Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Aangaande mij en mijn huis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aangaande mij en mijn huis

„Hij heelt hen niei eens zuur aangezien"

6 minuten leestijd

„Hij heelt hen niei eens zuur aangezien"

Dit zijn voor ons overbekende woorden. De Heere sprak ze tot den nog jeugdigen Samuel, toen de Heere voor den eersten keer hem verscheen; in den nacht; en de lamp Gods nog niet was uitgedaan. „Samuel, Samuel!" hoorde hij duidelijk roepen. „Dat moet de stem van Eli zijn", meent hij. „Neen", zegt Eli, „ik heb u niet geroepen! Leg u neder!" Maar het roepen herhaalt zich. Eln ook nu is Eli's antwoord als den eersten keer. Ten derden male hoort Samuel de zelfde stem. Nu gaat Eli het licht op! De Heere roept Samuel! En dat zegt Eli ook tot hem, als Samuel voor den derden keer tot den hoogepriester komt: „Zoo Hij u weer roept, zeg tot Hem: „Spreek, Heere, want uw knecht hoort!"

En zoo geschiedde het. En zoo deed Samuel.

Eenmaal had de Heere gesproken: „Zal ik voor Abraham verbergen wat ïk doen zal? " — maar Abraham was dan ook de vader der geloovigen!

Nu wordt de jonge Samuel verwaardigd, reeds aan het begin van zijn profetische loopbaan, dat de Heere aan hem openbaart, wat Hij doen zal. Dit n.l., dat Hij het oordeel, al eerder door een man (3ods aan Eli verkondigd, nu zal voltrekken! De maat der ongerechtigheid is vol. En ook Eli zelf heeft daaraan groote schuld: „Toen zijn zonen, Hofni en Pinehas, zich vervloekt hebben gemaakt, heeft hij, hun vader, en tegelijk hoogepriester en richter, ze niet eens zuur aangezien."

In dat enkele woord: „Hij heeft hen niet eens zuur aangezien", voelen we ineens den eisch, door den Heere aan ons, ouders, gesteld, onze kinderen op te voeden in de vreeze en vermaning des Heeren, in al zijn zwaarte op ons afkomen, en voelen de verantwoordelijkheid, die we daardoor dragen, in al haar gewicht ons op de ziel wegen.

Dat is stellig het eerste en meeste, wat ons hier treft.

Toch wilde ik het daar dezen keer niet over hebben. Er is nog iets anders in hetgeen de Heere hier tot Samuel zegt, wat onze volle aandacht verdient; ik bedoel: van hoeveel belang het is, in het stuk van opvoeding, hoe wij onze kinderen aanzien; ik kan het ook zoo zeggen: welk een machtig middel ter opvoeding de Heere ons gegeven heeft in de oogen.

Er zijn er, die, als het gaat over den arbeid der opvoeding, in de eerste plaats denken aan de roede, het symbool der lichamelijke straffen, en zij meenen dat te kunnen verdedigen met een beroep op de Spreuken van Salomo: b.v. „Die zijn zoon lief heeft zoekt hem vroeg met tuchtiging!" En niemand mag ontkennen, dat de roede onmisbaar is. Maar het is niet het eenige, en ook niet het voornaamste opvoedings-middel.

Veel hooger mogen we het oog stellen: het oog van vader, het oog van moeder; het oog van den onderwijzer; het oog van den meester.

Is het haast niet de hoogste lof, welken men een onderwijzer toe kan zwaaien, dat hij geen stok, ja zelfs geen strafregels behoeft, om de klas tot gehoorzaamheid en netheid en ijver te brengen, maar dat hij met zijn oogen haar regeert?

Wie kent niet het spreekwoord: „Het oog des meesters maakt het paard vet? "

En is het niet van algemeene bekendheid, dat de dierentemmer wel eens een zweep of een sfaaf gebruikt, om de wilde dieren in bedwang te houden, maar dat deze dingen nutteloos zijn, zoo hij niet met z'n oogen hen sterk beïnvloeden, en als regel ze zelfs regeeren kan?

Daar ligt een wonderUjke, onbegrijpelijke, geheim.zinnige en haast onbegrensde macht in het oog van den mensch: ten goede en ten kwade!

Als de kleine jongen zijn uiterste best doet, voor zijn vader wat te maken, en het ventje er vast van overtuigd is, dat hij het „prachtig" zal vinden en in die zekere verwachting het hem, na veel zwoegen aanbiedt en opkijkt naar het vaderoog, om daax zijn verwondering en blijdschap uit af te lezen —• maar inplaats daarvan een blik van minachting en wat schamperen spot ontwaart — want de taal van het oog kan zelfs , het kleine kind lezen — dan is de uitwerking vreeselijk:

Het is mogelijk, dat het kind wegsluipt en in de eenzaamheid in snikken losbarst (en dat is dan nog het beste) — het kan ook zijn, dat in het jonge hartje een gevoel van wrok en bitferheid jegens zoo'n vader zich vastzet, hetwelk misschien voor altijd de goede verhouding tusschen beiden bederft; en de vader den zoon, maar ook de zoon den vader verloren heeft.

Maar ook omgekeerd: Moeder ziet haar dochtertje bezig met een handwerk je. Ze kan het haast niet aan; en ze is bang, dat ze het niet klaar krijgt. Af en toe kijkt ze eens naar Moeder en haar oogen vragen: „Zou het lukken? " En als Moe's vriendelijke oogen dan zeggen: „Toe maar, hoor! Houd maar moed! Het komt vast wel goed!" — dan spant ze opnieuw aUe krachten in, tot ze het eindelijk af heeft. Dat moet Moeder natuurlijk zien. Wat zou ze daar nu wel van zeggen! Ze neemt het op en bekijkt het. Uit haar oog straalt een en al verbazing voor zoo'n prestatie. En dan verbetert ze nog wel een enkel foutje — maar dat neemt het kind graag op den koop toe: „een volgenden keer zal ze het nóg beter doen!"

Ik behoef niet te vragen, wie van deze twee: die Vader of die Moeder met de oogen het best heeft opgevoed.

Laten we nog een ander voorbeeld nemen!

De oudste zoon, een beetje Vaders trots, komt thuis van school; zooals gewoonlijk met heele verhalen. Het treft, dat Vader thuis is: „Wat kan die jongen het smakelijk opdisschen!" Af en toe eens een gewaagd woord; wat ruw, zooals het thuis niet gebruikeUjk is; soms zelfs een bastaard-vloek, maar niet eens erg verbasterd. De knappe verteller is het zich bewust, dat hij gevaarUjk dicht bij de grens is, die hij niet overschrijden mag, maar hij kon het toch eens probeeren. En ondertusschen houdt hij zijn vader in de gaten, die van de talenten van zijn zoon geniet. AUeen, als hij èl te „dikke" woorden gebruikt, gaat Vaders vinger waarschuwend omhoog: „Ho, ho, baasje, zulke woorden zeggen we hier niet!" — maar in zijn oogen leest het scherpe oog van den te bestraffen jongen den innerlijken schik, dien Vader niet verbergen kan. „Hg zag hem niet eens zuur aan." Het onbehoorlijke spreken van zijn overigens fikschen zoon had niet zijn verontwaardiging gaande gemaakt; niet in hem de droefheid gewekt over zulk een taal. Want dan zou het in de oogen te lezen zijn geweest.

En de conclusie is: „Vader vindt het blijkbaar toeh niet zo erg!" En de gevolgen? Die kunnen vreeselijk zijn!

HUISMAN.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 mei 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

Aangaande mij en mijn huis

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 mei 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken