Bekijk het origineel

De kwestie van het evangelisten-ambt

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De kwestie van het evangelisten-ambt

7. DE EVANGELIST IN KERK EN PERS. (Vervolg).

6 minuten leestijd

§ 7. DE EVANGELIST IN KERK EN PERS. (Vervolg).

(XXI)

Een overzicht werd gegeven tot de Synode van Middelburg 1896.

e. Kerkelijk werd de zaak dus in 1896b e-slist, doch daarna is in geschrift en blad de discussie over den evangelist voortgezet. Dr P. A. E. Sillevis Smitt heeft in zijn dissertatie over „De organisatie van de chr. kerk in den apostolischen tijd" (1910) zich als volgt verklaard inzake de evangelisten: „Hun ambt was niet blijvend, maar extraordinair en transitoir" (buitengewoon en voorbijgaand; bl..l38). Waarom zulks het geval is wordt niet nader aangewezen.

Prof. H. Bavinck had in den eersten druk van zijn Geref. Dogmatiek, deel 4, bl. 67 (in het jaar 1901) onder meer het volgende geboden: de hulpzendelingen der apostelen heeten wel evangelisten; zij komen in drie opzichten met de apostelen in enger zin overeen: „Ie daarin, dat zij ook dienaren Gods of van Christus zijn, en niet maar een charisma hebben ontvangen, doch werkelijk krachtens een bijzondere roeping en aanstelling een ambt dragen, onder een bepaalden naam, met een eigen rang en plaats en met 'een speciale taak, .-.....; 2e dat hun ambt niet tot een plaatseUjke kerk beperkt is, maar zich uitstrekt tot alle kerken, tot de ecclesia universalis, zoodat zij naar de oudkerkelijke verklaring pantachou periiontes ekèrutton (overal rondtrekkend predikten) en macht en gezag hadden over alle kerken ; 3e dat zij deelnemen aan den grondleggenden en gemeentestichtenden arbeid der apostelen In den na-apostolischen tijd verdwijnt het ambt geheel en wordt de naam sedert TertuUianus, Origenes en Eusebius gebruikelijk voor de schrijvers der vier evangeliën, die als het ware de personen der evangelisten overbodig maken".

Dat alles bleef gehandhaafd tot in den vierden druk van deze dogmatiek (deel 4, bl. 316/17; 1930).

In 1912 ontspon er zich een debat over den evangelist tusschen Ds K. v. Dij k, toen missionair predikant te Keboemen, en Prof. Sillevis Smitt, in het Geref. Theol. Tijdschrift. Ds Van Dijk verdedigde het evangelistenambt voor heden. Prof. Sillevis Smitt bestreed dat. Later heeft Ds Van Dijk nog in De Macedoniër met DrB. J. Esser erover gediscussieerd. Prof. Sillevis Smitt bestreed Ds Van Dijk vooral met het argument, dat het evangelistenambt gebonden was aan het apostolische tijdvak, aan de apostelen zelf en daarom maar tijdelijk was. De Heraut, no. 1798, 1912, maande aan om geen twistpunt op te werpen, daar Prof. Sillevis Smitt Ds Van Dijk afdoende had weerlegd, en nu moest Ds Van Dijk zich laten overtuigen (!); (zie ook meerderheidsrapport, bl. 3, waar dit alles wordt gereleveerd onder b. De kerkelijke pers).

Prof. H. Bouwman (Geref. Kerkrecht, deel 1, bl. 354; 1928) meent eveneens, dat evangelist, geen blijvende functie was, en voegt eraan toe, dat in het oog gehouden moet worden, dat ze „niet zoozeer ambtsdragers waren, maar charismatici, die óf vrijwillig, óf volgens opdracht het evangelie verkondigden". „Evangelist" als naam voor de missionarissen zou ook misverstand kweeken, daar die naam in gebruik is voor opwekkingspredikers enz. Hij citeert Wameck (Evang. Missionslehre, bl. 20): „De missionaris is meer dan evangelist; hij is ook leeraar, bijbelvertaler, uitdeeler der sacramenten, organisator der gemeenten enz.". En voegt er aan toe: „Wel is heden ten dage elke missionaris een evangelist, maar niet elke evangelist een missionaris. In elk geval was de evangelist, zooals wij hem in het N. Testament zien, geen ambtsdrager in een plaatselijke kerk, maar tijdelijk ergens werkzaam om het evangelie te verkondigen, of om de pas gestichte gemeente te sterken en te ordenen" (bl. 354).

Prof. A. G. Honig (Handboek der Geref. Dogmatiek, 1938, bl. 742) sluit zich aan bij Calvijn: „Het is een tijdelijk, een extra-ordinair ambt, dat in welgestelde kerken geen plaats vindt, masir in de dagen van de planting en de reformatie der kerk noodig is (Inst. rv, 34)". — Dit citsiat luidt even anders dan de vertaling van Prof. Sizoo en den Latijnschen tekst. Inst. IV, 34 zal drukfout zijn voor: Inst. TV, 3, 4. — Prof. Honig voegt nog toe: „De Nederlandsche Gereformeerde Canonici {= kerkrechtelijke geleerden) hebben zich met deze opvatting vereenigd".

f. Daartegenover staan ook andere uitingen. Het meerderheidsrapport citeert in een bijlage op bl. 15 Ds J. van Andel in diens uitlegging van den brief aan de Efeziërs (uitgegeven bij D. Donner, Leiden, 1894). Deze schreef bij 4:11: De beide genoemde diensten (apostelen en profeten, Fr.) hebben met elkander gemeen, dat zij buitengewoon en voorbijgaande zijn. Van de twee laatstgemelde diensten, die van den evangelist en die van den herder en leeraar, laat zich het tegengestelde zeggen. Zij zijn gewoon en blijvend. Beide beantwoorden aan de eerstgenoemden. In den evangeli.st vindt men iets van den apostel, in den herder en leeraar iets van den profeet terug. De evangelist is de zendeling; zijn werk is het om het evangelie te prediken aan hen, die nog niet geroepen zijn, de geloovigen te vergaderen, de gemeente onder ouderlingen te stellen, en zoolang er uit haar midden nog geene leiders der kudde gevonden kunnen worden, zelve zich met hare leiding te belasten".

Dr R. Schippers heeft bij zijn promotie in 1938 aan zijn proefschrift over „Getuigen van Jezus Christus in het Nieuwe Testament" als dertiende stelling toegevoegd: „B ij de a. s. revisie van de Zendingsorde der Geref. Kerken worde er rekening mee gehouden, dat Christus voor de vervulling van de zendingsroeping der, kerk haar een speciaal ambt, naast dat van de dienaren des Woord s, gegeven heef t". We hebben nergens een nadere toelichting van zijn hand kunnen vinden, doch de tekst van die stelling wijst o.i. duidelijk in de richting van het evangelistenambt.

In 1949 gaf Ds K. Doornbos (Wormer) een brochure „Zending naar Geref. beginselen" en daarin handelt het eerste hoofdstukje al dadelijk over „het ambt van de gezondene" (bl. 3—10). Hij bespreekt een drietal bezwaren tegen de erkenning van het evangelistenambt, doch komt tot de conclusie, dat dit ambt recht van bestaan heeft zoolang er nog kerken te planten zijn.

En hiermee willen wij ons overzicht besluiten. Wij beperkten ons tot gereformeerde schrijvers, daar anders te veel stof naar voren gebracht moest worden. En daaraan hebben we niet zooveel.

Als we het geheel overzien, dan blijkt, dat niemand ontkent, dat de evangelist in den apostolischen t ij deen ambtsdrager was met een eigen speciale a m b t s t a a k . Sommigen leggen daarbij echter wel nadruk op het buitengewone door op het charismatische te wijzen, om zoodoende dat ambt als een bijzondere genadegave aan te merken. Waaruit dan de redeneering volgt bij sommigen, dat het meer een charismatische werkzaamheid dan een ambt is geweest. Doch ofschoon den evangelist als ambtsdrager erkennend voor den apostolischen tijd, wil men hem nu niet meer en dat op onderscheiden gronden, waarover wij nu nog in het kort handelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 31 maart 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

De kwestie van het evangelisten-ambt

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 31 maart 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken