Bekijk het origineel

De kerk en haar diensten (Art. 28 N.G.B.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De kerk en haar diensten (Art. 28 N.G.B.)

10 minuten leestijd

HOOFDARTIKEI,

IX Wij geiooven en belijden een Icerk „buiten welke geen zaligheid is"

Op den Pinksterdag wordt dus aanvankelijk de nieuwtestamentische kerk losgescheurd uit het historische volk Gods Israël. En die nieuwtestamentische kerk arenit den schat der zaligheid, welke vJt de Jcdin is, rnee. De apostelen moeten nu de wereld in om dien schat uit te deelen, predikende het Evangelie aan alle creaturen. En buiten die ambtsdragers, door Christus geroepen tot de Evangelieverkondiging, is er dan geen zaligheid. Zij zijn de dragers van het Woord Gods, en alleen voor wie dat verkondigde Woord gelooft en zo medegebouwd wordt op 't fundament der apostelen, is er zaligheid. De historische wording der kerk, de historische vergadering van allen die Christus gekocht heeft met Zijn bloed, is gebonden aan de prediking van het Evangelie, de ambtelijke verkondiging van 't Woord met bevel van geloof en bekeering. De woorden Gods zijn nu toebetrouwd aan de door Christus geroepen nieuwtestamentische ambtsdragers. De zaligheid is nu uit de apostelen. Hoe zullen zij geiooven in Hem, van Welken zij niet gehoord hebben? en hoe zullen zij hooren, zonder die hun predikt? en hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? (Rom. 10 : 14, 15). Zonder zending geen prediking, en zonder prediking geen geloof. Welnu, de apostelen zijn dé gezondenen. Door hun prediking wordt het geloof gewerkt. .Buiten die prediking is er geen zaligheid. Dat is: er is geen zaligheid buiten de ambtelijke verkondiging van het Evangelie, buiten de ambtelijke bediening der verzoening, buiten de kerk in haar ambten en bedieningen.

Buiten het Evangelie van Jezus Christus is geen zaligheid. Maar dat Evangelie hangt niet in de lucht. Het is toebetrouwd aan de apostelen, opdat die het zouden verkondigen, opdat die de verzoening in het bloed van Christus zouden bedienen, opdat die den schat der zaligheid zouden uitdeelen. Dat Evangelie is toebetrouwd aan de nieuwtestamentische kerk, de nieuwtestamentische institutaire kerk, zichtbaar optredend onder de ambten. En zoo is er buiten de kerk geen zaligheid.

Dat Evangelie is door de apostelen overgedragen. Het ambt der apostelen, die getuigen waren van Christus' opstanding, heeft afgedaan. Maar daar zijn andere ambtsdragers gekomen: ouderlingen; ouderlingen, die arbeiden in 't Woord en in de leer, herders en leeraars (1 Tim. 5 : 17, Efeze 4 : 11). .A.an Timotheus wordt opgedragen: En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe menschen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leeren (2 Tim. 2 : 2).

De schat der zaligheid, de schat des heils, wordt dus overgegeven aan opvolgers, die getrouw moeten zijn, die dus dien schat ook zuiver moeten bewaren. En zoo komt er apostolische successie in de kerk en krijgt de kerk haar geschiedenis. Die apostolische successie en die kerkgeschiedenis worden nu bepaald door de bewaring van het fundament van apostelen en profeten. door de bewaring van de leer der apostelen: Voorts, broeders! ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat, door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zoodanige wijze, als ik het u verkondigd heb (1 Cor. 15 : 1, 2). Het amotelijk verkondigde Evangelie moet behouden, bewaard worden. En zoo is er zaligheid.

Maar die bewaring is er niet altijd geweest in de historie. Er treden in de kerk ook kwade herders en valsche leeraars op. De Schrift spreekt er herhaaldelijk van, b.v. 2 Petr. 2 : 1. Dan komt er verduistering van het Evangelie en vervalsching van het Evangelie. Er wordt aan het Evangelie toegedaan en er wordt van het Evangelie afgedaan. Het EvangeUe wordt vermengd met geboden en leeringen van menschen. Dat is niet altijd gemakkelijk te herkennen. De duivel doet zich voor als een engel des lichts. De wolf komt in schaapskleeren. Bovendien is de valsche profetie naar den mensch. Voor 't Juda van Jeremia's dagen was 't aangenamer om te hooren naar de valsche profetie, die sprak van „vrede, vrede!" (Jer. 6 : 14), dan om te luisteren naar de woorden van den waren profeet, die sprak van gericht.

Zoo sluipt de valsche leer, vervalsching van 't Evangelie de kerk binnen. Dat is in de historie ook metterdaad gebeurd. In de hoe langer hoe meer Roomsch wordende kerk hebben menschelijke leeringen 't Evangelie overwoekerd, en heeft menschelijke heerschappij de heerschappij van Christus verdrongen. Maar de Heere, die beloofd heeft, dat Hij Zijn kerk zal bewaren, geeft reformatie, wederkeer naar 2iijn Woord, de reformatie van de zestiende eeuw. Hij verwekt in Zijn genade en trouw mannen, die het bederf der kerk zien, die het licht van het Woord weer op den kandelaar plaatsen en die oproepen tot wederkeer, tot nieuwe gehoorzaamheid aan het Woord des Heeren, tot wegdoen van alle afgoderij en beeldendienst, om alleen den Heere te dienen in gehoorzaamheid. Toen had de geheele kerk aan dien oproep gehoor moeten geven en zich aan dat Woord' des Heeren moeten onderwerpen. Dat gebeurde echter niet. Er werd verharding openbaar, voortgaan in de wegen van eigenwilligheid, verzet tegen het Woord des Heeren. En er ging gebeuren wat Christus Zijn discipelen had voorzegd: Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, de ure komt, dat een iegelijk, die u zal dooden, zal meenen Gode een dienst te doen (Joh. 16 : 2). „Uit de synagogen werpen", dat is niet een relletje van een opgewonden troep, maar een officiëele ambtelijke handeling: treffen met de tucht, buitensluiten buiten de gemeenschap der kerk. Zoo is met Christus zelf gehandeld. Christus is officieel uitgebannen uit de gemeenschap van het Joodsche volk. Hij heeft geleden buiten de poort der heilige stad (Hebr. 13:12). Zoo gaat het ook met Zijn dienstknechten: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn'heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen (Joh. 15 : 20).

De vervalschte kerk is de ware geloovigen gaan uitwerpen en gaan dooden. En daarmede heeft zich ten opzichte van de Roömsch geworden kerk voltrokken, wat ook gebeurd was met de Joodsche kerk, die Christus en Zijn discipelen had uitgeworpen: de Joodsche kerk hield op kerk te zijn, en op den Pinksterdag heeft de Heere publfekelijk de nieuwtestamentische gemeente geproclameerd als Zijn volk, temidden waarvan Hij wilde wonen, door den Heiligen Geest uit te storten niet in den tempel, maar in de plaats waar de apostelen met de nieuwtestamentische gemeente vergaderd waren. De lijn der kerk liep nu verder door over hen. Welnu, iets dergelijks gebeurt ook in de zestiende eeuw. Wanneer de vervalschte kerk de ware .geloovigen gaat vervolgen en uitwerpen, gaat treffen met den officiëelen banvloek, dan houdt zij op kerk te zijn, d.i. vergadering der geloovigen, en dan loopt de lijn der kerk door daar waar de vergadering der geloovigen gevor.jden wordt. Mot de, reformatie, werd de eene heilige katholieke kerk niet in twee deelen gespütst, een gezuiverd, ge-reformeerd deel en een ongezuiverd Roomsch deel. Maar de eene heilige katholieke kerk was daar, waar het Evangelie bewaard werd, waar verder gebouwd werd op het fundament van apostelen en profeten, waar het karakter der kerk werd vastgehouden, waar de ware geloovigen niet werden uitgebannen, maar werden vergaderd.

Het Evangelie, waaraan de zaligheid verbonden is, werd bewaard door Gods genade. Maar niet bij Rome, doch bij de kerk der reformatie. Bij Rome was het verduisterd en vervalscht. En onze vaderen getuigden van Rome, dat daar niet werd gevonden geloof in den eenigen Zaligmaker Jezus, want ofschoon er nog wel was — dat wordt trouwens steeds minder — een in Hem roemen met den mond, er was een Hem verloochenen met de daad (Held. Cat. Zondag 11).

Waar was toen de zaligheid? Niet bij Rome, maar bij de kerk der reformatie, die door het zuivere Evangelie der genade de geloovigen vergaderde.

Ditzelfde geldt van elke waarachtige kerkreformatie. Ook in de vorige eeuw, toen sinds geruimen tijd verval in de kerk was binnengeslopen en het Evangelie der genade verduisterd en vervalscht was door 'n evangelie van den braven, godsdienstigen, verlifditen mensch, gaf de Heere wederkeer tot de gehoorzaamheid aan Zijn Woord. Ook toen verwekte de Heere mannen, die de gebreken der kerk aanwezen idt het Woord Gods en die opriepen tot uitbanning van alles wat met den wil des Heeren in strijd was. Ook toen werden deze mannen vervolgd en uitgeworpen en werd hun smaadheid aangedaan van de zijde van en op instigatie van de officiëele , , kerk" in bond met de overheid van die dagen. Daarmede heeft die officiëele „kerk" het karakter der kerk als vergadering der geloovigen prijsgegeven.

En ditzelfde heeft zich in onze eeuw herhaald, toen ook uitgeworpen werden mannen die. de kerk wezen op haar gebreken en opriepen tot reformatie. In die uitwerping van ware Christ-geloovigen zijn de gebonden kerken den weg opgegaan van de Joodsche, de Roomsche en de Ned. Hervormde kerk. En ook in onze eeuw bleef de hjn der kerk doorloopen daar waar het Evangelie zuiver werd bewaard en waar vastgehouden werd aan het karakter der kerk: vergadering der geloovigen. En buiten die kerk, wijl buiten het zuivere Evangelie, is geen zahgheid.

Daarmede roemen we niet in menschen. En wanneer we zoo geloovig spreken van de , , ware kerk", dan zit daarin geen hoogmoed of zelfverheffing, dan is dat alleen maar een roemen en prijzen van den Heere, Die in Zijn genade en trouw nog geen afgesneden zaak met ons heeft gemaakt, maar hier in deze

landen nog Zijn kerk heeft bewaard bij en doen wederkeeren tot Zijn Woord, ondanks ontrouw en afval bij Zijn volk.

Alle roem is uitgesloten! Die roemt, roeme in den Heere!

Buiten de kerk, wijl buiten het Evangelie, dat aan de kerk is toebetrouwd en door Gods genade door de kerk is bewaard, is geen zaligheid.

Door de Roomsche kerkleer wordt niemand zalig: daar is een verloochenen van Jezus met de daad (Held. Cat. Zondag H), daar wordt vervloekte afgoderij gepleegd (Heid. Cat. Zondag 30), daar belijdt men de onbevlekte ontvangenis en de lichamelijke hemelvaart van Maria (1854 en 1950), daar belijdt men de onfeilbaarheid van den paus (1870).

Wie, nog zijnde in het Roomsche instituut, zalig wordt, die wordt zalig niet door de Roomsche kerkleer, maar door het Evangelie van Christus, dat in de ware kerk zuiver is bewaard.

Door de leer van het Hervormde instituut wordt ook niemand zalig. Want dat instituut huldigt de leervrijheid, zoodat daar geloochend kan worden de opstanding van Christus (Zaalberg, vorige eeuw), zoodat daar de belijdenis omtrent Christus' geboorte uit de maagd Maria kan vervalscht worden tot iets als een leerzaam verhaal (Barth).

Eh door de leer van het synodalistisch instituut wordt ook niemand zalig. Want daar stelt men als criterium voor de vergadering der kerk het „houden voor wedergeboren": Tenzij gij de kinderen houdt voor wedergeboren, gij kunt bij ons geen ambt bekleeden en geen Avondmaal vieren.

Buiten de kerk geen zaligheid, dat is: buiten het Evangelie geen zaligheid. Maar dat Evangelie is aan de kerk toebetrouwd, en de schat der zaligheid wordt uitgedeeld door de ambtelijke verkondiging van het Evangelie. En waar dat Evangelie zuiver bewaard wordt, daar is de zaligheid, daar is de heilige algemeene of katholieke kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 maart 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

De kerk en haar diensten (Art. 28 N.G.B.)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 maart 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken