).

Samenvattende vinden we hier dus de volgende leer. Ie. Gods trouw, zooals die in zijn woord en sacrament concrete gestalte kreeg en zoo in het leven der bondelingen optreedt, wordt door de ontrouw der menschen nooit te niet gedaan.

2e. Dit beteekent in de eerste plaats, dat Gods sacrament altijd zijn wezen en kracht behoudt, hoe de ontvangers daarvan ook zondigen en zoo Gods verbond verbreken en verachten.

3e. Dit beteekent in de tweede plaats, dat God ook temidden van den grootsten afval en verbondsbreuk een overbUjfsel-naar-de-verkiezing in stand houdt, waarin het sacrament zijn kracht ter zaligheid heerlijk openbaart.

4e. Dit heilzame effect ontvangen de sacramenten — en dat wil natuurlijk ook zeggen: de in de sacramenten verzegelde belofte — alleen wanneer zij door het geloof worden ontvangen en zoo het wederkeerige ver­ bond van beide zijden bevestigd wordt.


1) Hic Inciplt suam sacramento laudem tribuere.

2) Si ergo in homines respicltur, pares aliis esse demonstrat: si Del beneficia considerentur, in illis habere docet quo sint prae aliis populis consplcui.

3) Deus coelestls sapientlae thesauros apud eos deposuerlt.

4) Oraculo vocat foedus, quod Abrahae primo, ejus que posteris divlnitus revelatum, postea lege et prophetlls consignatum ac expUcatum fuit.

5) Quem admodum prlus, dum Judaeos intuebatur nudo signo exsultantes, ne sclntlUam quidem gloriae ilUs permittebat: ita nunc, dum slgni naturam considerat, ne lUorum vanitate abolere elus virtutem testatur.

6) Irritum et Inefficax reddere.

7) Tractat enim Paulus, non tantum an horainum Incredulitas obstet Del verltati, quo minus firma in se aó stabilis maneat: sed an illius effectum ac complementum int'-'-homines ispos impediat.

8) Vis autem est, ut Domini gratia et in aeternüinaalutem benedlctio inter eos vlgeat.

8) ld autem esse non potest nisi ubl fide promlsslo repetitur, atque Ita confirmatur utrinque mutuum foedus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 december 1950

De Reformatie | 8 Pagina's

Gods trouw zal nooit vergaan ook niet in het sacrament

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 december 1950

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken