Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De betere vraag (Inzake „Amerika

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De betere vraag (Inzake „Amerika")

12 minuten leestijd

In aansluiting aan wat verleden week gezegd werd, merken we nu op: als iemand zich aanmeldt voor het lidmaatschap der kerk, en hij geeft, daartoe uitgènoodigd, te kennen wat hij denkt over „God en goddelijke zaken", dan moet ge hem niet vragen: goeie man, wat gij daar zegt, staat dat met zooveel woorden letterlijk zóó in de confessie ? , doch — beste of niet beste broeder, of misschien heelemaal geen broeder: strijdt dat met de confessie? Als het een „hannes" is, die alleen maar napraat, of, die, wat nog erger is, op-alle vragen ja-knikt, denkende: die kwesties, waarnaar ze me vragen, zijn „theologen - zaakjes", dan zal hij geen zoden aan uw kerkdijk zetten. Is hij een ander man, geen „hannes", maar een „kerel", die wat hééft, kijk dan goed toe, en voel hem aan den tand; hij wordt óf een goede aanwinst, of een groot gevaar. Voel hem dus gerust aan den tand. Maar vraag hem niet, of zijn in eigen woorden geformuleerd gevoelen in de confessie staat. Vraag slechts, of het zich ermee v e r b i n d e n laat, of 't niet e r t e g e n in-gaat. Misschien heeft hij wat nieuws, dat u kan helpen, of tot scherper denken kan verlokken. Misschien ook heeft hij heelemaal niet wat nieuws, doch alleen maar een scherpere formuleering van het oude.

Neem b.v. ons zelf. We hebben enkele weken geleden (nr. 6, 11 Nov. 1950) er eenig bezwaar tegen Ingebracht, dat men, anno 1950, in een nieuwe, en dan extra bindende formule, zou uitspreken, dat de verkiezing de eenige OORZAAK of bron van al ons heil zou worden genoemd; zoo genoemd, nog eens, in een, tegenover vermeende, of werkeUjke dwalingen van tijdgenooten, opnieuw vastgestelde formule, die de pretentie voeren zou, door scherpere formuleering nieuwe of herleefde dwalingen af te snijden. Men zou kunnen vragen: maar is dat bezwaar niet denkbeeldig ? Staat niet ook in de Dordtsche Leerregels, I, 9, dat de verkiezing is de FONTEIN van alle zaligmakend goed? En dat vandaar (unde) [dat kan dus zijn a) die „bron", of b) dat zaligmakend goed, of c) het feit, dat de verkiezing fontein van dat zaligmakend goed is] geloof, en heiligheid, en eeuwig leven als VRUCHTEN vloeien?

Zeker, het staat er ook; en ik heb daarom dadelijk gezegd, dat wde de uitdrukking-van-zooeven gebruikt. door ons niet zal worden lastig gevallen om dat gebruik zelf. Evenmin als Calvijn, die de verkiezing fundament èn eerste oorzaak noemt, CR. 51, 1-47, hoewel hij natuurlijk weet, en elders zegt, dat een fundament, scherp gezien, wat anders is dan een oorzaak : ook Calvijn kan de Sorbonne wel aan.

Maar, als men gaat BINDEN, en VERSCHERPEN, en op een verscherpte uitdrukking de menschen vastleggen in een nieuwe binding, dan zeggen we: pardon, er staat „fontei n". En „fontein", of „bron" (fons) beteekent, als men nu eenmaal op scherpere onderscheiding uit is, heel vaak welbewust iets anders dan , , oorzaak". Sla maar eens Gomarus (om uit de tientallen er één, en dan niet den zwaksten broeder, te nemen) op, in het register op zijn werken, inzake het begrip „causa" („oorzaak"). Ge zult zien, dat hij, als het op de nadere onderscheiding aankomc, van „causa" eenige zeer onderscheiden beteekenissen opgeeft. Beteekenissen, die soms heelemaal niets meer te maken hebben met het begrip „oorzaak", zoo, als b.v. in de leer van de causaliteit, het wordt aangewend 1).

Dat beteekent dus: ik heb niets tegen het woord „fontein", en zélfs niet tegen het overigens niet in de belijdenis van Dordt op deze plaats aangetroffen woord „oorzaak", zoo lang men mij laat zeggen, wat ik, nauwkeuriger gesproken, eronder verstaan wil hebben; dan zal daaruit moeten büjken, of ik met den INHOUD der belijdenis overeenstem.

Maar men moet mij niet in een nadere uitspraak met scherpere binding op het wóórd, den term,

„oorzaak" vastleggen; want dan kan het zijn, dat hij die het gebruikt, het verkeerd opvat, en dan strijdt met den INHOUD der belijdenis; èn, dat wie het afwijst, juist daarmee den inhoud der confessie scherper veilig stelt tegen misvatting van later tijd.

Dit is maar een voorbeeld, dat ik expres even noem, omdat een belangstellend en gewaardeerd broeder meerover aansprak. Als Calvijn van God als „fons" spreekt, zet ik, zoolang hij losweg spreekt, mijn naam eronder. Als Plotinus het doet, zeg ik, mèt Calvijn: dank u wel, dat teeken ik nooit.

Zoo kan het ook hier zijn.

Het is niet goed, elkaar op een WOORD te vatten, in nadere formulierenbinding. Het is alleen goed, te vragen, of een woord, dat een tijdgenoot gebruikt, goed uitgelegd, zich laat verbinden met de oude belijdenis als formulier-van-eenigh e i d. Want anders jagen we de kerk, die God vergadert, met theologen stokken uit elkaar. Dat is gauwer gedaan, dan men zelf wil. Zie maar de misère van Kalamazoo 1924, en van Utrecht 1944.

Een klein symptoom van de aanwezigheid van dit gevaar —; -lees niet meer in mijn woorden, dan er in staat — zie ik daar, waar coU. Hoeksema zeg^t: die voorrede van de Statenvertaling kwam NA de dordtsche synode, maar Jiet is wèl meer gebeurd, dat NA een goeie synode er afval kwarn; het argument zegt mij — Hoeksema — dus niets. Wil coll. Hoeksema het hebben, dan zal ik hem bewijzen, dat óók al in de Schriftelijke Conferentie, dus vóór de dordtsche synode, er van voorwaarden in het verbond door de gereformeerde partij gesproken is. Wil hij het hebben, dan zal ik hem aantoonen, dat ook in de Acta der dordtsche synode zelf van voorwaarden h e r - haaldelijk gesproken is. En dat daar fel tégen élke conditie-leer gevochten is, zoovaak men conditie opvatte in REMONSTRANTSCHÉN zin (nl. zoo, dat geloof en bekeering tot grond, of bewegende en laatste of „eerste" oorzaak van de zaligheid of de verkiezing genomen worden; of ook, zóó, dat God afhankelijk gemaakt wordt van den met vrijen wil toegerusten mensch, op wien God netjes wachten moet, „kijkende", of hij wel zoo vriendelijk wil zijn, te gelooven). Maar ook, dat in die Acta even gerust, en welgemoed, en vroolijk, gesproken is vóór eèn gereformeerde conditieleer, nl. zóó, dat God het ééne niet geeft zonder het andere, terwijl Hij intusschen zoowel van het ééne als het andere de fontein is, de genadige Beschikker en Schenker. Dat hangt dan weer samen met het feit, dat Hij mij a a n s p r e e k t, zonder voorspellingen te doen aangaande mijn toekomst, maar des te meer mij aan zijn beloften bindt, welke nooit zonder eisch tot mij komen.

Vandaar dan ook, dat eenerzijds Dordtsche Leerregels, I, 9, veroordeelen elke opvatting, dat de verkiezing zou geschied zijn UIT voorafgezien geloof, of geloofsgehoorzaamheid, of een andere hoedanigheid, die een vooruitgeziene (!) OORZAAK OF CONDITIE zou zijn, vooraf gevorderd in den nog te-verkiezen mensch (eligendo, gerundivum). Terwijl anderzijds d a a r n a a s t, I, 10, beleden v/ordt, dat de causa (binnen Gods eigen diepten) der verkiezing (dat besluit) Zijn welbehagen is; en dat zij niet daarin bestaat, dat God uit alle „mogelijke" condities (nominalistisch!) bepaalde kwaliteiten of handelingen van den mensch heeft VER­ KOREN (uitgezocht) tot een CONDITIE van de zaligheid. Daar gaat het over Gods besluit; en dat besluit is VRIJ, volkomen v r ij. Hij kiest, en verwerpt, zonder aan iets gebonden te zijn. Hij verkiest onvoorwaardelijk, en HIJ VERWERPT OOK onvoorwaardelijk. Misschien wordt in de hitte van den ' m.i. vrij machteloos door sonunigen gevoerden strijd dit laatste voorbij gezien.

Maar dezelfde belijdenis zegt óók, dat de b e 1 ó f - te (!) komt MET (cum) het BEVEL van geloof en bekeering.

Van de verkiezing, die v e r b o r g e n is, en onvoorwaardelijk, volkomen vrij, stappen we hier óver op het SPREKEN en AANSPREKEN Gods; daarin gaat Hij óns nu teekenen, w a a r t ó e HIJ ons verkoren heeft, en w e 1 k e de WEG is, waarlangs de verkorene komt tot, en verzekerd wordt van: de zaligheid. Het is Gods VRIJHEID, dat Hij de B niet geeft zonder de A, en de C niet zonder de B, en de D niet zonder de C. Maar NU Hij eenmaal die volgorde stelde tusschen A, B, C, D, enz., nu zijn WIJ daaraan gebonden, met eerbiedige erkenning overigens, dat Hij nóg vrij blijft, b.v. ten aanzien van de kleine kinderen, die Hij wegneemt naar zijn raad, eer ze een A van een B eii een-B van een C en een C van een D kunnen onderscheiden.

Het is b.v. ZIJN vrije wil geweest, dat een man die trouwen wil, niet maar mag, doch MOET zeggen: ik word geen vader van een kind, tenzij er een vrouw is, die moeder ervan worden wil; want die VOORWAAR­ DE stelde God mij, en Hij. beloofde Adam vermenigvuldiging van zijn geslacht o n d e r deze VOORWAARDE. Bindt die man nu God in zijn vrijheid? Geen sprake van; als hij gereformeerd is, weet hij, dat God machtig is, uit Maria een zoon te roepen, die geen „vader" heeft, en uit s t e e n e n kinderen te verwekken; of Hij nu „s t o f" neemt van den prlllen paradijsgrond, dan wel „steenen" van bij den Jordaan, — Hij IS vrij, ik mag niet zeggen, dat Hij In zijn KEUS, en in ZIJN keus. aan eenige conditie gebonden is in het produceeren van menschen. Christus wist in de woestijn óók wel, dat God uit steenen kinderen kon verwekken, èn uit steenen brood. De duivel zegt dan ook tot Hem: doe het toch, dat is toch goeie, orthodoxe theologie, dat God VRIJ is, onvoorwaardelijk kan doen wat Hij wil? Maar Christus zei tot Satan: zeker, HIJ is vrij, maar IK NIET! Hij heeft Mij als knechtelijken mensch gezegd: de mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle parool, d.w.z. alle telkens en telkens weer als „bijkomende", en voor menschen GESTELDE voorwaarde van een den zegen, en de voedingskracht b e-velend machtsbevel van God.

En zóó staat het óók hier.

Dezelfde Dordtsche Leerregels, die van een uit „m o-g e 1 ij k e" voorwaarden gekozen voorwaarde tot zaligheid als GEKOZEN uit een MOGELIJKHEDEN-REEKS, die Grod zou binden, geen zier wil weten (I, 10), heeft toch erkend, dat God in vrijheid bepaalde, dat er ordinaarlijk, d.w.z. bij opgroeiende menschen, geen zaligheid zal komen zonder voorafgaand geloof, een vrucht van zijn verkiezing (I, 12). Die vruchten zijn AANGEWEZEN („gedesigneerd") in het geopenbaarde Woord (I, 12). Daarin KOMT de belofte met bevel.

Niet daarvóór, zoodat het bevel komt sukkelen. achteraan

komt sukkelen. Niet da a r n a, zoodat de belofte achteraan komt

hinken. Doch daarMEE, zoodat die beide als een eenheid op me af komen marcheeren, recht op den man af. Alleen i n de eenheid van die twee, onafscheidelijk verbonden, heb ik mijn God ontmoet, en geen abstraheerenden „theoloog". Zóó dat ik dat weten kan. Want Hij ZEI me: zóó kom Ik sprekend op u af; belofte MET bevel, bevel MET belofte (II, 5).

Binnen den kring dus van Gods SPREKEN is het beloofde GOED gebonden aan de v o o r w a a r d e van aanvaarding van het goed.

Is dat Remonstrantsch ? Nonsens.

Want óók die aanvaarding is weer g e-géven; ook zij is inhoud der belofte. Is het remonstrantsch, te zeggen: ik krijg een horloge, op voorwaarde, dat ik geen stelletje raadjes en schroefjes en veertjes in handen krijg?

Voorwaarde voor een ding is, dat het niet in deelen of fragmenten gescheiden is. Voorwaarde voor den avond is, dat het morgen zal zijn geweest. Voorwaarde voor de zaligheid is de zaligheid van mijn geloof. Voorwaarde voor A is A. Voorwaarde voor alles al wat in dat alles opgesloten ligt.

Dus: géén verdienende conditie (I, 9).

En géén een uit een aanwezige mogelijkhedenreeks, waaraan God gebonden zou wezen, door Hem dan maar gekozen conditie (I, 10).

En g é én gepraerequireerde. God bindende conditie (I, V. d. D., 4) (idem 5) (I, 9).

En géén veranderde conditie (I, V. d. D., 7). En géén contingente conditie (I, V. d. D., 7).

Maar wèl: een gedesigneerde conditie (I, 12; II, 5), w a a r a a n ik mij te houden heb, zooals Christus in de woestijn, zooals die man die vader worden wil naar de nu eenmaal door God vrij daartoe gestelde ordinantie.

Zooals de bijbel zegt: die Mij eeren, I k e e r e n. zal

Het is nóg kleiner kunstje te zeggen: Heynsiaansch. strantsch.

Het is nóg klein kunstje te zeggen: Heynsiaansch.

Maar het is doodgewoon bijbelsch, al weet ik, dat iedere r e m o n s t r a n t s c h e dominee over dien tekst met genoegen zal w i l l e n preeken. HET KOMT DAN JUIST OP DE NADERE ONDERSCHEIDING AAN.

Pas op, zou ik allen en mijzelf willen raden, dat ge u niet vastbijt in eenige „theologie". Er is geen vr ij gemaakte theologie, er is ook geen protestantsche, gereformeerde theologie, al spreekt een classis daarvan, ik begrijp niet, met welke vrijmoedigheid.

Vraag mij: of wat ik zeg, met de belijdenis s t r ij d t. Vraag me niet, of wat ik zeg, er met zooveel woorden in staat. Ik neem aan te bewijzen, dat heel wat in The Standard Bearer, precies zooals in mijn eigen boeken, te lezen valt, dat niét staat in de bel ij denis. Maar dat toch goed gereformeerd is. En dus in den grond, zakelijk, er wel degelijk in staat. Gehjk die g e r e f o r m e e r d e voorwaardenleer zakelijk er heusch in staat.


1) Causa notat vel argumentum et rationem probationis: quae causa consequentiae; vel argumentum essentiale, eujus vi res est, nempe efficlens, materia, forma, finis. Dat is al heel wat aan mogelijkheden. Verder gaan we: causa e efficlens (!), die zelfs, metaphorice pro occasione rei antscedente (denk aan de leer van de aphormai, of occasiones, in den strijd over het supralapsarisme!); causa impulsiva est vel efficlens, quae synecdochice causa impulsiya dicitur, vel finalis. Causa per accidens accipitur proprle, cura praeter intentionem efficientis aliquod ab eo fit, improprie, per metath. pro occasione tantum antecedente.'

Causa per accidens dissidiorum, excaecationis non recte dicitur Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 januari 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

De betere vraag (Inzake „Amerika

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 januari 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken