Bekijk het origineel

Het wederom erkennen van den ambtelijken dienst van den evangelist

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het wederom erkennen van den ambtelijken dienst van den evangelist

14 minuten leestijd

Het meerderlieidsrapport van zendingsdeputaten zegt, dat de kerken naar de Schriften zullen handelen, indien zij wederom erkennen den ambtelijken dienst van „evangelist" als evangelieprediker en kerkplanter onder de volken, die nog van het Evangelie verstoken zijn, en dat de kerken in haar papieren (kerkenordening, bevestigingsformulieren, eventueel hare confessie) deze erkenning vastleggen en concretiseeren (bl. 13).

Daartegenover staat dan de minderheidsnota, welke het tegendeel adviseert.

We geven een resumé van de gronden, welke ^sinds den reformatietijd tegen de erkenning zijn aangevoerd, met een korte weerlegging.

1. Als argument tegen de erkenning van het evangelistenambt voert men wel aan, dat de Schrift er ons zoo weinig van zegt, zoodat we te weinig gegevens zouden hebben.

We hebben echter eerder gezien, dat er omtrent de evangelisten heel wat uit de Schrift valt samen te lezen. Omtrent den evangelist v.eel meer dan omtrent den diaken! Ook van de ouderlingen en de herders en leeraars en hun werk weten wij zeker niet méér dan omtrent den evangelist. En wat ons omtrent den evangelist, zijn bevestiging, bevoegdheid en ambtswerk wordt meegedeeld is ruim voldoende om het eigene van dat evangelistenambt duidelijk voor oogen te hebben.

2. Verder voert men tegen de erkenning wel aan, dat het evangelistenambt zeer nauw met het apostelambt is yerbonden en dat alleen de apostelen, als ze nog leefden, het zouden kunnen instellen. (Voetius, Kuyper, Synode 1896, Sillevis Smitt en anderen.)

Er is echter reeds op gewezen, dat de aard van hun werk meebracht, ' dat ze nauw met de apostelen samenwerkten en de leiding en het gezag van de apostelen erkenden. Doch dat geldt evenzeer voor de overige ambtsdragers in het N. Testament. De diakenen (Hand. 6) ontvangen ook ambt en ambtstaak uit de handen der apostelen! En de ouderlingen worden door bijv. Paulus ook in het ambt gesteld en vermaand en geïnstrueerd! In dezen is er werkelijk weinig verschil. En ook dient er op gelet te worden, dat de evangelisten soms vrij zelfstandig werkten. Zoo Philippus (Hand. 8). Mogen we Apollos naar den aard van zijn werk ook tot de evangelisten rekenen, dan geldt dat ook voor hem volgens 1 Cor. 16 : 12, waar we lezen, dat het Apollos' wil niet was tot Paulus te komen.

3. Voorts'voert men aan, dat alleen Christus dat ambt mag instellen en dat aan een kerk of gezamenlijke kerk niet toekomt (Synode 1896).

Dit is er echter wel heelemaal naast, want Epheze 4 : 11 zegt letterlijk, dat Christus de evangelisten heeft gegeven, en we lezen 1 Tim. 4 : 14, dat een presbyterium, een kerkeraad van een plaatselijke kerk, Timotheus de handen opgelegd en in het ambt bevestigd heeft, terwijl volgens 2 Tim. 1 : 16 een apostel daaraan medewerking heeft verleend! M.a.w. Christus en dies de apostelen en de kerken hebben dat ambt gewild, gegeven en ingesteld.

4. Het evangelistenambt droeg meer het karakter van een charisma dan dat van een bijzonder ambt (Bouwman e.a.) — zoo wordt wel tegengeworpen.

Dit argument is om minstens twee redenen tegenover de Schrift niet vol te houden. In de eerste plaats hierom niet, dat er duidelijk melding wordt gemaakt van het ambt van evangelist, getuige alleen al de bevestiging van Tim', in dat ambt. En in de tweede plaats mag men niet, gelijk de niet-Schriftgeloovige theologie heeft gedaan (b.v. Adolf von Heirnack en velen mèt en na hem) een soort tegenstelling forceeren tusschen charisma (bijzondere genadegave) èa ambt, alsof het een het ander uitsluit, alsof er (3 e e s-t e s-ambten waren tegenover kerkelijke ambten. Want er waren inderdaad bijzondere genadegaven los van het kerkelijke ambt, doch ook kerkelijke ambtsdragers deelden erin (b.v. Hand. 13 : 1: rofeten en leeraars; enz.). Doch ook die niet-Sehriftgeloovige wetenschap komt al meer tot de erkenning, „dat men niet spreken kan van een verschuiving van de „pneumatische" (geestelijke) naar de „juridische" opvatting, die de kerkorde wezenlijk anders zou doen zijn" (K. L. Schmidt in Kittels Woordenboek, deel 3, bl. 539; vergelijk R. Schippers in diens bespreking van het boekje van Prof. A. M. Brouwer, De kerkorganisatie der eerste eeuw en wij; De Reformatie, jaarg. 17, no. 28).

5. Ook brengt men in, dat we na den apostolischen tijd niet meer hooren van het evangelistenambt (Sillevis Smitt).

We hebben boven, in navolging van het meerderheidsrapport, er op gewezen, dat deze uitspraak. onhoudbaar is, daar Eusebius nog melding maakt van vele evangelisten in de tweede eeuw na Chr.

6. Voetius brengt als bezwaar tegen de erkenning ook in, dat het evangelistenambt niet universeel was maar beperkt tot plaatsen en streken, overeenkomstig de door de apostelen hun verleende opdrachten.

De waarheid is, gelijk we gezien hebben, dat ze overal konden prediken aan Joden, Jodengenooten, Samaritanen en heidenen, doch wel waren de opdrachten door de apostelen hun verleend beperkt tot één of meerdere plaatselijke kerken (Tim., Titus e.a.). Het is zóó: ze konden overal het Woord uitdragen, doch tot hun ambt behoorde ook soms plaatselijke kerken tot zelfstandigheid en vaste organisatie te leiden.

7. Precies het tegenovergestelde beweert Prof. H. Bavinck: het evangelistenambt was universeel, daar het macht en gezag had over alle kerken.

Deze bewering is niet juist: de apostelen hadden dat wel, de evangelisten niet. Ze konden wel overal prediken ter verbreiding van het evangelie, doch hun bevoegdheid in plaatselijke kerken was beperkt tot de opdracht, gelijk onder 6 is opgemerkt.

8. Hun ambt was meer de vertaling en dus de mondelinge overlevering van de evangelische stof der latere geschreven evangeliën, zoodat de evangelie-geschriften hun ambt overbodig maakten (Kuyper, De Zwaan, v. d. Waal in zijn minderheidsnota).

We hebben reeds opgemerkt, dat inderdaad soms voor de prediking vertaling uit het Arameesch in het Grieksch noodzakelijk was, doch die vertaling en mondelinge overlevering waren geen doel, doch middel om den Christus te prediken! En dié verkondiging was het doel.

9. De kerken mogen het evangelistenambt niet wederom erkennen, want we zijn in elk geval gebonden . aan het getal ambten, in Belijdenis en Kerkenordening genoemd en omschreven (Synode 1896).

Als we als Gereformeerden gelooven, dat de kerkelijke papieren te toetsen zijn aan de Schriften en dus ook voor herziening en verbetering vatbaar, dan weten we, dat zulk een argument waardeloos is. De Belijdenis en Kerkenordening mogen en kunnen niet binden boven of tegen de Schriften.

10. De vaderen der reformatie waren tegen de erkenning van het evangelistenambt.

We hebben eerbied voor de meeningen der vaderen en als ze overeenkomstig de Schriften spreken, nemen wij hun gevoelens dankbaar aan en over. Doch daarin zit het juist: we moeten hun meeningen toetsen aan de Schrift en als wij ze niet Schriftuurlijk bevinden loslaten voor wat beters. En nu blijkt als we de vaderen lezen en synodebesluiten als van 1896 en 1902, dat die vaderen weinig nauwkeurig de Schriften in dezen gelezen hebben en soms daaruit geheel niet argumenteerden (Synode van 1896!).

Daarom mogen we de Schriftuurlijke vrijmoedigheid hebben om van de vaderen af te wijken. Alleen: we zullen zelf naar allen kant de zaak dienen te bezien, opdat ook wij weer niet afwijken.

11. Ook wordt als argument tegen de erkenning van het evangelistenambt ingebracht, dat reeds de naam misverstand kan wekken, alsof we aan zendelingen van vereenigingen en genootschappen mogen en moeten denken, zoodat het gevaar ontstaat, dat op piëtistische en methodistische wijze kerk en zending weer gescheiden worden.

Ds V. d. Waal legt daarop sterken nadruk en laat aan het einde van zijn minderheidsnota den volgenden zin vet drukken: „Op grond van de Schrift, en ook gezien de historie der zending achten we, dat erkenning van het speciale ambt van zendeling zal leiden tot een nog grooter uiteenrukken van „kerk" en „zending", dan tot dusver geschied is" (bl. 21).

We gelooven echter, dat deze samenvatting niet houdbaar is. Al dadelijk het eerste niet: het is „o p grond van de Schrift" niet te bewijzen, dat kerk en zending uiteengerukt werden door de erkenning van het evangelistenambt. Dat heeft ook Ds V. d. Waal voor den apostolischen tijd niet bewezen met Schriftgegevens. Dat kan ook niet. Het ligt er maar aan, of de kerk van Christus leeft en werkt naar de Schriften. En als in de Kerkenordening, eventueel in de Belijdenis, het evangelistenambt erkenning en omschrijving vindt naar de Schriften, dan kunnen kerk en zending niet uit elkaar gerukt en niet van elkaar gescheiden worden. Tenzij de kerk de norm loslaat. Doch daartegen helpt de beste Belijdenis en

Kerkenordening niet, wat 1942 en volgende jaren wel hebben bewezen. Het lag in 1942 e.v.j. niet aan de Belijdenis en evenmin aan de K.O. en nog veel minder aan de duidelijkheid van de Schrift, doch aan den afval in het hart en in het leven, aan het ongeloovig loslaten van de normen. En daartegen is geen Belijdenis en geen K.O. opgewassen: daar helpt alleen bekeering, terugkeer tot Schrift en Belijdenis.

Vandaar dat ook het tweede' genoemde: „ook gezien de historie der zending" hier niet ad rem is.

Immers die zendingshistorie laat. zien, dat de vereenigingen en genootschappen voor de zending zijn opgekomen en dies zendelingleeraars en evangelisten, omdat de kerk haar zendingsroeping niet verstond. En daarvan was het gevolg het dwepen met zendelingen en zendelingenfamilies; het leggen van het werk in handen van weinigen, die „interesse" hadden enz. Dat alies hangt samen met de deformatie van de kerk van Christus in de vorige eeuw onder invloed van heidensch-wijsgeerige theorieën. In de Acta van het Zendingscongres van 1890 is daarover heel veel te lezen. Doch onze kerken mogen het werk der zending weer verstaan naar de Schriften als roeping der kerken, als roeping van allen en een iegelijk der leden. Al dient bedacht te worden, dat niet allen en een iegelijk alles kunnen en moeten doen. Er is nu eenmaal in het beperkte leven met de beperkte krachten verdeeling van arbeid en verdeeling van „belangstelling".

We besluiten: niet de erkenning van het évangelistenambt („zendeling", „zendelingsleeraar") leidde tot het uiteenrukken van kerk en zending. Juist de kerk erkende dat ambt niet! En omdat de kerk haar roeping verzaakte, ook in de erkenning van het evangelistenambt!, kwamen vereenigingen en genootschappen met „evangelisten" voor den dag! Zoodat die „evangelist" en „zendeling" het product, het gevolg is van den afval der kerk, niet de oorzaak daarvan.

12. Verder zij vermeld, dat meerdere malen een argument tegen de erkenning van het evangelistenambt is ontleend aan het schema van de drie ambten van Christus, met welke drie onze drie bijzondere ambten van herder en leeraar, ouderling en diaken zouden correspondeeren. Men stelt het wel zóó: omdat de Heere Christus Profeet, Priester en Koning is, daarom hebben we ook drie bijzondere ambten: predikant („profeet"), ouderling („koning") en diaken („priester"). Men kan dat nalezen bijv. in de Geref. Dogmatiek van Bavinck (deel 4, bl. 367 v.v. paragr. 506 over het aantal ambten; bl. 398 v.v.; 4e druk); A. J. Bronkhorst. Schrift en Kerkorde, bl. 112 v.v.: Christus en de ambten.

We kunnen in dit verband er niet breed over uitweiden. Dat schema heeft ongetwijfeld een zekere "bekoring. Alles „correspondeert" dan met alles wat de ambten betreft: de Heere Christus drie ambten, in de kerk drie ambten, het kerklid drie ambten!

De vraag is echter, of die schematiek tegenover de gegevens der Schrift is te handhaven.

We merken op, dat we zoo weinig nauwkeurig vaak van de drie ambten van Christus spreken, doch beter en precieser is: et één e. Middelaarsambt van onzen Heiland. Zoodat in dat ééne ambt een drievoudige onderscheiding wat werkzaamheid betreft is te maken. Daarbij komt, dat we het ambtswerk van den Heere Christus ziende, zooals de Schrift ons dat beschrijft, maar moeilijk kunnen zeggen: ier is de Heere Christus „alleen" profetisch bezig, daar „uitsluitend" koninklijk enz. Want het onderscheiden drievoudige van het profetische, priesterlijke en koninklijke bepaalt en beperkt elkaar wederkeerig: et profetische is óók priesterlijk en óók koninklijk; het priesterhjke óók profetisch en óók koninklijk; het koninklijke is óók profetisch en óók priesterlijk. Hij leert (profetisch) als machthebbende (koninklijk), Matth. 7 : 29. Hij legt het leven af (priesterlijk), doch Hij heeft macht het af te leggen en weder te nemen (koninklijk). Joh. 10 : 18, en dat Hij zulks verkondigt is „profetie".

Zoo is het met-„het ambt der geloovigen", dat het kerklid moet bedienen, ook gesteld. En met de bijzondere ambten in de kerk evenzeer. Daarbij is ook op te merken, dat de predikant ook ouderling is.

Zoodat de conclusie mag zijn, dat „het schema" behoedzaam moet worden gehanteerd.

Daarbij komt in de tweede plaats wat de bijz. ambten in de kerk betreft, dat er in het Nieuwe Testament eerst een veelheid van ambten en bedieningen is. Terwijl de apostelen er nog zijn, komen er diakenen en leeraars en ouderlingen en evangelisten. Vergelijk Rom. 12 : 6 v.v. 1 Cor. 12 : 1—11. En als de laatste brieven van het Nieuwe Testament worden geschreven vinden we naast de overgebleven apostelen: vangelisten, ouderlingen, die leeren, èn ouderlingen, die regeeren en diakenen. Want dat is onmiskenbaar in de brieven aan Timotheus en Titus. Willen we op grond van de gegevens in die zoogenaamde „pastoraal"-brieven een „schema" van de blijvende ambten maken, dan zou het zóó kunnen: vangelisten—ouderlingen (leer-en regeerouderlingen) — diakenen. Dan is er ook een drie-deeling! Doch we moeten weer bedenken, dat de evangelisten óók de drieërlei bevoegdheid der ouderlingen en diakenen bezitten voor het speciale ambtswerk, dat ze behooren te verrichten. Zoodat onze conclusie wel moet zijn: e dienen met die „schematiek" zeer voorzichtig te zijn en kunnen er niets uit afleiden. Vandaar dat daaruit geen argument is te smeden tegen de erkenning van het evangelistenambt.

13. Tenslotte zegt men: de kerk of de kerken hebben in de Schrift nergens bevoegdheid en opdracht ontvangen, om evangelisten aan te stellen en in het ambt.te ordenen (Synode 1896).

Dit argument lijkt sterk: wat in de Schrift niet uitdrukkelijk g e boden wordt, is ver boden. Dus een argumentum e silentio, dat is: uit het stilzwijgen der Schrift daarover besluit men, dat de Schrift het niet bepaald vrij laat doch zeker niet wil. Doch als dit „argument" hier kracht van bewijs heeft, dan kunnen we bijv. het diakenambt ook wel afschaffen! Trouwens van geen enkel bijzonder ambt wordt letter-1 ij k geschreven: het moet blijven tot den jongsten dag. Doch omdat we de Schrift aanvaarden als normatief, zoo gelooven we, dat er predikanten, ouderlingen en diakenen dienen te zijn, en zoo mogen we dat ook aannemen voor den evangelist. En omgekeerd: er is geen enkele letter bewijs uit de Schrift bij te brengen, dat het evangelistenambt met den dood van de apostelen moest ophouden. Voor de profeten zijn aanwijzingen in het Nieuwe Testament, dat hun werk met de teboekstelling van de nieuwtestamentische Godsopenbaring ophield, doch wie zal durven zeggen, dat er na de apostelen geen kerken meer in de (heiden-)wereld moesten en moeten geplant worden en dat die geplante gemeenten niet tot zelfstandig ambtelijk leven dienen gebracht te worden?

Zoo zien we: dertien „argumenten" tégen, doch geen klemt op grond van de Schrift.

Tenslotte geven we nog door hetgeen het meerderheidsrapport in zijn slotopmerkingen schrijft.

„Allereerst merken Uw deputaten op, dat, ook indien de kerken er voor zouden terughuiveren de consequentie te aanvaarden van erkenning van het evan­ gelistenambt, toch de resultaten van dit onderzoek ook dan nog van beteekenis blijven voor de bepaling van de positie van de zendingsarbeiders. Indien zij zouden willen concludeeren — anders dan wij meenen dat juist is —, dat de zendingsarbeider en de herder en leeraar een en dezelfde zijn, dan nog zou o.i. moeten worden erkend, dat de missionair in heel anderen zin en met heel anders uitgewerkte opdracht Dienaar des Woords is dan de plaatselijke herder en leeraar. Met andere woorden, de stelling en practijk zouden ook dan moeten worden losgelaten, als zou een gemeente één van „haar" herders en leeraars uitzenden naar het zendingsterrein. Natuurlijk kan zij dat wel eens doen maar dan gaat hij toch niet in qualiteit van herder en leeraar dier gemeente — dan immers moest hij bij zijn kudde bhjven — naair als haar gezant tot Woorddienst onder de heidenen".

Daarmee besluiten we dit deel in de hoop, dat de kerken voor de erkenning niet zullen terughuiveren. Dat beteekent niet, dat wij deze erkenning in elk geval op de Synode van Kampen, 1951, D.V. moeten doorzetten. Wij willen er voor pleiten, dat de kerken eerst zich grondig bezinnen, dat het resultaat van die bezinning op de kerkelijke vergaderingen moge komen en zoo de Synode in dezen goed voorbereid worde, en dat er geen beslissing genomen worde, aleer er genoegzame eenparigheid van gevoelen is verkregen. Als dit laatste niet het geval mocht zijn, dus geen genoegzame eenparigheid, dan kunnen we gevoegelijk wachten tot na de Synode van Kampen. Het is een gewichtig ding, die erkenning. Daarom Schriftuurlijke voorbereiding en verantwoording.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 mei 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

Het wederom erkennen van den ambtelijken dienst van den evangelist

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 mei 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken